De Bijbel in zijn wereld: recht en gerechtigheid (2)

1998-11-13
  • Jaargang 42
  • nummer 23
Dit tweede en laatste deel van prof. Veenhofs artikel over Recht en Gerechtigheid in het oude Israël n.a.v. de nieuwe editie van de ’Groot Nieuws Bijbel’ mondt uit in de vraag in hoeverre verklarende aantekeningen bij een bijbelvertaling noodzakelijk zijn.

Schuldrecht
In de oude wereld was het schuldrecht goed geregeld en hard, soms meedogenloos.
Er moest betaald worden, om de termen van de Heidelbergse Catechismus te gebruiken, door de schuldenaar zelf of door anderen. Gebeurde dit niet dan begon een lijdensweg, die eindigde met slavernij. Nehemia 5 laat ons zien hoe een Israëlitische boer uiteindelijk tot bezitsloze schuldslaaf kon worden. Bij het begin van dit hoofdstuk plaatst de GNB van een wat uitvoeriger aantekening.
Het hoofdstuk tekent de verschillende opties van een Israëliet die onder schulden gebukt gaat, geen eten heeft voor zijn gezin en zijn belastingen niet kan betalen. Die opties zijn – uit Babylonië nog beter bekend, vgl. M. Stol, Een Babyloniër maakt schulden, oratie VU 1983 –: geld of graan lenen, bezittingen (huizen, akkers, wijngaarden) in onderpand geven, en kinderen tot slaaf laten worden. De Hebreeuwse tekst gebruikt verschillende termen en de vertaling luistert nauw. GNB vertaalt in vs. 4 fraai met ’akkers belenen’, en dat laat in het midden of het gaat om een hypothecaire lening op een akker die als productiemiddel in bezit blijft van de eigenaar, óf om het afstaan ervan aan een geldschieter die hem nu exploiteert. Beide vormen kent men in de oudheid en kiezen is moeilijk. In vs. 5 gaat het volgens GNB om ’het als pand afstaan van kinderen’ – d.w.z. ze uitleveren aan de schuldeiser, die ze voor zich laat werken, waarbij hun fictieve loon als afbetaling van rente of kapitaal geldt. Het typische Hebreeuwse vocabulaire voor verpanding en onderpand (in vs. 3 gebruikt) vindt men hier echter niet, wel de term ’degraderen tot slaven’.
Men krijgt daarom de indruk dat hier al een volgend stadium is bereikt, d.w.z. verkoop als schuldslaaf van familieleden, waarvan ook vers 8 spreekt. Vs. 5 vermeldt eerst dat dit nu staat te gebeuren en vervolgens dat het met sommige dochters – het is treurig maar waar dat die in een patriarchale samenleving eerder verkocht worden dan zonen – al een feit is. Het valt wellicht op dat geen sprake is van verkoop van huizen en akkers – dat zouden ouders toch eerder doen dan hun kinderen slaven laten worden! Maar akkers, die al verpand of beleend zijn, kun je niet meer verkopen; meestal worden ze, als de schuldenaar definitief niet kan betalen en zijn pand niet binnen een gestelde termijn kan terugkopen, haast vanzelf eigendom van de schuldeiser, waarbij de onbetaalde schuld als fiktieve koopprijs wordt beschouwd. Zo worden door geldschieters ’akkers aan akkers geregen’.
Aan deze ellende kan alleen een einde gemaakt worden door kwijtschelding van schulden, teruggave van wat is verpand en vrijlating van wie/wat is verkocht, en dat is ook wat Nehemia zijn volksgenoten voorstelt.
Daarmee, zo zouden de oude Babyloniërs het uitdrukken, ’schept/herstelt hij gerechtigheid’ (misjarum), de tweede term uit de titel van mijn verhaal, niet maar een synoniem van ’recht’, maar een eigen begrip. Recht is de basis van de samenleving, zijn de principes waarop wetgeving en rechtspraak berusten. ’Gerechtigheid’ is de toepassing daarvan, waardoor de juiste verhoudingen worden hersteld, waardoor het weer wordt zoals het was en behoort te zijn. Het is anders en meer dan wetten toepassen, door rechterlijke vonnissen schuldigen straffen, en klagers aan hun recht helpen. Bij hun regeringsbegin en om de zoveel jaren, als de sociaaleconomische toestand er aanleiding toe gaf, vaardigden Oudbabylonische koningen een decreet uit dat zij omschreven als ’gerechtigheid herstellen’, of als ’terugkeer naar de oorspronkelijke toestand’ (soms vertaald met ’vrijheid’, maar dat past alleen als het om vrijlating van tot slaven gemaakte burgers gaat). Het hield in concreto in dat particuliere schulden, ontstaan door nood en armoede, werden geannuleerd, dat personen die om schulden waren verpand, in dienstbaarheid waren geraakt of als slaaf verkocht, weer vrij werden, en dat huizen en akkers, om schulden verkocht, weer in bezit kwamen van de oorspronkelijke eigenaars. ’Gerechtigheid’ hield dus in dat rechtsgeldige schuldbekentenissen op koninklijk bevel ongeldig werden verklaard en dat wettige transacties, waarbij personen en bezittingen in andermans handen waren gekomen, nietig De desbetreffende oorkonden werden vernietigd en dat gebeurde, zoals een tekst het zegt, als de koning ’de gouden fakkel omhoog stak’ om gerechtigheid af te kondigen.

Wie de bijbel kent denkt hier uiteraard onmiddelllijk aan het sabbats- en jubeljaar, aan de in Deut. 15 genoemde ’kwijtschelding’ (sjemitta) en de ’vrijlating’ (deror, ontleend aan het Babylonische woord ’vrijheid’, andurarum) van Lev. 25 en Jer. 34. Zo’n instelling was dus ook in het OT bekend en het is deze ’gerechtigheid’ (sedaqa), die men van de koning en van God verwacht. Zoals in de koningspsalm 72: „Laat hij Uw volk besturen naar recht en gerechtigheid, laat hij opkomen voor de verdrukte.
Moge heil op hen neerdalen van de bergen, gerechtigheid van de heuvels, laat hij de onderdrukten recht doen, de armen te hulp komen.” De koning, als opperste rechter, moet uiteraard het recht handhaven, rechtvaardig oordelen en de kwaden straffen. Maar de arme, onderdrukte, in schulden geraakte Israëliet hoopt op iets anders en beters: kwijtschelding, teruggave van bezit en vrijlating. Dat kondigt de profetie van Jer. 23:5v. dan ook aan over de toekomstige koning, nakomeling van David. In de GNB-vertaling: „Hij zal een goed en rechtvaardig koning zijn. Dan zal Juda veilig zijn en Israël in vrede leven.
Hij zal heten ’De Here in onze redding’.” Ik vind ’goed en rechtvaardig’ een wat te vrije weergave van „hij zal recht (misjpat) en gerechtigheid (sedaqa) in het land doen”. Maar de weergave, in de naam van die toekomstige koning, van het Hebreeuwse woord ’gerechtigheid’ (sedeq) door ’redding’ laat wel goed zien waar het om gaat.
Zo spreekt de bijbel ook over ’de gerechtigheid’ van God, vaak een synoniem van verlossing, heil, en redding, waarover psalmen zingen en die de profeten mogen aankondigen. Het is voor de bijbellezer belangrijk dit eigensoortige begrip herkenbaar te houden en dus zou het in de vertaling moeten verschijnen. Het is bij ons trouwens nog gangbaar in de combinatie ’sociale gerechtigheid’, die heel dicht benadert waar het in het Hebreeuws om gaat. Dat is ook nuttig, omdat dit begrip een brug vormt naar het Nieuwe Testament. Het is ’de gerechtigheid van God’, die Paulus contrasteert met de handhaving van de wet en die het wint van het veroordelende vonnis. Die is gepersonifëerd in Jezus Christus, die kwijtschelding en vergeving van schulden betekent. Het is niet toevallig dat Christus bij zijn publieke optreden in de synagoge van Nazareth (Lucas 4:18-19) voorleest uit het begin van Jes. 61: „God, de Heer, heeft mij gezalfd, van zijn geest ben ik vervuld. Dit is mijn opdracht: goed nieuws brengen aan de armen, opbeuren wie alle moed verloren, gevangenen de vrijheid aanzeggen, wie opgesloten zaten loslaten.
Een jaar aankondigen waarin de Heer zijn goedheid gaat tonen.” Het is de proclamatie waarmee de nieuw gezalfde koning zich, volgens een oude tradite, aan zijn volk presenteert als brenger van ’gerechtigheid’, die de armen helpt en amnestie afkondigt. Christus neemt die messiaanse proclamatie over, om zijn stadgenoten duidelijk te maken wie hij is en wat zijn programma inhoudt. Zonder kennis van de oudtestamentische en, durf ik te zeggen, Babylonische notie van deze ’koninklijke gerechtigheid’, kunnnen wij over die geladen woorden, hoe goed ook vertaald, gemakkelijk heenlezen en dat zou jammer zijn. Het is ook niet zonder belang voor de huidige discussie over de verzoening en het bijbelse spreken daarover. Die kun je niet goed verstaan zonder kennis van het oude schuldrecht. In dat licht moet ook het begin van de Heidelbergse Catechismus gelezen worden.
Maar het bovenstaande maakt evenzeer duidelijk dat de daarin opgeroepen tegenstelling tussen Gods ’gerechtigheid’ en ’barmhartigheid’ de zaak vertekent. In Babylonië en Israël was ’barmhartigheid’ (amnestie, kwijtschelding, vergeving van schulden) juist bij uitstek een uiting van ’gerechtigheid’, die men van de koning en van God verwachtte.4 Voor- en tegenstanders van de klassieke ’verzoeningsleer’ kunnen met vrucht bij de oudoosterse rechtsgeschiedenis in de leer gaan. Dat zou de discussie in ieder geval verhelderen.5

Hoe ver gaan aantekeningen?
Het is moeilijk de bijbellezer via een korte aantekening bij dit soort zaken te bepalen. Dat kan beter in een (catechismus) preek, in een bijbelkring, of via het geschreven woord. Twee beleidsbeslissingen spelen daarbij een rol, van de redactie en van de uitgever. Hoeveel ruimte is er beschikbaar voor een aantekening en hoe ver moet je in de toelichting gaan? Het eerste wordt bepaald door een besluit inzake de omvang (alles in één band of meer delen?) en dus de kostprijs van een bijbel met aantekeningen (de GNBvertaling met aantekeningen enz., inclusief de deutero-kanieke boeken, kost ƒ 79,50). Bij het tweede speelt de vraag of je primair moet uitgaan van de (gemiddelde) lezer, door je te beperken tot wat hem vermoedelijk onduidelijk zal zijn en tot antwoorden op vragen die waarschijnlijk bij hem zullen opkomen. Ik zou inderdaad graag zien dat iets van wat hierboven over de betekenis van het begrip ’gerechtigheid’gezegd werd in de aantekeningen (of via een trefwoord in het woordregister) te vinden was. Maar ik besef goed dat grenzen moeilijk te trekken zijn, ook om redenen die niet met de beschikbare ruimte te maken hebben. In de discussie in de begeleidingscommissie heb ik er b.v. voor gepleit in de aantekeningen ook iets te zeggen over de onmogelijk grote aantallen personen in het Oude Testament, b.v. de ruim 600.000 Israelitische mannen (zonder de Levieten) van twintig jaar en ouder die volgens Num. 1:46 uit Egypte trokken.
Dat veronderstelt een volk van minstens twee à drie millioen personen, waarvan de laatste nog bij de Nijl moeten hebben gestaan toen de voorsten Kanaän bereikten. Bij moderne, nadenkende lezers zullen toch vragen rijzen i.v.m. de logistieke problemen van zo’n mensenmassa in de woestijn.
Een oplettende lezer (die niet slechts losse perikopen leest maar wat systematischer te werk gaat) zal bovendien ontdekken dat dit getal niet kan kloppen met het feit dat er in Israël slechts ruim 22.000 eerstgeborenen waren (Num. 3:43). Dat betekent één op de dertig jongens en veronderstelt gezinnen met minstens zestig kinderen (jongens èn meisjes), of zelfs nog meer, want ook een aantal jonge vaders was natuurlijke eerstgeborene. Dat klopt ook niet met het beeld dat de Bijbel van gezinnen geeft. Hoe is dit bovendien te rijmen met het misbaar over de betrekkelijk geringe verliezen bij Ai (Joz. 7:5) en met het Gods opdracht Kanaän vooral geleidelijk te veroveren, omdat anders de wilde dieren de overhand zouden krijgen (Deut. 7:22).
Ik denk dat de lezer recht heeft op een verklaring en ’gebruiksaanwijzing’ voor zulke getallen, omdat dat van belang is voor een reële kijk op de geschiedenis van Gods volk. Er is voldoende aangetoond dat sommige van deze getallen rekenkundig ’onnatuurlijk’ zijn en dat we soms te maken hebben met overdrijving, om wat voor reden dan ook. Recent archeologisch en demografisch onderzoek levert redelijke schattingen voor de grootte van de bevolking van Kanaän in de bijbelse tijd. Die wijzen uit dat we aan veel kleiner aantallen moeten denken en dat het bij de uittocht uit Egypte waarschijnlijk slechts om een paar duizend mensen ging. Maar waar ligt de grens, want zijn veel meer onwaarschijnlijk grote getallen, b.v. van gedode vijanden (2 Kon. 19:35), van offerdieren (22.000 runderen en 120.000 stuks kleinvee in 1 Kon. 8:63), van goud (3600 kilo, 1 Kon. 10:10), tribuut (2 Kon. 3:4), enz.?
Aantekeningen hierover zullen ongetwijfeld vragen oproepen over de historische betrouwbaarheid van Bijbelse verhalen en dat leidt snel tot discussie en polarisatie. Dat is zeker niet de bedoeling van de Bijbel-met-aantekeningen en daarom is terecht gekozen voor grote terughoudendheid in het ventileren van theologische inzichten. Maar we moeten eerlijk erkennen dat dit soms wel gaat ten koste van beter inzicht in de historische realiteit. Die realiteit is voor het verstaan van de boodschap van het Oude Testament fundamenteel en het vermijden van uitspraken daarover, het laten voortbestaan van onjuiste historische beelden is evenzeer een theologische positiekeuze. Wie aantekeningen bij de Bijbel maakt, komt voor moeilijke dilemma's te staan. Keuzes zullen verschillen al naar gelang de persoonlijke geloofsovertuiging, de betekenis die men aan bepaalde feiten hecht, en het doel dat men met de aantekeningen nastreeft. Een voortgaande bezinning op die keuzes is m.i. niet overbodig.

Noten
4 Vandaaruit wordt ook begrijpelijk dat in het Jodendom, het N.T. en de Islam ’gerechtigheid’ gebruikt wordt ter aanduiding van ’aalmoes’.
5 Goede diensten kan daarbij verrichten het belangrijke boek van Moshe Weinfeld, Social Justice in Ancient Israel and in the Ancient Near East (Jerusalem 1995).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief