God gaat voorbij en trekt verder (1)
1998-11-27
Is het u wel eens opgevallen dat er in de bijbel, wanneer het gaat over verschijningen van de Here God aan ons mensen, zo vaak sprake is van voorbijgaan? Dat God dan niet de gedaante aanneemt van een stilstaande, maar van een voorbij- of verder-trekkende figuur?- Jaargang 42
- nummer 24
Als van iemand, die in beweging is? Ik stuitte daarop, toen ik me voor de prediking bezighield met de Godsverschijning aan Mozes. Ik ben toen later in een leerpreek op dit verschijnsel eens wat nader ingegaan.
Hebben we hierin niet te doen, vroeg ik me af, met een kenmerkende trek in ons christelijk geloof, die we in onze dagen goed kunnen gebruiken omdat ze in staat is ons weerbaar te maken tegen een bepaalde tijdgeest? Ik bied hier die leerpreek in uitgewerkte vorm aan. In dit nummer daarvan het eerste deel.
’Voorbij – neen, niet voorbij’
„De moerbeitoppen ruisten: / God ging voorbij. / Neen, niet voorbij; Hij toefde, / Hij wist wat ik behoefde / en sprak tot mij.” Deze mooie regels komen uit een beroemd gedicht van Nicolaas Beets, de negentiende-eeuwse dichter-dominee die onder de auteursnaam Hildebrand bekend staat als de schrijver van de Camera Obscura. Met de woorden ’God ging voorbij’ en ’Neen, niet voorbij’ bereikt deze dichter dat we over dat woord voorbijgaan, op God toegepast, gaan nadenken. Dat we erbij stilstaan. En dat is precies wat ik me in deze preek voorneem.
Vragen komen aan de orde als: Hé, wat is dat eigenlijk voor een spreekwijze, dat God voorbijgaat? Hoe komt de dichter daaraan? En wat zou dat dan betekenen, dat voorbijgaan van God? ’Ga mij niet voorbij, o Vader!’, zegt een regel van een bekend lied uit de bundel van Johannes de Heer (nr. 132). Waar is deze dichter precies bang
voor? Ik wil het dit maal dus hebben over het voorbijgaan en het niet voorbijgaan van God. ‘
Raadselachtig
Nicolaas Beets haalde dat voorbijgaan uit II Samuël 5 vandaan, uit het verhaal van Davids oorlog tegen de Filistijnen. Op gegeven moment zegt daar de Here God tegen de koning: „En zodra gij een geluid van schreden hoort in de toppen van de balsemstruiken (en de oude vertaling heeft daar: moerbeibomen, vandaar de eerste regel in dat gedicht van zoëven: ’De moerbeitoppen ruisten...’), haast u dan, want de HERE is voor u uit getrokken om het leger der Filistijnen te verslaan” (II Samuël 5:24). Het woord voorbijgaan ontbreekt daar, maar niet de gedachte. Die zit in dat ’voor u uit getrokken’. En dat voorbijgaan nu, dat heeft, als je erover nadenkt, iets opmerkelijks: God die zich aan David openbaart, zich manifesteert in een bepaald geluid en dat dan om zo te zeggen in het voorbijgaan doet. Daar lijkt iets tegenstrijdigs in te zitten. Zich aan iemand openbaren, dat wil toch zeggen: Zich richten tot iemand, en dan die iemand tegelijk passeren, ja, dat heeft zelfs iets raadselachtigs.
De verschijning aan Mozes
Veel sprekender is dat nog het geval in het gedeelte dat we samen uit het boek Exodus hebben gelezen: De openbaring van de Here God aan Mozes. Eén van de intiemste passages uit de Heilige Schrift. Mozes, die zojuist van de Here de woorden mocht horen: „Ook deze zaak, waarover gij gesproken hebt, zal Ik doen, omdat gij genade gevonden hebt in mijn ogen en Ik u bij name ken”; Mozes, die daarmee diep binnengedrongen is in de intimiteit van God, stelt dan de vraag: „Doe mij toch uw heerlijkheid zien”. Laat de laatste scheidingswand tussen U en mij weggenomen worden, zo omschrijf ik. Mozes krijgt op deze vraag een drievoudig antwoord, waaruit je zowel afwijzing als inwilliging van het verzoek kunt opmaken. De afwijzing staat in het tweede antwoord: „Hij zeide: Gij zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven”. De inwilliging, (de gedeeltelijke inwilliging, moeten we zeggen), horen we in het eerste en derde antwoord. Het eerste: „Hij zeide: Ik zal mijn luister aan u doen voorbijgaan en de naam des HEREN voor u uitroepen: Ik zal genadig zijn, wie Ik genadig ben, en Mij ontfermen, over wie Ik Mij ontferm”. En in het derde antwoord wordt dat eerste nader uitgewerkt: Dat de heerlijkheid van de Here voorbij zal gaan, terwijl Mozes in de rotsspleet achter Gods hand verborgen zit en dat Mozes dan vervolgens die heerlijkheid van de voorbijgaande God van achteren mag zien. De passage die ik nu bedoel is die van Exodus 33:18-23.
Iets pijnlijks
Ook in deze passage dus speelt het voorbijgaan van de Here God een belangrijke rol. Onze aandacht wordt vooral gevangen door de vraag: Mocht Mozes nu Gods heerlijkheid zien of mocht hij die niet zien? En het antwoord is: in het voorbijgaan. Maar ook hier toch de vraag: Wat is hier het voorbijgaan van God? Waarheen was Hij dan op weg? Waarom kiest de Here als vorm van verberging die van het passeren? Hij had toch ook stilstaande zijn gestalte kunnen laten vervagen (om maar iets te noemen)? Er zit iets pijnlijks voor Mozes in, juist in dat voorbijgaan. Dat tweede antwoord: Je kúnt Mij niet zien, ja, dat spreekt ons aan door zijn duidelijkheid. Maar met het eerste en derde antwoord, al behelst dat dan ook een gedeeltelijke inwilliging, wordt juist door dat voorbijgaan de intimiteit verstoord. Mozes mag van achteren een blik werpen op een voorbijgaande en dus verdwijnende God. Alsof de Here voor een ontmoeting met Mozes eigenlijk geen tijd of interesse heeft.
De verschijning aan Elia
Hetzelfde zie je bij de verschijning van de Here aan de profeet Elia op de Horeb, ook zo’n intieme bijbelse geschiedenis die veel weg heeft van de verschijning aan Mozes. Ook daar hebben we van gelezen en het gaat me nu om deze woorden uit I Koningen 19:11 en 12: En zie, toen de HERE juist zou voorbijgaan, was er een geweldige en sterke wind...en daarna een aardbeving...en na de aardbeving een vuur, – verschijnselen waarin de Here niet was...en na het vuur het suizen van een zachte stilte waarin de Here wél was. We moeten dat suizen van een zachte stilte uitleggen als het afwezig zijn van welk natuurverschijnsel dan ook. De Here God is geen Ba’al die in storm en vuur zich openbaart, maar Hij staat boven de natuur en openbaart zich in zijn spreken. Maar ook hier weer dat opmerkelijke voorbijgaan van de Here.
„En zie, toen de HERE juist zou voorbijgaan...” Als de koningin op haar verjaardag een streek in ons land bezoekt, dan zijn er de kleinere plaatsen waar ze alleen maar doorheen rijdt, zonder halt te houden. Daar is geen tijd voor. De agenda is voor zo’n dag te gevuld. Moeten we het voorbijgaan van de Here God ook zo verstaan?
En dat nog wel bij twee gelegenheden die zo duidelijk de trekken van intimiteit dragen? Wordt dan, behalve de kleinere plaatsen, ook de hoofdplaats van het bezoek niet gepasseerd? Iets pijnlijks, ja.
Typisch oudtestamentisch?
Toen ik mij op deze dingen bezon, was mijn aanvankelijke gedachte dat dit voorbijgaan typerend was voor de oudtestamentische Godsopenbaring en daarom ook van daaruit verklaard moet worden. De Here God is onder de oude bedeling nog onderweg, overwoog ik. Onzinnig is die gedachte zeker niet. Ik denk nu even aan het visioen dat de profeet Habakuk krijgt. ’God komt van Teman en de Heilige van het gebergte Paran’ (Habakuk 3:3). Met die aardrijkskundige namen wordt teruggegrepen op de oer aanvangen van de heilsgeschiedenis, toen de Here zich op weg begaf. „Voor Hem uit gaat de pest en koortsgloed volgt Hem op de voet”, gaat het dan verder (vers 5). Merkt u, daar zit ook iets van voorbijgaan in, want de profeet ziet blijkbaar de voorhoede en de achterhoede van het leger waarmee God voorttrekt, passeren. „In gramschap doorschrijdt Gij de aarde, in toorn dorst Gij de volken”, heet het even later (vers 12). Het gaat, zo blijkt uit het noemen van aarde en volken, om een wereldgebeuren. Nu, dat zijn zo enkele citaten uit dat duizelingwekkende visioen van Habakuk, aanhalingen die duidelijk maken dat het het wereldwijde en geschiedenislange werk van God is waar Habakuk naar staat te kijken. En dan heet het in vers 13: „Gij trekt uit tot redding van uw volk, tot redding van uw gezalfde”.
Daarheen is dus de Here op weg, weet je dan. Pas bij de Christus en zijn verlossing komt die sterke beweging in God tot rust. Anders gezegd: De oudtestamentische beweging komt in het Nieuwe Testament tot rust. – Nee, dat is zeker geen waardeloze gedachte. Maar afdoende is deze verklaring toch niet.
Het Nieuwe Testament
Want, sla je het Nieuwe Testament op, dan kom je toch weer dezelfde dingen tegen. Wat we bij de Vader gezien hebben, dat voorbijgaan, dat is er ook bij de Zoon. Eerst volgens Marcus: ’Jezus gaande over het meer’.
We hebben ook dit gedeelte uit de Schrift gelezen, met daarin de opmerkelijke zin: „En Hij wilde hen voorbijgaan” (Marcus 6:48). Waarom wilde de Here Jezus hen voorbijgaan? Hij kwam toch over de wilde zee naar hen toe? Zo lezen we het toch? „En toen Hij zag dat zij zich aftobden om vooruit te komen bij het varen – want ze hadden de wind tegen – kwam Hij omstreeks de vierde nachtwake tot hen, gaande over de zee.” Hoort u dat: Hij kwam tot hen, en precies daar achteraan: „...en Hij wilde hen voorbijgaan”.
Is dat raadselachtig of niet? Dezelfde dubbelheid die ons al eerder opviel, treffen we ook hier weer aan: openbaring, aandacht, toekeer, het opzoeken door Jezus van degenen die zijn hulp nodig hebben – en tegelijk het zich aan hen onttrekken en de indruk wekken druk bezig te zijn met andere dingen. Hij wílde hen voorbijgaan, staat er, daar zit opzet achter. De preek gaat erover die opzet op het spoor te komen, weet u nog?
’Abide with me’
We naderen de Schriftplaats die ik als tekst gekozen heb. Hij is afkomstig uit de bekende geschiedenis van de twee Emmaüsgangers. Ook weer een openbaringssituatie, dat namelijk de opgestane Heer zichzelf aan twee van zijn jongeren bekend maakt. Eerst wekt Hij hun verbazing en nieuwsgierigheid door het openen van de Schriften. Wie zou toch die vreemdeling zijn, die zo met macht en gezag vanuit de Schrift weet te spreken? En dan, wanneer het gesprek ten einde is, tekent de evangelist aan: „En zij naderden het dorp waar zij heengingen, en Hij deed alsof Hij verder zou gaan”. Daar is dat voorbijgaan weer en Jezus wekt er de indruk mee, dat Hij een verder weg liggend doel als reisbestemming heeft. Hier is de opzet helemaal duidelijk, omdat Jezus nu zelfs doet alsof Hij verder zal gaan. Hij wil de twee kennelijk op die gedachte brengen. En Hij lokt zo uit, wat er dan volgt: „En zij drongen sterk bij Hem aan en zeiden: Blijf bij ons, want het is tegen de avond en de dag is reeds gedaald. En Hij ging bij hen binnen om bij hen te blijven”. Het prachtige gezang: Abide with me, Blijf bij mij, Heer, (LvdK, Gezang 392) is daaruit ontstaan.
„Ik geloof in het christelijk geloof zoals ik geloof dat de zon is opgegaan, niet alleen omdat ik het zie, maar omdat ik daardoor al het andere zie.” C.S. Lewis, Screwtape proposes a Toast |