God gaat voorbij en trekt verder (2-slot)
1998-12-11
”Is het u wel eens opgevallen dat er in de bijbel, wanneer het gaat over verschijningen van de Here God aan ons mensen, zo vaak sprake is van voorbijgaan? Dat God dan niet de gedaante aanneemt van een stilstaande, maar van een voorbij- of verder-trekkende figuur? Als van iemand, die in beweging is?” Zo begon het ’intro’ op het eerste deel van onderstaand artikel. In dit nummer het tweede en laatste deel gaat het over de betekenis van Gods voorbijgaan en verdertrekken.- Jaargang 42
- nummer 25
Het verder weg liggende doel
Wel, ik denk dat we op grond van de verschillende plaatsen die we nu met elkaar zijn langsgelopen, wel iets over de betekenis van dat goddelijke voorbijgaan kunnen zeggen. We zullen moeten uitgaan van dat verder weg liggende doel van de Here, dat Hij telkens met zijn voorbijgaan suggereert.
Zoals Jonatan tegen zijn wapendrager zei: de pijlen liggen nog verder weg, zo zegt de Here dat tegen ons. De Here God is op weg naar een doel in de verte. Ik moet hier denken aan de openbaring van de Here God aan Abraham, u weet wel, bij het bezoek van de drie mannen.
Ook dat was een openbaring in het voorbijgaan. ’Mijn heer’, horen we Abraham zeggen, ’indien ik genade gevonden heb in uw ogen, ga dan niet aan uw knecht voorbij’ (Genesis 18 : 3). Het zag er naar uit dat de Here (hier nog niet herkend) verder wilde trekken, maar tegelijk lokte Hij het uit dat Abraham Hem ophield.
Waarheen wilde de Here dan verder trekken? Wel, God is daar in Genesis onderweg om het oordeel over Sodom en Gomorra te voltrekken. Dat vreselijke gebeuren dat een voorafschaduwing was van zijn komst voor het eindgericht over de hele wereld. ’Nog eenmaal zal Hij komen...’, gonst het door je hoofd als je het verhaal van de omkering leest, net als bij de zondvloed. Maar kijk, dan gaat de Here eerst bij Abraham langs om hem de geboorte van Izak, dat wil zeggen de komst van de Verlosser, aan te kondigen. Je mag de gedachte die daarin opgesloten ligt, zo onder woorden brengen: God gaat niet eerder tot het eindoordeel over deze wereld over, dan nadat Hij de weg ter ontkoming aan dat eindgericht in Jezus Christus gelegd heeft.
Het voorbijgaan van de Here God geeft aan dat Hij naar dat dubbele einddoel van gericht en verlossing op weg is. Het einde van Gods wegen is hijzelf Daarbij sluit ook aan wat ik eerder al inbracht als verklaring, dat de Here in het Oude Testament naar het Nieuwe streeft. Voor het Oude Testament is het Nieuwe het verder weg liggende doel. Maar een afdoende verklaring was dat toch niet, liet ik zien. Want is dan het Nieuwe Testament realiteit geworden, dan blijkt het uiteindelijke doel van Gods wegen toch nog weer verder weg te liggen. Geen wonder dan ook, dat we ook in het Nieuwe Testament dat voorbijgaan van God tegenkomen. Ook het Nieuwe Testament immers is het boek van de verwachting en van het vooruitzien. Je kunt wel zeggen dat in vergelijking met het Oude Testament in het Nieuwe Testament de verwachting meer gegronde verwachting is geworden, maar toch hebben wij met de gelovigen van de oude dag dit gemeenschappelijk, dat ook wij vooruit kijken. Waarnaar toe? Wel, naar het uiteindelijke doel waarheen de Here op weg is. En dat is Hijzelf. ’De HERE heeft alles gemaakt voor zijn doel’, zegt het Spreukenboek (16 : 4).
Hijzelf is dat doel. Ons klinkt dat niet sympathiek in de oren. Wij houden niet van mensen die alles doen voor zichzelf. Maar de Here God is geen mens. Hij is de enige die er tegen kan, dat het einddoel van alles Hijzelf is. Zijn heiligheid, ik kan ook zeggen: zijn God-zijn, staat daar borg voor.
Zolang Hij niet alles en in allen is, wordt Hij gedreven door een voorwaartse kracht in Hemzelf, die in heiligheid naar dat punt toe werkt.
’Het geluid van schreden’
Door het telkens voorbijgaan wil God ons daaraan herinneren. Wij hebben het namelijk in ons, onszélf voor te stellen als het doel van alles. Als het einddoel van de geschiedenis, bijvoorbeeld.
De generaties die aan ons voorafgegaan zijn, zij waren de mest op de akker van de geschiedenis, maar wij zijn het eigenlijke gewas waarom het ging en gaat. Niet alleen wij, maar ieder geslacht heeft de neiging het zo te stellen. Zelfs Mozes was er niet vrij van. Als de Here op Mozes’ verzoek helemaal was ingegaan, dan zou het voor Mozes geweest zijn alsof hij het eindpunt van alles bereikt had. Maar dan gaat de Here voorbij, de ogen gericht (om zo te zeggen) op een verder weg liggende horizon. En opmerkelijk, telkens wanneer het tussen God en zijn kinderen op grote intimiteit lijkt uit te lopen en de voorsmaak van de uiteindelijke ontmoeting met onze Schepper onmiskenbaar is, juist dan is er die voorbijgaande en voorttrekkende beweging. ’Houd Mij niet vast’, zegt Jezus tussen zijn opstanding en hemelvaart tegen Maria Magdalena, ’want Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader’ (Johannes 20 : 17). Dat is ook een vorm van dat voorbijgaan.
Steeds in de bijbel, als het over de Here God gaat, is daar dat kenmerkende ’geluid van schreden’.
New Age
Zouden wij hier niet stuiten op een geweldig groot verschil tussen ons christelijke geloof en de gedachtewereld van New Age? In het New Age denken is er geen plaats voor een God die onderweg is naar een verder weg liggend doel. Alles is daar tijdloos en het is alleen maar door te stijgen dat wij God of liever het goddelijke naderkomen. Door te stijgen, dat wil zeggen door de historische werkelijkheid achter ons en vooral onder ons te laten. Geen geploeter, geen gebagger door de tijd, daar moet New Age niets van hebben. Dan hechten zich de dingen van de tijd, het menselijk lijden bijvoorbeeld, maar aan je en je moet juist zorgen dat je daarvan loskomt en dat je daarvoor immuun wordt. In de Schrift daarentegen, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament, ontmoeten wij een andere God; een God, van wie wij met de woorden van de berijmde psalm zingen: ’Want onze God, Hij gaat ons voor, / Hij trekt met ons de diepte door. / Zijn hand zal ons als schapen leiden’ (Psalm 95 : 3).
Wij zijn niet de enigen
Er is nog meer bij op te merken. Denk eens aan wat Jezus op een andere keer tegen zijn discipelen zegt, in het tere en intieme hoofdstuk over de Goede Herder: ’Ik heb nog andere schapen die van deze stal niet zijn. Ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder’ (Johannes 10 : 16). Ook dat wijst in de richting van voorbij en verder gaan. De Here wil ons daarmee tot bescheidenheid brengen. Wij zijn de laatsten niet, zoals ik eerder zei. De wegen eindigen bij God in plaats van bij ons. En behalve dat wij de laatsten niet zijn, zijn wij ook de enigen niet. Dat is bij de opmerking die ik nu maak aan de orde. De Here heeft zijn gemeente wereldwijd. Ook als wij bij de geschiedenis van Mozes blij bedenken, bij het voorbij zien gaan van de Here God: Hij dacht aan óns! Hij dacht aan óns!, dan moeten wij, hoe waar dit ook is, ons tegelijk realiseren, dat de Here ook ons weer voorbijgaat: Hij denkt aan anderen! Hij denkt aan nog anderen! Want zijn werk is wereldwijd en geschiedenislang, hebben we bij het visioen van Habakuk gezien. Wij zijn niet het eindpunt en niet het een en het al van Gods wegen. God en zijn voltooide volk zijn dat.
Tegen de gearriveerdheid
Maar, dan moet ik ook weer het tegen-geluid laten horen, anders geef ik van de Here God een verkeerde indruk. Want hoezeer de Here ook voorbijgaat en ons daarmee een gevoelige les geeft, Hij laat zich toch ook weer gemakkelijk overhalen zijn reis te onderbreken. Bij Abraham zie je dat en evenzo bij die twee van Emmaüs. ’Blijf bij ons, want de avond is nabij en de dag is reeds gedaald’, vragen zij. En aan dat verzoek voldoet de Here ruimhartig: ’En Hij ging binnen om bij hen te blijven.’ Ook als wij het Abide with me zingen, gelovig zingen, mogen we vertrouwen dat de Here bij ons zijn intrek neemt. En Hij neemt daar ruimschoots de tijd voor.
Want bij al dat voorbijgaan en trekken - en dat mag hier niet ongezegd blijven!
- is Hij toch tegelijk Degene die al klaar bij zijn finish staat, zodat naast die beweging er tegelijk sprake is van zitten, rusten en tronen en er behalve dat geluid van schreden ook plaats is voor het suizen van de zachte stilte. Dat krijgen wij niet bij elkaar gedacht, maar bij de Here is het er allebei en wel tegelijkertijd. Zo kan Hij bij zijn haasten naar het einde toch tegelijk rustig bij ons zijn. Maar is Hij dan een poosje bij ons geweest, dan zie je Hem als het ware opstaan met de woorden: Kom, we moeten nog verder. Dan ’komt Hij uit ons gezicht’, dan verdwijnt Hij uit ons midden, zoals bij de Emmaüsgangers. En wijzelf worden dan óók uitgenodigd om verder te gaan. Zo geneest de Here ons van onze zelfvoldaanheid en onze ... gearriveerdheid.
Kijk, daar hebben we het precies: Het voorbijgaan van de Here is een goed medicijn tegen dat hardnekkige gevoel van gearriveerdheid, waar wij zo’n last van hebben.
Toeven
Maar let op, wat voor een milde heelmeester de Here is. Hij zegt tegen Mozes geen bot nee, maar Hij is hem zo veel mogelijk ter wille. Hij gaat voorbij, maar Hij gunt Mozes toch een glimp van Zichzelf. Dat is dat dubbele, waar we telkens op zijn gestuit. Dat dubbele van: ’God gaat voorbij’ en ’Neen, niet voorbij!’ En om zowel aan het één als aan het ander recht te doen, aan zowel het voorbij als aan het niet-voorbij, zie je dan de dichter Nicolaas Beets het woord toeven gebruiken: ’Hij toefde, Hij wist wat ik behoefde en sprak tot mij’.
Toeven, - prachtig woord in dit verband! Het heeft iets van pauzeren, het tijdelijk onderbreken van de reis.
Zoals, opnieuw, bij Abraham, die tegen zijn gasten zegt: ’Laat toch een weinig water gehaald worden, en wast uw voeten en vlijt u neder onder de boom; dan wil ik een bete broods gaan halen, opdat Gij uw hart versterkt; daarna kunt Gij verder trekken’ (Genesis 18 : 4 en 5). Daar gaat de Here op in. Hij toeft dan. Dat is de middagpauze waarin de Here bij Abraham de maaltijd gebruikt en de avondstonde waarop Hij met de Emmaüsgangers het brood breekt. En in het verlengde daarvan mag u het avondmaal in de gemeente ook wel zien: Als een Elim, met zijn zeventig palmbomen en twaalf waterfonteinen, waar de Here met ons een wijle toeft op de lange weg door de woestijn. Avondmaal vieren, zei iemand eens, - en hij wilde daarmee de idee van onderweg zijn en pauzeren beide tot uitdrukking brengen -, dat is picknicken in de berm. Zo is het ook. En zo zorgt de Here voor een evenwicht tussen ’voorbij’ en ’niet-voorbij’.
Iets uitlokkends
Tot slot, met dat voorbijgaan wil de Here bij ons iets uitlokken. Hij hooptmag ik dat zo zeggen? Ik denk het wel! - Hij hoopt erop dat wij Hem bij de slip van zijn mantel zullen vastpakken en zeggen: Blijf bij ons! Of, zoals bij de storm: ’Red ons, want wij vergaan!’ Is dat soms niet een vraag waard? ’Ga mij niet voorbij, o Vader’; God wil gebeden zijn, zegt een bekend lied. Ik denk hierbij ook wel aan de evangelisatie.
Daarbij kan de voorstelling wel eens gewekt worden dat God leurt met zijn liefde. Al het majesteitelijke is op die manier uit zijn genadeaanbod weg. Het beeld van een God die voorbijgaat kan ons dan corrigeren.
De Here God dringt zichzelf niet op. Hij gaat voorbij en schept daarmee de gelegenheid dat wij Hem vragen bij ons binnen te komen. Hij wacht op ons verzoek: Blijf bij ons, Heer! Niet altijd doet Hij het zo, maar deze pijl heeft Hij óók op zijn boog. En wij, wij mogen bij gelegenheid in de evangelisatie ook wel eens uit dat vaatje tappen. Zoals de psalm zegt: ’Heden, zo gij zijn stem hoort...’ (Psalm 95 : 7). Want dat heden - ook dat gaat immers voorbij...