Zondag in España
1998-11-13
Een jaar geleden ben ik weer naar school gegaan. Om Spaans te leren. En wat ik niet voor mogelijk had gehouden, ik vond het buitengewoon leuk en oefende te pas en te onpas.- Jaargang 42
- nummer 23
„Praat jij in zelf, mam”, vroeg een zoon bezorgd toen ik al prevelend stof afnam.
„Nee, lieverd. Ik leer de verleden tijd van ’zijn’ in het Spaans, verklaarde ik: „fui, fuiste, fue, fuimos...” „Is het hem dat”, zei hij. „Ik dacht al...” De school waar ik op zit, stimuleert het spreken in het land zelf zéér en organiseerde een studiereis naar Salamanca, een stad die voor de helft bestaat uit cultuur, taalacademies en studenten.
Een paar anderen van mijn klas gaven zich op. Wat lette me? Niets. Ik tekende ook in. Niet alleen had ik wel zin in even iets anders, maar het klonk ook zo braaf: studiereis. Op de vraag van de omgeving: „Ga je met vakantie”, antwoordde ik dus: „Bén je. Geen vakantie. Een studiereis! Van ’s morgens 10 tot ’s middags 2 uur les en ik verblijf in een gastgezin, dus daar moet ik ook nog Spaans praten.” In stilte verkneuterde ik me.
Een week of drie geleden vertrokken we op zaterdagmiddag uit Alkmaar en zondag kwamen we aan in Salamanca. Nu houd ik er niet van om op zondag te reizen. Ik zeg heus niet dat het een ramp is, maar het behoort gewoon niet tot mijn levensstijl. In dit geval was het niet anders en ik zat een groot gedeelte van de zondag in de bus. ’s Middags om twee uur stonden we gespannen en wat onwennig te wachten tot we toegewezen werden aan een gastgezin. Ik kwam terecht bij een dame van een jaar of zeventig, die in het centrum en dicht bij de taalacademie woonde. Dat kwam goed uit, want ik verdwaal nog in een eierdop. Zelfs met een plattegrond in mijn hand drentel ik nog de verkeerde kant op. Het centrum? Geweldig!
Ik liep met de vrouw, die Paula heette, mee naar de flat waar ik een week zou verblijven. Haar appartement was negen hoog, luxueus en donker zodat het meteen negen uur in de avond leek. Ik volgde mijn gastvrouw naar een schemerige zitkamer, die werd verlicht door een groot televisiescherm.
Er zat een knorrig uitziende man van een jaar of 45 bij een tafel waar een rood fluwelen kleed over lag. „Juan, mijn zoon”, stelde Paula hem voor. „Hij heeft vakantie!” Juan stond half op, zei: „hola”, ging weer zitten en trok de slippen van het tafelkleed over zijn armen. Paula nam de stoel naast hem en trok ook een punt van het rode kleed tot haar schouders.
Met één hand onder het kleed vandaan gebaarde ze naar de stoel die aan de andere kant van de tafel stond.
„Over die gewoonte heb ik niets gehoord, ze hadden wel eens mogen waarschuwen op school”, dacht ik bevreemd. Het had wel wat knus, al die armen onder dat rode tafelkleed.
Even overwoog ik of ik ook een stuk kleed zou nemen, maar het ging me iets te ver om met wildvreemden ’armpje-onder-tafel’ te spelen. Zelfs al was het een Spaanse gewoonte. Ik ging zitten, vouwde mijn handen in mijn schoot en keuvelde tien minuten achter elkaar door. In het Spaans. Waar ik de woorden vandaan haalde, wist ik ook niet. Opgelucht vertrok ik een uur later naar de academie, waar een taaltest afgenomen zou worden. Ik kreeg sleutels zodat ik er, ook al werd het laat, nog in zou kunnen.
Na de test gingen we met een stel de stad in en het werd nog erg gezellig. In een prima humeur stond ik om een uur of één weer bij mijn gastgezin. Ik was er eigenlijk wel trots op dat ik voor de goede flat terecht was gekomen en ging met de lift naar boven. Negenhoog aangekomen, opende ik de liftdeur en stond tot mijn afgrijzen in een hal waar het aardedonker was. En wáár in vredesnaam... waar was de lichtknop. Alleen de lamp van de lift scheen tot een meter in de hal. Krampachtig hield ik de deur open. Het zou me niet gebeuren dat dat licht ook nog wegging. Tot overmaat van ramp herinnerde ik me opeens ook niet meer welke van de deuren die uitkwamen in die hal, de deur van mijn gastgezin was. En dat in het pikkedonker. De paniek sloeg toe en ik zag mezelf al overnachten in een lift!
Gelukkig zag ik een meter verder een soort kijkgaatje in een deur, waarachter licht brandde. Iemand vroeg luid wat ik moest. In mijn beste Spaans riep ik terug: „Ik weet niet waar het licht zit. Het is hier erg donker! Waar is het licht!” Een evangelist zou er wat mee gekund hebben, maar die mevrouw niet! Zij riep iets terug wat ik niet verstond, zodat ik klam van de narigheid mijn zinnen herhaalde. Rampzalig dacht ik; „Wat doe ik hier ook in een vreemd land...nog wel op zondagavond!...” en ik tastte langs de muren. Ergens moest toch een schakelaar zitten. De vrouw riep weer iets... en ik weer dezelfde zinnen terug, zodat het op een samenspraakje begon te lijken. Na een paar minuten vond ik de knop van het licht en na aan drie deuren gemorreld te hebben, trof ik ook nog de goede deur. Opgelucht stapte ik naar binnen en al weet ik dat ’Heer’ in het Spaans ’Dios’ is... bij mijn avondgebed zat geen woord Spaans. De volgende dag heb ik eens geïnformeerd, of het een Spaanse gewoonte is: met je armen onder het tafelkleed zitten. De leraar keek of hij water zag branden. Dat zal dus wel niet.