Kerkelijke eenheid moet beginnen bij de plaatselijke kerken

1998-11-13
  • Jaargang 42
  • nummer 23
Het valt me op bij het lezen van de bijdragen over kerkelijke eenheid, of ze nu komen van ds. J.C. Schaeffer, prof.
Van ’t Spijker, prof. Hendriks of ds. G. van Keulen, dat zij er hartstochtelijk voor pleiten. Niet het minst gebeurt dat door Aad Kamsteeg. Toch merk ik bij hen allen een min of meer sterk gevoel van machteloosheid.
Want jaren zijn de kerken met de eenheid bezig via besprekingen van landelijke deputaten en synodes of landelijke vergaderingen en zijn we wat dichterbij gekomen met de organisatorische eenheid?
Een ietsje, maar telkens zijn er weer hinderpalen.
Daarentegen worden er plaatselijk soms goede resultaten bereikt. Is er plaatselijke kanselruil, gezamenlijke diensten, b.v. in de zomermaanden (Apeldoorn, Christelijk Gereformeerden en Nederlands Gereformeerden, eenheid in Lelystad, Arnhem) en zijn er andere vormen van vergaande samenwerking (Rotterdam-Overschie, Emmeloord, Eindhoven enz.). En die eenheid of samenwerking is niet meer terug te draaien. Want kerkleden van beide kerken herkennen elkaar volledig als broeders en zusters in het geloof.
De grootste moeite schuilt blijkbaar in de organisaties van de kerkverbanden.
Prof.dr. K. Schilder heeft wel geschreven, „dat Christus zijn bloed, ook voor het kerkverband, gegeven heeft”, en ik geloof dat ook, maar of dat kerkverband nu zo strak moet georganiseerd zijn, is de vraag, want die kerkverbanden zitten ons als christenen toch danig in de weg om bij elkaar te komen. We herkennen elkaar als oprechte christenen, die belijden te moeten leven van de genade van onze Here Jezus Christus en we zouden zo wel allemaal aan dezelfde avondmaalstafel willen zitten en dat ook kunnen, omdat het bloed van Christus niet ligt tussen de verschillende kerkgroepen, maar altijd stuit je weer op de borden ’Verboden toegang’.
We gaan gescheiden verder.
Dat is zo met de kleine oecumene (Vrijgemaakte, Christelijke Gereformeerde en Nederlands Gereformeerde Kerken), om maar niet te spreken van samengaan met Hervormde, Gereformeerde (Syn.) en andere kerken. Als je in een dorp of stad leden van die kerken spreekt, kun je zo hartelijk met hen over het geloof in Christus spreken en over het onmisbare werk van de Heilige Geest in ons zondaren, dan herken je de ’oecumene van het hart’, zoals ds. A. v.d. Veer die zo treffend noemde.
Zouden we nu niet in biddend opzien tot God, nu blijkt dat plaatselijk verrassend deuren opengaan, meer en meer of voor het eerst, alvast de eenheid in praktijk gaan brengen naar Joh. 17 „opdat zij allen één zijn” (dat woord staat ook op de grafsteen van prof.dr. K. Schilder) met kanselruil, gemeentevergaderingen, samen avondmaal vieren en zo proeftuinen vormen, waar de eenheid in Christus intens wordt beleefd?
Het wonder van de eenheid groeit en de ’wereld’ ziet, hoe lief ze elkaar hebben en wij een deur voor hen openen naar Christus en het heil en naar de kerk, als gemeenschap der heiligen.
Althans is één struikelblok, namelijk de verregaande verdeeldheid van de Christusbelijders, weggenomen.
Zelf zijn míj verschillende bijzondere contacten op mijn weg gelegd. In de jaren zestig in Heerenveen, waar we als (Vrijgemaakte, later als Nederl. Geref. Kerk) met de Christel. Geref.
Kerk kanselruil hadden, op feestdagen gemeenschappelijke diensten, met de Christel. Geref. ouderlingen bracht ik huisbezoek in hún Kerk, met onze ouderlingen bracht ik ze in ónze Kerk.
Dat ging heel goed. Ik preek nog telkens in een Chr. Geref. Kerk, maar ook deed het geval zich voor, dat ik in een Geref. Kerk voorging en het bleef niet bij die ene keer, ook bediende ik daar het H. Avondmaal. Ik bevestigde een huwelijk in een Herv. Kerk (confessioneel) en preekte toen de dominee met een deel van zijn gemeente naar Israël was, in een Vrij-Evangelische Kerk. Ik dacht dat ik in goed gezelschap was van onze afgescheiden en hervormde vaderen, de Herv. ds. Callenbach preekte wel in een afgescheiden kerk en hij heeft ook een beroep ervan ontvangen, waar hij overigens voor bedankte en verscheidene afgescheiden dominees preekten wel zo nu en dan in een Hervormde Kerk. Ik zeg maar zo, dat werd op hun weg geplaatst. Ze deden dat ontspannen en met een goed geweten. In een situatie, waarin we een verregaande ontkerstening meemaken met een dito kerkverlating, is het zonneklaar, dat we als Christenen, die de enige, ware God belijden en Jezus Christus, Die Hij gezonden heeft (Joh. 17:3), elkaar nodig hebben en dat evangelie in woord en daad doorgeven.
God zij ons allemaal genadig!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief