Over de identiteit van de pastor

1998-12-11
  • Jaargang 42
  • nummer 25
Regelmatig verschijnen er in de landelijke en kerkelijke pers berichten over de zwaarte van het beroep van predikant. Aan de ene kant doet zich het verschijnsel voor van pastores, die overspannen raken of die, om dat bijtijds te voorkomen, naar een andere werkkring uitzien. Anderzijds is er ook sprake van gemeenten en kerkenraden, die van mening zijn, dat hun predikanten niet aan de verwachtingen voldoen en die hen daarom aanpakken of zelfs aan de kant zetten.

Werkdruk
Het probleem speelt reeds geruime tijd in de Samen-op-Weg-kerken. Tien jaar geleden al dreigde één op de tien hervormde en gereformeerde predikanten zijn ambt neer te leggen. Maar het is beslist geen verschijnsel, dat zich alleen voordoet in de grote kerken. Ook de kleinere kerken hebben ermee te kampen.
In 1993 is er een enquête gehouden onder de predikanten van de Geref. Kerken (vrijg.). Dit onderzoek is verricht door het ’Gereformeerd Instituut voor Diensten en Scholing’ (GIDS) in opdracht van drs. C. v.d. Leest. Deze vrijgemaakte predikant wijdde hier zijn doctoraalscriptie aan, die hij later in boekvorm uitgaf onder de titel ”De stress de baas?”1) Eén van de conclusies uit dit onderzoek is dat 66,3% van de ondervraagden van mening is, dat het werk eigenlijk teveel van hen vraagt. En 13,5% geeft te kennen, dat ze het niet aankunnen. Als men opnieuw een beroep zou mogen kiezen, zou 8% de voorkeur geven aan een ander beroep. En 34,4% speelt wel eens met de gedachte met het predikantschap te stoppen, als ze de gelegenheid zouden krijgen.

Oorzaken
Zonder hierin uitputtend te willen of zelfs maar te kunnen zijn, wil ik enkele oorzaken opsommen van de toegenomen druk op het beroep of ambt van predikant, zoals die door diverse scribenten over dit onderwerp genoemd worden. Ik noem ze in een tamelijk willekeurige volgorde.
– De secularisatie, d.w.z. de vermindering van de invloed en de betekenis van de kerk in de samenleving, gepaard aan een zwaar accent op het een-dimensionale van het leven hier-en-nu. Dat zet grote vraagtekens bij de relevantie van de boodschap van de pastor.
– Het niveau van de opleiding van talloze gemeenteleden, dat in veel opzichten dat van de predikant evenaart of overtreft, waardoor zijn woord niet meer gezag heeft dan dat van een ’gewoon’ gemeentelid. De gemeente is mondiger of gedraagt zich althans mondiger.
– Er heeft zich ook buiten de gemeente een andere verhouding tussen leiders en geleiden ontwikkeld.
Er is een algemeen streven naar inspraak en medezeggenschap. Voor zover de pastor als (geestelijk of organisatorisch) leider wordt gezien, loopt men niet zomaar klakkeloos achter hem aan.
– Vermindering van de waarde van het ambt in de ogen van de goegemeente. Werd vroeger de waarde van de persoon van de predikant bepaald door het ambt, dat hij bekleedde, vandaag moet de persoon van de predikant door zijn persoonlijke kwaliteiten de waarde van het ambt bepalen. Anders gezegd: Vroeger droeg het ambt de persoon, nu draagt de persoon het ambt.
– Pluralisering van de samenleving, maar ook van de kerk. Binnen de gemeente kan er een grote variëteit aan meningen en opvattingen bestaan, die niet altijd even makkelijk op één noemer te brengen zijn.
Zowel het wel als niet kiezen van een bepaalde positie door de predikant kan bij de gemeente(leden) spanningen oproepen.
– Toename van de intensiteit van het herderschap. Voor talloze predikanten is het pastoraat vrijwel uitsluitend crisis-pastoraat. En het is niet gering, wat men aan verwrongen situaties en geschonden mensenlevens ontmoet. Waarbij ook nog eens moet worden vastgesteld, dat de predikant vaak pas in een behoorlijk laat stadium in probleemsituaties erbij wordt geroepen. Dat betekent voor de erbij betrokkenen een immense psychische en geestelijke belasting.
– Toenemende kritiek op de prediking. Meer dan vroeger wordt de predikant geconfronteerd met een uitdijend scala van eisen van steeds kritischer ’categorieën’ gemeenteleden, die elk in de preek op passende wijze willen worden aangesproken. Daarbij komt nog de revolutie in de communicatie door de beeld-cultuur van onze tijd. Een predikant kan het zich nauwelijks permitteren om saai te zijn. Hij moet zondag aan zondag een taai gevecht leveren om de aandacht van zijn gehoor te winnen en te houden.
– Onduidelijkheid m.b.t. het verwachtingspatroon van de kerkenraad en de gemeente (b.v. als het gaat om het stellen van prioriteiten in het werk van de predikant - welke, volgens welke criteria en door wie?; het aantal bezoeken dat hij doet; de hoeveelheid tijd die hij aan de verschillende onderdelen van zijn werk heeft te besteden; de vrije tijd die hij mag claimen; enz.). Vaak is de taakomschrijving van een predikant bijzonder vaag en oningevuld. Wie deze indrukwekkende lijst op zich in laat werken, hoort er niet vreemd van op, dat ooit een hoogleraar tegen zijn student bij de afsluiting van zijn studie opmerkte: ”Gefeliciteerd met het feit, dat u straks in de pastorie het onmogelijke mag doen.”

Identiteit
Eén van de problemen die zich veelvuldig voordoen onder predikanten is de vraag naar hun identiteit. Het is een vraag, die samenhangt met de veranderende positie van de predikant in de samenleving.
Vroeger lag het accent in zijn werk vooral op het leraar-zijn. De predikant was de geestelijke opinionleader. Hij gaf de toon aan in wat de leer van de kerk was. Hij was een ’wachter op Sions muren’, die de bazuin blies bij dreiging van gevaar, hoeder van de moraal, onderwijzer van de jeugd. Maar gaandeweg is het accent steeds meer verschoven naar de hulpverlenende aspecten van zijn beroep. De leraar, verkondiger en catecheet werd hulpverlener, vormingswerker, psychotherapeut.
En dat leidde er juist toe, dat veel pastores zich gingen afvragen, wat nu hun specifieke rol en bijdrage was. Want wat is dan precies het eigene, dat zij hebben toe te voegen aan het scala van mogelijkheden dat in de wereld van therapeutische zorg en hulpverlening aangeboden wordt? Daarnaast kan de pastor zich ook nog afvragen hoe hij zelf, met zijn unieke persoonlijkheid, pastor kan zijn. M.i. kan het helpen om wat zicht te krijgen op de problematiek door te onderscheiden tussen de persoonlijke identiteit en de pastorale identiteit van de pastor.

Persoonlijke identiteit
Wat de persoonlijke identiteit van de pastor betreft, is het belangrijk, dat al tijdens de studie aandacht wordt gegeven aan de groei en de ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid. Training en supervisie kunnen hieraan een belangrijke bijdrage leveren. Daarbij komt het aan op drie dingen:
– De (aanstaande) pastor moet duidelijk inzicht in zichzelf hebben. Hij moet weten wat zijn mogelijkheden en beperkingen zijn, welke gaven en vaardigheden het best of slechtst bij hem ontwikkeld zijn, wat zijn sterke en zwakke kanten zijn, hoe hij functioneert. Dit is uiteraard van belang om vast te stellen waar hij in zijn pastorale functioneren de accenten zal kunnen leggen of wanneer hij bepaalde zaken beter aan anderen kan overlaten.
– Hij moet een voldoende mate van zelfaanvaarding kennen. Maar een dergelijke zelfaanvaarding is ten diepste het gevolg van een zich aanvaard weten door God.
– En daarom is als derde faktor voor het ontwikkelen van een persoonlijke identiteit van belang een doorleefde spiritualiteit. In het bewust beleven van de band met God ligt de kracht van de begenadigde pastor.
En de pastor die zichzelf begenadigd weet, is de beste vertolker van die boodschap der genade voor anderen.

Spiritualiteit
Op dat laatste punt wil ik nog iets dieper ingaan. In diverse publicaties die ik de laatste jaren gelezen heb klinkt de klacht dat spiritualiteit een schromelijk verwaarloosde zaak is in de opleiding van predikanten. Hoe leer je als aanstaande pastor leven in geconcentreerde toewijding aan God en onze Heer Jezus Christus? Wat is de plaats van het gebed in je leven? En welke rol speelt het Woord in het dagelijkse bestaan van hen die dienaar van dat Woord willen heten? Hoeveel aandacht wordt aan deze belangrijke zaken gewijd in de toerusting van a.s. predikanten?
Een collega schreef ergens, hoe hem de uitspraak van een docent van zijn opleiding destijds is bijgebleven, die verklaarde: ”We gaan ervan uit hier, dat dat wel goed zit.” Hij noemde dit de mentaliteit van de opleiding als een ’fabriek’, waar je kennis moet verzamelen, moet leren zelfstandig te denken en te werken, maar waar men zich niet met je persoonlijk geloof bemoeit. Terugdenkend aan de tijd van mijn eigen opleiding, die ik gedeeltelijk in Kampen, gedeeltelijk in Amsterdam (V.U.) genoten heb, kan ik enerzijds zeggen dat ik op college wel degelijk gebouwd ben in mijn geloof, b.v. door mannen als prof. C. Veenhof in Kampen en prof. dr. Joh. Verkuyl in Amsterdam. Dat gebeurde echter onopzettelijk en niet in het kader van bewuste vorming in dit opzicht. Tegelijk constateer ik door lezing van boeken van mensen als Packer, Martyn Lloyd Jones, Eugene Peterson, Bill Hybels e.a.2) dat ik op het gebied van de omgang met God nog veel te leren heb en nog veel te arm ben.
In dit verband denk ik ook aan de geschriften van Henri Nouwen. Nog niet zo lang geleden werd ik geattendeerd op een juweeltje van deze schrijver: ”Een levende heenwijzing. Dienst en gebed in herinnering aan Jezus”. In dit boekje van amper 70 bladzijden worden kostelijke dingen gezegd over de betekenis van het gebed voor de pastor en zijn pastoraat. Ik kan het al mijn collega’s en ook iedere medegelovige van harte aanbevelen.
Wat ik hier vooral uit geleerd heb - en ik moet bekennen dat ik mezelf schaamde dat ik niet eerder tot die ontdekking gekomen was - is dat bidden geen middel is om ons dienstwerk te verrichten, maar dat onze verhouding tot de Vader, waar ons bidden een uitdrukking van is, de kern van ons dienstwerk als pastores behoort te zijn. Bidden is niet een kwestie van onze geestelijke batterij opladen om ons pastorale werk te kunnen doen, maar het is als zodanig pastoraal dienstwerk. Als pastores dienen we onze gemeenteleden juist als we bij God zijn.

Pastorale identiteit
Naast de persoonlijke identiteit van de predikant is er dus ook sprake van de pastorale identiteit. Zoals al eerder is opgemerkt is hier duidelijk sprake van een verschuiving in beleving. Vroeger, met name in het oude protestantisme, beschouwde de pastor zich vooral als verkondiger. Hij noemde zich bij voorkeur de verbi divini minister - de dienaar van het Goddelijke Woord -, die een profetische functie vervulde. Dit komt b.v. treffend uit in de expositie ”Vier eeuwen domineesland” die nog niet zo lang geleden te bezichtigen was in het Catharijneconvent in Utrecht.
Volgens de samenstellers van deze tentoonstelling had de predikant uit de 17e en 18e eeuw geen agenda nodig, want zijn dag-ritme lag voor het grootste deel vast en was bijzonder overzichtelijk.
Het was flink studeren voor de diverse preekbeurten, afgewisseld met vrije studie en van tijd tot tijd een vergadering van de kerkenraad of de classis. De zielszorg vond hoofdzakelijk plaats via de prediking. Het herderen leraarschap waren niet twee verschillende aspecten aan het ene ambt van predikant, maar ze vielen samen3). Pas in de 19e eeuw trad er een verschuiving op in de dagindeling van de voorganger. Toen werd er meer tijd ingeruimd voor catechese en ook was er groter vraag naar persoonlijk pastoraat.
En die ontwikkeling heeft zich in de tweede helft van onze eeuw alleen maar verder doorgezet, met een sterk accent op de pastor als hulpverlener.
Waarbij, zoals ik al signaleerde, steeds meer de vraag opkomt, waarin het eigene van de pastor schuilt in vergelijking met zoveel andere professionele hulpverleners. Wat heeft de pastor toe te voegen aan de specialismen van maatschappelijk werkers en psychotherapeuten?

Pastor of hulpverlener
Het moet voor de pastor duidelijk zijn, dat zijn invalshoek en zijn doelstellingen in het contact met zijn gemeenteleden anders zijn dan die van de hulpverlener. Bepaalde technieken uit de psychotherapie zijn zeker onmisbaar in dat contact. Gesprekstechniek en andere counselingstechnieken kunnen de pastor heel goede diensten bewijzen. Maar het uitgangspunt voor de pastor is en moet blijven, dat hij een gezondene is. Dat maakt de relatie tussen hem en zijn gespreksgenoot fundamenteel anders is. Hij gaat b.v. het gesprek niet dan pas aan als hij er om gevraagd wordt, maar hij onderneemt zelf actie. Hij heeft niet een spreekkamer, waar hij op zijn ’cliënten’ zit te wachten (ook al kan zo’n spreekkamer misschien best functioneel zijn). Maar hij neemt zelf initiatief om zijn schapen op te zoeken. En als in een pastoraal contact de beoogde ’resultaten’ uitblijven, zal een pastor het daarom niet beëindigen. In een relatie tussen een therapeut en zijn cliënt zal de afhankelijkheid van de laatste ten opzichte van de eerste een grote rol spelen. Maar tussen de pastor en zijn gespreksgenoot is die relatie er voornamelijk één van gelijkheid tussen broeders. Wat niet tegenspreekt, dat hierbij de pastor zijn Zender vertegenwoordigt en met gezag kan spreken. In zijn optreden zal de spanning aanwezig zijn tussen het ’tegenover’ èn het ’naast’ de ander staan. Het verschil met de psychotherapeut blijft dat de ’diagnose’ van de pastor cirkelt rond ’het besef van het Heilige, voorzienigheid, geloof, genade of dankbaarheid, berouw, gemeenschap, roepingsbesef’.
In de pastorale relatie blijft centraal de vraag of het geloof iemand werkelijk vrij maakt. Daarmee is ook de doelstelling van de pastor in onderscheid van de psychotherapeut gegeven. Uiteindelijk staat in de hulpverlening de mens in het middelpunt, terwijl in het pastoraat de relatie tot God centraal staat. Dat dat niet ten koste van de mens, maar juist tot zijn heil is, hoeft geen uitgebreid betoog.

Opleiding
Het is terecht dat vanuit onze kerken de roep klinkt dat onze a.s. predikanten meer begeleiding dienen te ontvangen bij de vorming van hun persoonlijke en hun pastorale identiteit.
Het gaat hier beslist niet om bijkomstige zaken. Hoe zal een herder zijn schapen weiden als hij zelf niet weet wat het is om geweid te worden? De pastor moet voor alles zelf schaap zijn en blijven om de kudde die aan hem is toevertrouwd als een goede herder te kunnen leiden. Voor een goede training kunnen we gebruik maken van de diensten van diverse instellingen, die al sinds jaar en dag bestaan. Onlangs nog schreef ds. K. Holwerda van Culemborg in ons blad over zijn positieve ervaringen met de Klinisch Pastorale Vorming.4) En hij is niet de enige predikant van onze kerken die hiervan profiteerde. Ook onze eigen STAGG en het vrijgemaakte GVI kunnen hier van grote betekenis zijn. Als in dit alles maar overeind blijft dat, hoezeer het pastoraat ook gebaat is bij wat te leren valt van de gedragswetenschappen, we dat wel hebben te integreren in ons pastor-zijn. Ik bedoel, dat we daarbij het onderscheid tussen de pastor en de hulpverlener, dat ik hierboven aangaf, in het oog moeten blijven houden. Daarom sluit ik af met een wat uitgebreid citaat uit het al genoemde boekje van Henri Nouwen: ”De laatste decenniën zijn theologiedocenten steeds meer overtuigd geraakt van het grote belang van deze dynamische benadering voor de pastor, en de vele centra voor Klinisch Pastorale Vorming hebben een grote bijdrage in deze richting geleverd. Maar vandaag de dag (...) staan we voor nieuwe vragen.
Heeft de grote nadruk op de complexe psychodynamica van het menselijk gedrag niet een situatie geschapen waarin pastores méér belangstelling begonnen te krijgen voor de ontvanger van de boodschap dan voor de boodschap zelf? Zijn we langzamerhand niet méér doordrenkt van de taal der gedragswetenschappen dan van de taal van de bijbel?
Praten we tegenwoordig niet méér over ménsen dan over God, in wiens naam we tot de mensen gaan? Voelen we ons niet méér verwant aan de psycholoog en psychiater dan aan de priester? Ja, soms klinken deze vragen wat beschuldigend en eigengereid, maar dikwijls stelt men ze ook vanuit het eerlijke verlangen om verder te komen, met volledige waardering voor wat men geleerd heeft.”5) Maar met deze waarschuwing in het achterhoofd valt er m.i. nog heel wat te leren om op een verantwoorde wijze het pastoraat uit te oefenen. En waar kan een pastor beter naar streven dan zo een levende heenwijzing te zijn naar Hem die de Herder is van pastores en schapen.

Noten
1 C. v.d. Leest, De stress de baas? Over weerbaarheid en werkdruk bij predikanten, Barneveld, 1997.
2 Aan te bevelen boeken over dit onderwerp zijn: Bill Hybels, Te druk om niet te bidden, 4e druk, Hoornaar, 1998; Eugene H. Peterson, Dragende delen, Gorinchem, 1993; Benno van den Toren e.a., Het geloofsleven van de theoloog, Zoetermeer, 1995.
3 Iemand die overigens wel degelijk met kracht aandrong op het geven van persoonlijke zielszorg bij de mensen thuis was in Engeland Richard Baxter (1615-1691). Zijn boekje The Reformed Pastor, dat hij in 1656 schreef ten behoeve van een kring van collega’s, is een geschrift dat nog steeds met veel vrucht te lezen is.
Zeker ook vanwege de aandacht voor de spiritualiteit in het geloofsleven van de pastor zelf. Het is uitgegeven door The Banner of Truth Trust te Edinburgh.
4 In nr. 9 van de lopende jaargang.
5 Henri Nouwen, Een levende heenwijzing, Kampen, 1997, blz. 19v.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief