'En dan zeg ik tegen mijzelf: stil maar, wacht maar. Het wordt allemaal goed. Eens.'

2000-04-14
  • Jaargang 44
  • nummer 8
‘Ik woonde voordat ik deze zomer naar Houten verhuisde drieënveertig jaar in Zwolle. Aan een plein. Aan de overkant stond een brievenbus en daar wandelde ik vaak over het grasveld naartoe.
Onderweg raapte ik rommel op. Altijd. Ik kòn gewoon niet heen en weer lopen zonder prut op te rapen. Op een dag zag ik een andere vrouw ook troep oprapen. Kijk, dacht ik bij mezelf, zo moeten we het hebben.
Als je consequent het goede zoekt, steek je anderen aan.’ ‘Ik ben een idealistisch type. Mijn verwachtingen zijn altijd hoog. Niet dat ik denk dat wij de aarde kunnen verbeteren. Of dat wij Gods Koninkrijk op aarde kunnen realiseren, zoals een grote groep aanhangers van de bevrijdingstheologie zegt.
Vooral in de jaren zeventig was die gedachte erg populair. Sinaasappels uit Chili enzo. Die illusie heb ik nooit gehad. O nee.
Maar ik ben wel een heel praktijkgericht mens. Ik denk: als we eens samen de schouders daaronder zetten, dan kunnen we een heleboel doen. Maar dan volgt vaak de teleurstelling en valt het leven tegen. Want zoiets vraagt inzet van anderen. Terwijl die anderen bijvoorbeeld eerst de kat uit de boom willen kijken. En dat ligt niet in mijn aard. Dan troost ik mijzelf: stil maar, wacht maar, het wordt allemaal goed. Eens.’ ‘Ik voel bij mijzelf geen spanning tussen deze twee teksten. Er is een balans tussen deze twee bijbelgedeelten en die is er voor mij eigenlijk altijd geweest. Al jong was ik doordrongen van de onvolmaaktheid en gebrokenheid van deze wereld.
Dat heeft te maken met de nare jeugd die ik naar mijn gevoel heb gehad. Ik was eenzaam, had geen zelfvertrouwen en er was niemand met wie ik naar mijn gevoel echt kon praten.
Daarbij kwam de Tweede Wereldoorlog, die voor mij als kind veel spanning meebrachtmijn ouders boden onderdak aan onderduikers.
Mijn kijk op het leven is daardoor nooit echt rooskleurig geweest. Het zegt misschien genoeg dat ik als jong meisje het Requiem van Brahms erg mooi vond. Onder andere vanwege die zin in het vierde gedeelte, uit Hebreeën: Wij hebben hier geen blijvende stad.’ ‘Ik heb deze twee teksten altijd heel mooi gevonden, maar de laatste jaren worden ze nog belangrijker voor me. Ik kan steeds minder tegen de rottigheid en gemeenheid in deze wereld. Lichamelijk voel ik me er heel naar bij en ik weet: ik gá al die troep niet gewoon vinden.
En ik ga me er ook niet bij neerleggen. Dat kan ik, omdat ik weet dat God ons een nieuwe wereld heeft beloofd. Het is pas dáár dat we tot volle ontplooiing komen.
Dáár mogen we kiezen welk werk we echt willen doen, dáár is de samenwerking geweldig, dáár is straks niemand jaloers en zegt niemand dingen waarvan je denkt: hoe kùn je dat nu zeggen?
Onderweg probeer ik hier het goede te zoeken. Zijn Koninkrijk. Onder andere door me sterk te maken voor het kind in de gemeente. Door wantrouwen af te breken. En door prut op te ruimen.’

Drs Maria Vrijmoeth-de Jong studeerde Pedagogie, woont in Houten en is daar lid van de Nederlands Gereformeerde Kerk.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief