Brieven uit Den Haag

1998-12-11
  • Jaargang 42
  • nummer 25
Waarschijnlijk kennen veel kerkmensen het vervelende gevoel van: ik ben nou wel een christen, maar wat schiet de buitenwereld daar mee op...wat doe ik nou helemaal met mijn geloof?
En dan hoor je bij BBC’s Songs of Praise het lied: When I needed a neighbour, were you there, were you there...
Om huilerig van te worden, want dan weet je opeens zeker dat je niet genoeg doet. Een giro’tje voor de verre naaste helpt wel wàt, maar lijkt een beetje goedkoop, al zou je niet weten wat je in rampgebieden moest doen. In de weg lopen hoogst waarschijnlijk. Het gekke is dat je dan ook meteen denkt: wat doen wij nu als kerk. Tja...laat dàt nu niet eens tegenvallen. Zonder daarbij achterover te leunen overigens.

Ik kreeg, via via, een paar nieuwsbrieven in handen van stichting ’De Hoeksteen’, een interkerkelijke organisatie in Den Haag, die me nieuwsgierig maakten. In de brieven stonden verhalen over en foto’s vàn allochtone kinderen en vrouwen. De kinderen luisterden naar een meisje met een gitaar in haar handen.
Er was een foto van een vrouw met een hoofddoek die achter een naaimachine zat en in gesprek was met een Nederlandse vrouw... De verre naaste was dichtbij komen wonen. De foto’s gaven een beeld van ’de Kerk aan het werk.’ De brieven spraken me aan en een afspraak was vlug gemaakt.

We halen ze op
Met Jeanet, evangeliste in onze gemeente, trok ik op een woensdagmorgen in november naar Rijswijk/Den Haag. Inmiddels was ik wat meer te weten gekomen over ’De Hoeksteen’.
De stichting bestaat uit mensen die zich bezig houden met evangelisatie in de Spoorwijk, één van de achterstandswijken van Den Haag. ’De Hoeksteen’ heeft verschillende activiteiten onder de paraplu. Allereerst de kinderclub waar alles mee is begonnen. (Er liepen hier zo ongelooflijk veel kinderen op straat. Ik dacht: ach... zou Atie Bartelink later op de dag zeggen). Daarna, via de kinderen, kwamen de contacten met de moeders en ontstonden er naai-ochtenden voor moslimvrouwen. Er werd een aparte naai-club georganiseerd voor de wat oudere meisjes in de wijk, er heeft een tijdlang een club gedraaid voor jongens boven de twaalf en er is een vertelclub op dinsdagmiddag.
De vrijwilligers komen uit de Nederlands Gereformeerde kerk (een behoorlijk aantal) de Hervormde kerk, Christelijke Gereformeerde kerk, Pinkstergemeente om er maar eens een paar te noemen.
Een paar namen komen telkens uit de brieven naar voren komen: Atie, Aletta, Bernice...

Tegen half twaalf arriveerden we bij het grote vrijstaande landhuis in het Don Boscolaantje, aan de rand van Rijswijk. Don Bosco (het huis) ligt midden in het groen, vlak bij een kinderboerderij. Het heeft grote, hoge kamers met gebeeldhouwde plafonds en wanden die per kamer een verschillende hoofdkleur hebben.
De club was in de rode kamer. Er stonden overal tafels en stoelen en een paar grote kasten.
’Zo, jullie hebben het voor elkaar,’ zeiden we tegen Atie Bartelink, die ons verwelkomde.
’Niet helemaal. De ruimte is wel ideaal, maar zie jij hier vrouwen en meisjes ’s avonds alleen naar toekomen? Veel te afgelegen en onveilig! Daarom willen we zo graag een huis midden in de wijk, want het is zo jammer, dat we de meeste kinderen, als ze wat ouder worden, kwijtraken.’ Atie pakte een kartonnen doos waarin gesneden wit-broden, een paar potten broodbeleg en flessen chocolademelk stonden.
’Voor de kinderen die straks komen. Als ze alleen een koek krijgen, blijven ze zeuren om snoep of iets lekkers. Dit vult tenminste,’ legde ze uit. ’Hoe krijg je de kinderen hier eigenlijk.
Het huis ligt nu niet direct in de route,’ vroeg Jeanet terwijl ze brood begon te smeren met pindakaas, chocopasta en jam. ’We halen ze op.’ antwoordde Atie.’ Straks komen er nog een paar mensen, want mijn auto is niet zo groot. We rijden met twee of drie auto’s door de wijk.
Af en toe zijn we zo volgeladen dat we bijna door de veren zakken. Bij sommige kinderen bellen we aan en anderen komen uit zichzelf naar de auto toe.
Als jullie meewillen om dat te zien?’ ’Daar komen we voor,’ zei Jeanet en stopte de belegde boterhammen terug
in een zak. ’Kunnen we gelijk wat van die kinderen meenemen.’

”De rattenvanger van Hamelen”
Tegen één uur kwamen Lydia, een medewerkster, en Arjen, haar man om assistentie te verlenen. Lydia bleef in het huis om de kinderen op te vangen.
Arjen stapte weer in en met drie auto’s reden we naar de Spoorwijk.
’Hier wonen er een paar,’ zei Atie en stopte in een straat die er in de zon wel stenerig en kil, maar niet smerig uitzag. ’Best groot, die huizen,’ zei ik. ’Nou, dat valt tegen als je binnen bent.
O wacht, je denkt dat het één huis is, nee, het zijn er twee.’ Ze stapte uit. Een raam op de tweede verdieping ging open. Een donker gekleurd snoetje verscheen. ’Tante Atie...tante Atie, ik kom. Op me wachten hoor!’ Tante Atie zwaaide terug. ’Opschieten dan!’ Het hoofdje verdween. Het leek wel een sein. Van alle kanten kwamen er opeens kinderen aanhollen. ’Tante Atie...Tante Atie!’.
Het meisje dat naar Atie geroepen had, verscheen in de deuropening. In haar hand had ze een jas en ze wurmde haar voet in een laars.
Atie ging er naar toe, praatte even met de moeder en hees ondertussen een ander kind in de jas.
’Tante Atie, daar is oom Ries ook.’ Een klein meisje wees naar een man die even verder stond met een auto waar ook al een stuk of zes kinderen inzaten.
’Alle jongens naar die auto... en hier kunnen nog wel wat meisjes bij!’ wees Atie.

Verder naar een volgende straat. Atie nam verstrooid een stoeprandje zodat we de straat gezellig hobbelend namen en ondertussen vertelde ze: ’Kijk, hier moet ik ook nog even een kind ophalen. Jessy woont bij haar grootouders en die willen soms niet dat ze meegaat. Als we niet zeker weten of ze mogen, vragen we het aan de ouders. Vaak zijn die blij dat hun kroost onder de pannen is.
Vooral met slecht weer. Soms vinden de ouders, meestal de vader het niet goed dat zijn kinderen naar de club gaan. ’Mijn kinderen mogen niet bidden’, zegt hij als we vragen of de kinderen mee mogen. Dan zeg ik altijd: Maar ze hoéven helemaal niet te bidden, Ze moeten alleen stil zijn als wij bidden.’ Atie keek zo onschuldig dat ik in de lach schoot. Ze lachte mee en ging verder: ’We geven ook geen werkjes of andere dingen mee naar huis die té nadrukkelijk christelijk zijn en aanstoot aan moslims kunnen geven. Geen kruis bijvoorbeeld!
Daar zouden we de kinderen mee in verlegenheid brengen! We letten ook goed op de manier waarop we de verhalen vertellen.’ De auto’s stopten op een kruispunt en onwillekeurig moest ik denken aan de rattenvanger van Hamelen. Kinderen kwamen aan huppelen en wrongen zich vrolijk babbelend in een auto. Ze konden er niet allemaal in. ’Straks komen we weer om jullie op te halen,’ beloofde Atie.

De officiële ’Club’
We waren terug bij Don Bosco, waar de eerste kinderen al met een boterham in de hand rondliepen. Op de tafels stonden dozen kleurpotloden, er lag een behangboek waaruit kinderen plaatjes knipten en er stond een bonk boetseerklei. Een groep kinderen speelde fanatiek met flippo’s en iedereen leek zich kostelijk te vermaken. Het was af en toe een herrie van je heisa. Onverstoorbaar liepen Atie, Lydia en ’ome Ries’ door het gekrioel heen. Hier sussend, daar prijzend; Ja, wat een prachtige boot wordt dat. Wie had die schaar het eerst?’ Ik bewonderde ze zeer. Zelf had ik allang de gehaktmolen gepakt en er een paar dwarse jochies door gedouwd, maar Jeanet voelde zich als een vis in het water. Inmiddels was Bernice gearriveerd. Bernice werkt op een basisschool in de Schilderswijk en is doorkneed in het omgaan met kinderen van diverse pluimage.
De kapel, waar normaal de vertelling wordt gedaan, was bezet en de kinderen gingen zitten op de vloer van de aangrenzende kamer. Bernice pakte haar gitaar. De officiële ’Club’ was begonnen’.
Enthousiast zongen de kinderen mee:

King Jesus is all
my all in all
I know He’ll answer
me, when I call...

Het verhaal deze middag ging over Naäman de Syriër... ’en een profeet, ’ zei Bernice. ’Hoe heette hij ook al weer?’ ’Jezus,’ zeiden een paar kinderen onder het motto. ’Dat is altijd goed’.
’Niet Jezus...Nee, Elisa.’ Bernice haalde een meisje naar voren. ’Stel je eens voor, dat je verkocht zou worden...naar een heel ver land. Weg bij je vader en moeder. Helemaal alleen.’ Dat simpele gebaar bracht het verhaal heel dicht bij. Een meisje zette grote ogen op en zoog haar lippen naar binnen: alleen in een ver land. Ze moest er niet aan denken. Dat Naäman verder op in het verhaal een bad moest nemen in de Jordaan, die misschien wel stònk, vonden de kinderen vermakelijk.
Ze telden overluid mee toen Bernice haar neus dichtkneep en als Naäman onder water dook: drie, vier, vijf, zes.
zeven... Helemaal beter! Vlak bij me zat één van de weinige Nederlandse kinderen, een meisje, typisch een beginnende puber. Ze had rollerskates aan haar voeten en draaide, schijnbaar ongeïnteresseerd aan de wieltjes. ’Die hoort niets’, dacht ik. ’Hoeveel geld had Naäman voor Elisa meegenomen?’ vroeg Bernice. ’Niemand die het weet?’ ’Driehonderd!’ riep het meisje met de rollerskates. Hoezo niet geluisterd?
Bernice dankte na het verhaal. Het was verbazend hoeveel kinderen er met hun ogen dicht zaten. Of ze dat mochten van hun vader? In dat geval: stiekem meegebeden!

Niet de enige activiteit van de Hoeksteen
Na afloop, toen éen van de kinderen iets had uitgehaald wat verboden was, zong iedereen vrolijk een lied met een corrigerende werking. Het kwam neer op niet stelen, geen brand stichten en de regels van God opvolgen. Het refrein was dan ook:
Hou je aan de regels, anders maak je brokken,
Hou je aan de regels, en kijk goed uit je doppen,
Hou je aan de regels, anders gaat het fout.
Hou je aan de regels, dat geldt voor jong en oud.

Daarna was het weer tijd om te knutselen. Er liepen een paar mannelijke medewerkers rond die de jongens hielpen met figuurzagen, Atie schonk chocolademelk in voor de kinderen. Bernice en Lydia deelden koekjes uit en ik besefte opeens dat ik, na de nieuwsbrieven, nu de levende brieven las.

De kinderclub is, zoals eerder gezegd, niet de enige activiteit van de Hoeksteen.
Er is een tamboerijnclub, een bijbelleesclub, er was op zaterdagmorgen een jongensclub die tijdelijk is gestopt omdat degene die dat coördineerde naar Australië is vertrokken. Ze zoeken daar nog steeds iemand voor. Dus als u in de buurt van Den Haag woont... misschien ontdekt u bij uzelf een gave?’

En dan een naaigroep voor vrouwen op donderdagmorgen. Deze groep staat onder leiding van Aletta Voskamp. Er komen tussen de 6 en 10 vrouwen. Het aantal is iedere keer weer een verrassing.
De vrouwen komen niet alleen om kleding te maken, het is ook een soort uitje voor ze. Zeker de oudere vrouwen leven vrij geïsoleerd. De winkel, de markt, de wijk, de moskee en dat was het dan. De naaiclub is even een ontsnapping aan hun kleine wereld. Ze wisselen nieuwtjes uit met elkaar en met de Nederlandse vrouwen en zijn zeer geïnteresseerd in het alledaagse leven van Nederlandse vrouwen. Aletta, die Arabisch spreekt, wordt af en toe uitgenodigd bij de vrouwen thuis voor de maaltijd.
Dan komen de schalen op tafel, specialiteiten worden aangeboden en ze maakt soms kennis met de man, wat het contact met de vrouwen vergemakkelijkt. De man heeft in die cultuur het nog in zijn eentje voor het zeggen, dus alle vertrouwen en wederzijds respect dat door zo’n kennismaking ontstaat, is meegenomen. Evangeliseren heeft een lange adem nodig. Het gesprek komt vanuit de moslimvrouwen zelf op het geloof in Jezus Christus.
Aletta en de andere vrijwilligers gaan daar heel behoedzaam mee om en vertellen vooral over eigen ervaringen. Zo krijgen de vrouwen niet het gevoel dat ze niet loyaal zijn aan de eigen cultuur als ze luisteren.
De contacten met de vrouwen zijn inmiddels heel warm, vooral met de wat ouderen die trouw komen. Toen Aletta een paar weken geleden opgenomen werd in het ziekenhuis, kreeg ze bezoekjes van de vrouwen. Met één van hen kwam de man zelfs mee, wat tamelijk uniek is. En vooral hoopvol.
Dit jaar krijgen de vrouwen met Kerst het Lucasevangelie. Een voorzichtig aanbod van de blijde boodschap.

Huis in de Spoorwijk
Eén van de redenen dat ’De Hoeksteen’ zo graag een huis in de Spoorwijk wil hebben, is het contact met de oudere jongens en mannen. Een huis dat midden in een wijk staat en waar je even naar binnen kunt lopen voor een kop koffie of een praatje, heeft een veel lagere drempel dan een huis dat helemaal buiten de wijk ligt. Voor de meisjes en vrouwen geldt hetzelfde. Christenen die je buren, neighbours, worden, daar loop je gemakkelijk naar binnen. When I needed a neighbour, were you there? Die van ’De Hoeksteen’ zullen het niet zeggen, daarvoor vinden ze hun werk te normaal. Maar als buitenstaander geef ik het antwoord. Yes!

Nu pleit ik er natuurlijk niet voor dat iedereen zich op het werken met kinderen moet storten, of leiding moet geven aan een naaiclub. Een beetje gave komt er wel bij, hoezeer het werk voor het Koninkrijk van God je ook aantrekt.
Alleen één ding: Wie geen gave heeft, kan altijd een gift doen. Een pen pakken kan iedereen. En voor een gebed hoef je niet eens een pen te pakken. Daar neem je gewoon je andere hand voor.

Sinterklaas en Kerst... Dé tijd om cadeaus te geven. Wist u dat u sommige cadeaus nog van de belasting mag aftrekken ook? Dat is leuk geven! Voor alle zekerheid geef ik het gironummer van ’De Hoeksteen’.
En mocht u nog een invulling nodig hebben voor een vergadering van uw vrouwen-, jeugd- of gewone bijbelvereniging, dan krijgt u hierbij een tip voor een boeiende avond: nodig iemand uit van ’De Hoeksteen’.
Succes gegarandeerd!

Secretariaat:
mw A. Voskamp-van der Gaag
Leeuwendaallaan 60 2281 GS Rijswijk.
gironummer: 4358279 t.n.v. De Hoeksteen, Delft

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief