Kunnen wij tot Jezus bidden?

1998-11-13
  • Jaargang 42
  • nummer 23
Kort geleden had ik een gesprek met een aantal mensen die ik respecteer naar aanleiding van de publicatie van het boek van prof. Kuitert over Jezus. Zoals bekend vindt Kuitert dat Jezus ten onrechte een centrale plaats heeft gekregen in het christendom.
Zijn volgelingen, Johannes en Paulus voorop, hebben Hem te veel ’opgehemeld’. Jezus zelf kan als Jood nooit iets anders geloofd hebben dan wat centraal was en is in het Jodendom en wat wordt beleden in het Sjema: De Here onze God is Een. Maar al snel na zijn dood kwam er een andere invulling van het geloof in God. Het werd het geloof over Jezus, in plaats van het geloof van Jezus.

Kuitert kan zich beter vinden in de ’Psalmenvroomheid’, waarin het geloof in God als Schepper wordt bezongen.
Hij noemt de aanbidding van Jezus een ketterij. In het genoemde gesprek bleek dat er verschillend gedacht wordt over bidden tot Jezus. Moeten wij verering van Jezus, en het rechtstreeks bidden tot Hem afwijzen? Is het een stap terug als in moderne lofliederen, zoals in de Opwekkingsbundel, het steeds vaker blijkt te gaan om Jezus en de persoonlijke relatie die ik met Hem onderhoud? Gaat dit ten koste van de breedte en de diepte van de Psalmen, die de God van Israël, de God van het verbond bezingen? Nu zal er onder ons (hoop ik) niemand zijn die de godheid van Jezus ontkent, zoals Kuitert dat doet. Maar wel waren er in dat gesprek stemmen die in niet mis te verstane termen de zogenaamde ’Jesulatrie’ (verering van Jezus) en het Jezus-gebed afwezen.
Ik heb moeite met die laatste opvatting. En ik denk dat een verschillend denken en geloven op dit punt ook zal leiden tot een verschil in praktijk van het pastoraat en van de liturgie. In het volgende wil ik eerst proberen te begrijpen wat mensen bedoelen als ze kritiek hebben op Jezus-verering of bidden tot Jezus. Daarna wil ik kijken wat de Bijbel en de jonge kerk ons zeggen. En tenslotte iets over gevolgen voor de praktijk van een en ander.
God is meer dan Jezus. Als mensen dat bedoelen en kritiek hebben op een exclusieve aandacht voor Jezus, ten koste van de Vader en de Heilige Geest, dan lijkt me dat een gerechtvaardigde correctie. De Here God is de Schepper die sprak en het was er, die gebood en het stond er. Hij is de wetgever en de onderhouder van deze hele geschapen werkelijkheid. En hoewel Christus nauw betrokken was bij de schepping (de eerstgeborene der ganse schepping, want in Hem zijn alle dingen geschapen, Col. 1:15), gaat het te ver om de schepping exclusief aan Hem toe te schrijven. Mij is ook niemand bekend die dat beweert. De Vader is ook de voleinder, het uiteindelijke toekomstperspectief is dat God zelf bij de mensen zal wonen. De Zoon zal als Koning heersen, totdat het einde komt en ook de dood zal onttroond worden. Dan zal ook de Zoon zich aan de Vader onderwerpen, opdat God alles zal zijn in allen (1 Cor. 15). Dit alles lijkt me goede christelijke orthodoxie en ook nauwelijks omstreden.

Jezus-vroomheid
Misschien bedoelt men iets anders met de kritiek op ’Jezus-vroomheid’. Het kan zo gemakkelijk iets worden van: Jezus en ik, een beperking tot het heil voor de ziel. Graaf Zinzendorf, de stichter van de Hernhutters, gaf als omschrijving van de zendingstaak: „Zielen winnen voor het Lam”. Ik vind dat een mooie omschrijving, maar ze schiet tekort. Zending is meer: het is de uitbreiding in woord en daad van het Koninkrijk van God dat zijn middelpunt vindt in de verzoening van de mensheid met God door Jezus Christus.
Gelukkig is het leven vaak sterker dan de leer: bekend is dat juist de Hernhutters veel gedaan hebben voor de verheffing van de slaven. Het heil in Christus begint wel persoonlijk, maar het trekt als het goed is steeds wijdere cirkels. Overal waar de wateren van Gods Geest komen zal alles gezond worden (Ez. 47).
Ik kan me ook een cultureel argument voorstellen tegen ’Jezus-vroomheid’. Sommige uitingen daarvan zijn beneden peil en getuigen van wansmaak. Zoetige plaatjes van een blauwogige Jezus met golvend haar en een vrouwelijke uitdrukking op zijn gezicht, of lieve versjes die eenzelfde beeld communiceren, wie wordt daar blij van? Het is iets anders of we slechts één stijl als normatief moeten zien. Ik denk dat er zowel in het Liedboek als in de Opwekkingsbundel mooie liederen (naast minder mooie) staan, die toch heel verschillende stijlen vertegenwoordigen.
Het is jammer als criteria die voor de ene stijl worden gehanteerd ook op de andere worden toegepast.
Men brengt dan niet in rekening dat de functie van een lied in beide gevallen niet dezelfde is. Bijvoorbeeld het criterium dat een lied de tijd moet doorstaan en dat veel opwekkingsliederen na een paar jaar verouderd zijn.
Wat geeft het, als zo’n lied een tijdlang heeft uitgedrukt wat er op dat moment in de lucht zat en waardoor mensen hun geloof op dat moment konden beleven op een manier die bij hun situatie paste?
Misschien wil iemand ook aandacht vragen voor Jezus’ eigen onderwijs. Hij heeft zijn discipelen niet geleerd tot Hem te bidden, maar tot onze Vader die in de hemelen is. Zelf bad Hij: Niet mijn wil, maar uw wil geschiede.
Steeds valt het accent in de evangeliën erop dat wij door Jezus tot de Vader mogen komen. Ook die correctie op eenzijdige aandacht voor Jezus lijkt me juist.

Kom, Here Jezus!
En toch: er is meer te zeggen over Jezus’ plaats in de bijbelse vroomheid.
We zijn gewend om te zingen over Jezus en ook wel tot Jezus. Dit in navolging van de hemelse lofzang in Openbaring 5: „Het Lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen de macht en de heerlijkheid en de rijkdom, en de wijsheid en de sterkte, en de eer en de heerlijkheid en de lof.” Het zou vreemd zijn dit eerst met zoveel kracht te beweren en je dan te verzetten als mensen inderdaad met hart en stem gevolg hieraan geven. Daarom zingen we dan ook prachtige liederen zoals Gezang 476: ’Eeuwig Woord u willen wij bezingen, God uit God en Licht uit Licht’. Of gezang 328: ’Here Jezus, om uw woord zijn wij hier bijeen gekomen’.
Moet je daarbij onderscheid maken tussen lofprijzing en aanbidding, waarbij het eerste wel en het laatste niet aan Jezus zou toekomen? Het onderscheid lijkt me gekunsteld. Is het niet zo dat alle ware lofprijzing moet uitmonden in aanbidding, die een vorm van grotere intimiteit uitdrukt (aanbidding in het Grieks is: proskunein, dat letterlijk betekent naderen om te kussen)?
Betekent groeien in geloof, dat we groeien in kennis over God, dat er meer in ons hoofd zit? Of betekent het dat we meer intiem met Hem geworden zijn, Hem persoonlijk en van nabij leren kennen?
Jezus nodigt ons uit in de relatie binnen te treden die Hij met de Vader heeft. „Dit nu is het eeuwige leven, dat zij u kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus die Gij gezonden hebt. Ik bid, opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn. Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erkenne dat Gij Mij gezonden hebt, en dat Gij hen hebt liefgehad, gelijk Gij Mij hebt liefgehad” (Joh. 17:3, 20, 23). De weg van de discipelen tot God gaat via Jezus. „Here, toon ons de Vader en het is ons genoeg”, zegt Filippus. En Jezus antwoordt: „Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien... Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is... en wat gij ook vraagt in Mijn naam, Ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt worde. Indien gij Mij (!) iets vraagt in mijn naam, Ik zal het doen.” (Joh. 14:8-14) Jezus zegt hier niet dat de relatie die de discipelen met Hem hebben na Zijn heengaan minder zal worden, dat de ladder na het bereiken van de top wel weggegooid kan worden. Nee, Hij blijft present, maar op een andere wijze, door de Heilige Geest. „De Vader zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn, de Geest der waarheid... Hij blijft bij u en zal in u zijn.” Maar dan volgt ook direct: „Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u.” En dan verder over de Vader en de Zoon: „Wij zullen tot hem (degene die Mij liefheeft) komen en bij hem wonen.” (Joh. 14:16-23).
En dan gaat het verder over de relatie met Hem, in het beeld van de ware wijnstok: „blijft in Mij, gelijk Ik in u...
zonder Mij kunt gij niets doen” (Joh. 15:3,5). Al eerder in het evangelie had Jezus gezegd: „Mijn schapen horen naar mijn stem en Ik ken ze en ze volgen Mij”, (Joh. 10:26).
Dit zijn toch teksten die overduidelijk spreken over een persoonlijke relatie tot Jezus? En hoe moet ik mij een relatie voorstellen, waarin er maar van één kant gesproken kan worden? Zou Hij alleen tot ons spreken, zonder dat wij ooit iets terugzeggen?
„Kom tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven”, zegt Jezus (Mat. 11:28). Dat is toch nog steeds waar? En als we dan kómen met alles dat ons drukt, en we zijn eindelijk in zijn nabijheid, waar Hij ons toe uitnodigt, zouden we dan alleen mogen zwijgen? Valt er dan niks te zeggen?
In het Nieuwe Testament zie je na de opstanding een andere houding van de discipelen tot Jezus. Gesprek wordt aanbidding. Thomas belijdt: „Mijn Here en mijn God!” (Joh. 20:28). Aan het slot van het Matteüs-evangelie lezen we: „Toen zij Hem zagen aanbaden zij, maar sommigen twijfelden.” Jezus wijst dan die aanbidding niet van de hand. Hij komt aan hun twijfel tegemoet: „Jezus trad naderbij en sprak tot hen: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde... En zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding van de wereld.” Nogmaals: hoe moet ik mij die nabijheid voorstellen als ik Hem niet kan aanspreken in het gebed?
Een van de oudste christelijke gebeden dat wij kennen is het ’Maranata!’, ’Kom Here Jezus’, het gebed waar het Nieuwe Testament ook mee wordt afgesloten (1 Cor. 16:22 en Openb. 22:20). De eerste christenen riepen Jezus aan als Heer, en ze verwachtten ook dat Hij in hun midden zou zijn, elke keer als ze samen kwamen voor de gebeden, de opening van de Schriften en om het brood te breken.
Ze zagen naar Hem uit, omdat ze verwachtten door Hem te worden aangeraakt en vernieuwd, ze verwachtten dat Hij er zou zijn met Zijn Geest en met de geestesgaven.
Paulus spreekt over deze verwachting als Hij zegt: „Immers, een en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen die Hem aanroepen” (Rom. 10:12). Over dit aanroepen van de Naam zegt Alister McGrath: „Binnen de joodse context waarin de eerste christenen leefden, mocht alleen God aanbeden worden en geen ander. Paulus waarschuwt de christenen in Rome dat er altijd gevaar dreigde dat mensen schepselen zouden aanbidden, terwijl ze hun Schepper moesten aanbidden (Rom. 1:23). Toch aanbad de vroege kerk Christus als God – en dit kan al in het Nieuwe Testament aangetoond worden. 1 Cor. 1:2 spreekt bijvoorbeeld over christenen als degenen die ’de naam van onze Here Jezus Christus aanroepen’; dit taalgebruik weerspiegelt de oudtestamentische formule voor het vereren en aanbidden van God (Gen. 4:26; 13:4; Ps. 105:1; Jer. 10:25; Joël 2:32).”1 Paulus bidt tot Christus inzake de ’doorn in het vlees’ die hij ziet als een kwelling van de satan. „Driemaal heb ik de Here (Kurios) hierover gebeden, dat hij van mij zou aflaten. En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid. Zeer gaarne zal ik dus in zwakheden nog meer roemen, opdat de kracht van Christus over mij kome” (2 Cor. 12:8,9). Ook Stefanus bidt als hij sterft tot zijn Heer: „En zij stenigden Stefanus die de Here aanriep, zeggende: Here Jezus, ontvang mijn geest”, (Hand. 7:59).2 Wat in het Nieuwe Testament wordt voorgedaan deed de oude kerk na.
„Deze belijdenis (van het Zoonschap van Christus) is allereerst van grote betekenis in liturgisch-adoratieve zin.
De christen aanbidt deze Kurios als het Lam op hetzelfde niveau als de Vader (vgl. Op 4 en 5). Het is godslasterlijk om ’Kurie eleison’ of ’Jezus is Heer’ te belijden, als Hij niet op een en hetzelfde niveau met de Vader staat. Ieder (...) die het Lam aanroept (...) voegt zich met deze aanbidding in het geheel van de ene katholieke kerk”, aldus B. Wentsel.3 Het is opvallend dat de geloofsbelijdenis van Nicea in het artikel, waarin het gaat om de godheid van de Geest, er vanuit gaat dat Hem dezelfde eer toekomt als Jezus en de Vader: „die te zamen met de Vader en de Zoon wordt aangebeden en verheerlijkt.” De aanbidding van de Zoon spreekt vanzelf; wat hier gezegd wordt, is dat dat ook voor de Heilige Geest geldt.

Jezus Aanwezigheid nu
Ik zal de ontwikkeling van deze aanbidding van Jezus en de bijzondere plaats die deze kreeg onder invloed van de christologische strijd nu niet verder volgen. Alleen nog iets over onze eigen situatie.
Als Jezus niet meer centraal staat in onze geloofsbeleving dan heeft dat gevolgen voor ons hele kerkelijke leven en voor het pastoraat. Ik bedoel hiermee niet dat Jezus de plaats van de Vader zou moeten innemen. Maar wel dat Hij naast de Vader een legitiem adres is wanneer we ons tot God wenden met aanbidding of dankzegging.
Het Lam dat geslacht is heeft Zijn plaats in het midden van de troon, samen met Hem die op de troon gezeten is, de Almachtige (Openb. 4 en 5).
Ik denk hierbij aan Jezus’ aanwezigheid in ons gemeentelijk samenzijn. Ik kan hier niet beter doen dan een gedeelte citeren uit het prachtige boekje van prof. W.F. Dankbaar, De tegenwoordigheid van Christus in het avondmaal: „Met schaamte moeten wij bij het lezen van de Handelingen bemerken, hoe schraal en burgerlijk ons kerkelijk leven geworden is. Dit komt doordat wij doorgaans geen weet meer hebben van de tegenwoordigheid des Heren, niet alleen in onze predikdiensten en sacramentsbedieningen, maar ook in onze kerkeraadsvergaderingen, catechisaties en gemeenteavonden.
Die alle zijn alleen dàn uitingen van waarachtig kerkelijk leven en geen volkomen vervlakte en wereldse samenkomsten met stichtelijke encadrering, als wij ons gedragen weten door en onder de tucht gesteld van de praesente Christus.” „Deze tegenwoordigheid van de Heer in zijn gemeente volgt niet uit een algemene goddelijke alomtegenwoordigheid. Zulk een begrip van omnipraesentia is eerder van neo-platonische dan van bijbelse oorsprong.” (...) „Gods tegenwoordigheid is in het Nieuwe Testament zeer bepaald, doch niet meer beperkt tot de tabernakel of de tempel, want, zegt Jezus tot de Samaritaanse vrouw, de ure komt, dat de Vader niet meer in Jeruzalem of op de Gerizim, maar in Geest en in waarheid zal worden aangebeden (Joh. 4:21 ss).
Dat betekent geenszins, dat de goddelijke tegenwoordigheid in het Nieuwe Testament diffuus zou zijn geworden, maar dat zij thans geconcentreerd is in de verschijning en openbaring van Jezus Christus.” „De tegenwoordigheid Gods is naar het Nieuw-Testamentisch getuigenis de tegenwoordigheid van Christus door zijn Woord en Geest. Bijzonderlijk in het avondmaal, maar niet alléén in het avondmaal, zelfs niet allereerst in het avondmaal, doch in de totaliteit zijner openbaring. Het Woord dat vlees geworden is, blijft altijd dat eeuwige Woord en in alle gestalten, waarin van dat eeuwige Woord in de gemeente getuigenis wordt gegeven, is de Heer tegenwoordig.”4 Is voor onze beleving het avondmaal niet vaak een ’gedachtenismaal’ geworden, waarin we het lijden en sterven van Christus gedenken, en niet meer dan dat? Zou het niet een enorm verschil voor onze beleving maken als we ons steeds realiseerden dat Christus zelf als de Gastheer in ons midden is? Direct hiermee verbonden is voor mijn gevoel de aandacht voor de dienst der genezing in de gemeente. De laatste jaren ben ik steeds meer ervan doordrongen geraakt, dat wij hier een belangrijke onderdeel van het evangelie hebben laten liggen. We zullen als gereformeerden naar andere kerken en culturen moeten kijken om daarvan te leren, want zelf hebben we op dat punt bijna niets in huis. In het bidden om genezing (fysieke en innerlijke) ontdek ik steeds meer hoe belangrijk het is dat we ook geloven met ons gevoel en met onze verbeeldingskracht.5 In het gebed kan het enorm helpen als we het ons kunnen voorstellen dat Jezus zegenend aanwezig is, dat Hij het is die de handen oplegt, dat Hij woorden van vergeving en genade spreekt.
Misschien moet je iemand vragen met de ogen van het hart zich Jezus voor te stellen aan het kruis en hoe Hij dan alle zonde of verdriet of pijn, die zo drukken, in zich opneemt, zodat ze met Hem mee kunnen sterven. „Laat ons oog daarbij alleen gericht zijn op Jezus”, Heb. 12:2. Jezus is als Zoon van God niet gebonden aan de tijd. Op zo’n moment vallen er tweeduizend jaar weg: Hij is hier en nu aanwezig en Hij spreekt ons toe, en wij spreken tot Hem. Ik zou hier veel meer over willen zeggen. Maar dat was niet de inzet van dit artikel. Het ging mij erom dat er met de afwijzing of het onder kritiek stellen van ’Jezusvroomheid’ grote beslissingen vallen. Ik geloof dat we als gereformeerden in andere tradities nog een boel kunnen ontdekken dat ons rijker maakt.

Noten
1 Alister McGrath, Christelijke Theologie, Kampen 1997, pag. 294 s.
2 „Een aan de respectieve namen Chrisus en Jezus gekoppeld onderscheid tussen ’Christusfrommigkeit’ (verering van de verheerlijkte Kurios) en ’Jesusfrommigkeit’ (gericht op de figuur van Jezus in zijn aardse leven) is voor de oude Kerk echter niet gerechtvaardigd: tot ver in de christelijke oudheid, m.n.
bij Ambrosius, is ’de Heer Jezus’ in gevoelswaarde volkomen synoniem met de ’Kurios Christus’,” Liturgisch Woordenboek, Roermond, 1962, deel 1, kol. 1136.
3 B. Wentsel, Het Woord, de Zoon en de dienst, Dogmatiek deel 1, Kampen 1981, pag. 309.
4 W.F. Dankbaar, De tegenwoordigheid van Christus in het avondmaal, Nijkerk, 1950, pag. 9 ss.
5 Zie ook het artikel van mijn hand in Opbouw 42/20 over ’Herstel van identiteit en genezend gebed’, naar aanleiding van Leanne Payne, Gods Tegenwoordigheid geneest.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief