Over secularisatie

2000-04-28
  • Jaargang 44
  • nummer 9
In het kader van de ontmoeting met onze Gereformeerd Vrijgemaakte broeders moest ik onlangs wat stellingen over secularisatie op papier zetten.
Zo'n opdracht dwingt je om je gedachten daarover te ordenen. Het resultaat daarvan bied ik, met een enkele aanpassing, de lezers hierbij aan. Het kan wellicht dienstig zijn om een aantal dingen weer eens op een rij te zetten.

1
Voorop: mijn uitgangspunt is een groot vertrouwen dat het uiteindelijk de Here is die Zijn kerk bewaart. Dat hoeven wíj niet te doen, dat doet Híj.
Dat maakt onze taak en onze verantwoordelijkheid overigens niet minder, maar het voorkomt wel dat we in paniek raken. Het geeft ook de ruimte om misschien wel eens wat te proberen waarvan je achteraf moet zeggen: Dat had beter niet gekund. Dat is dan wel vervelend, maar het is nog geen ramp.
Ontspannenheid dus.

2
Omgaan met secularisatie begint met zo nauwkeurig mogelijk waarnemen wat de werkelijkheid is waarin we leven. Het heeft geen zin de werkelijkheid aan te (willen) passen aan onze theorie, wij zullen als dat nodig is bereid moeten zijn het omgekeerde te doen: onze theorie aanpassen aan de werkelijkheid.
Onze eerste taak is: de feiten helder krijgen. En in eerste instantie moeten we ons daartoe ook beperken, en onszelf weerhouden van het geven van een oordeel over die feiten. Feiten zijn nu eenmaal feiten; die trekken zich niets aan van onze morele beoordeling, onze goed- of afkeuring.
Met meningen kun je het oneens zijn, met feiten niet. Dat vraagt van ons dat we onze tijd zo diep mogelijk proberen te peilen.
Een aantal recente publicaties kan ons daarbij behulpzaam zijn. Ik noem nu met name: C.J. Haak, Kerk in de 21e eeuw (helaas met veel zetfouten), Bernard Rootmensen, Waar het op aankomt, en ook de artikelen van ds Van der Dussen in de laatste nummers van Opbouw.

3
Eén van de meest wezenlijke oorzaken van de secularisatie is het wegvallen van een aantal vooronderstellingen die vroeger zonder discussie door iedereen werden gedeeld.
Te denken valt vooral aan het bestaan van God, van een leven na dit leven, en de overtuiging dat een mens méér is dan alleen materie. Over een heleboel dingen werd vroeger uitgebreid gediscussieerd; met name de vraag hoe je door het oordeel van God heen kon komen en de hemel binnengaan is gedurende lange tijd een zeer fel omstreden thema geweest. Maar over de voor-onderstellingen zélf werd niet gesproken. Dat was niet nodig, want daar was iedereen het over eens.
Dat nu is in onze tijd veranderd.
En op het moment waarop de vooronderstellingen zelf in het geding zijn en niet meer zonder discussie door ieder worden aanvaard, wordt het gesprek dat nog uitgaat van de algemene geldigheid van de vooronderstellingen zinloos.
De vaker gemaakte vergelijking met het dragen van klederdracht kan hier verhelderen. Zolang in een samenleving consensus bestaat over het nut daarvan (in welke zin dan ook), is er genoeg reden voor jongere mensen om ook zelf die klederdracht aan te trekken.
Als echter dat nut niet meer duidelijk is, wordt het heel moeilijk om jongeren zover te krijgen dat toch te doen. Veel jongeren zullen dan wellicht betreuren dat er al minder klederdracht te zien valt, maar ze zullen dat niet vertalen in een verandering van hun eigen gedrag op dit punt.

4
De secularisatie dwingt ons tot een sterke bezinning en concentratie op datgene wat werkelijk behoort tot het wezen van het leven met de Here. Het dwingt ons evenzeer tot aanpassingen in datgene wat níét tot die kern behoort.
Eén van de dingen die daarin van belang zijn is dat we áf moeten van elke vorm van kerktaal, die verschilt van de gewone taal die mensen gebruiken. Alles wat afstand schept tussen de zondag en de rest van de week is uit de Boze.
In geding is hier ook de argumentatie die wij hanteren om mensen te overtuigen, en het geloofletterlijk - 'aannemelijk' te maken. Wij moeten er zeer huiverig voor zijn om binnen de kerk mensen te voorzien van (schijnbaar) rationele argumenten waar ze buiten de kerk niet mee aan kunnen komen. Ik doel nu niet op de basishouding van geloof of ongeloof, maar op de wijze van argumenteren.
(De dominee schreef bij een bepaalde passage in zijn preek in de kantlijn: "Met stemverheffing; redenering niet overtuigend" - met dank aan ds W. Smouter).

5
Wij zijn (vrijwel) allemaal geseculariseerd. Slechts de mate waarin we dat zijn verschilt. Maar er is (vrijwel) niemand meer die in onweer nog rechtstreeks de stem van de Here hoort (Psalm 29) of in een aardbeving Zijn blik of Zijn vinger ziet (Psalm 104:32). Ook de verbinding van God met bijvoorbeeld de ontwikkeling van de beurskoersen op Wall Street is voor moderne mensen (vrijwel) niet meer te leggen. Let wel: ik heb het nu niet over buitenkerkelijken, maar over ménsen, binnen en buiten de kerk.

6
De kerk is de macht kwijt.
Niet alleen de macht in en over de wereld (dat was al veel langer zo), maar ook die over de gewetens van de mensen. Díé macht van de kerk wás altijd gebaseerd op de bemiddeling van het eeuwig heil.
Daarvoor hebben mensen nu de kerk niet meer nodig. Voorzover eeuwig heil en (eeuwige) straf nog realiteit voor ze zijn, is dat iets tussen God en hen; dat kunnen ze wel af zónder de kerk. (Meer daarover in stelling 10) Dat betekent concreet dat machtswoorden het probleem niet oplossen; de 'mondige' mens van vandaag wil zelf (kunnen en mogen) beoordelen wat goed is. De mening (de leer) van de kerk speelt daarin wel een rol, maar die is niet van doorslaggevende aard. Daarmee wordt de gestalte van de kerk in onze tijd steeds meer die van dienst in plaats van macht. Dat is op zichzelf niet verkeerd; zie de gestalte van onze Heer en Meester zelf.
Maar het vraagt wel een andere houding van de kerk in de wereld van vandaag.

7
Daarnaast is de macht van de kerk óók verdwenen door de kerkelijke verdeeldheid.
De consument van religieuze diensten gaat naar de concurrent, als het aanbod hem of haar niet aanstaat. Wat mensen aan een bepaalde kerk bindt wordt in onze tijd meer en meer het sociale, in plaats van het religieuze; meer het léven in de gemeente, dan de léér van de kerk. En nu heeft stellig het sociale z'n eigen, legitieme plaats, als hulplijn namelijk voor het religieuze, maar het risico dat in deze ontwikkeling meekomt, is dat de kerk uiteindelijk alleen nog religieus service-instituut is.
Vergelijk het maar met het tankgedrag van mensen: de één (met wat meer merktrouw) tankt bij Shell, de ander (alleen lettend op de centjes) bij een Witte pomp.
Meer dan ooit vraagt deze tijd om samenwerking, wederzijdse ruimhartige erkenning, en eenheid van Gods kinderen.
De kerkelijke gescheidenheid is een aanstoot die van een volstrekt ander kaliber is dan die uit I Korintiërs 1:23.

8
De kerken zijn in doorsnee veel te veel bezig met zelfbehoud in plaats van met het proclameren van het Koninkrijk van God. Als volgende week zondag dezelfde mensen maar weer in de kerk zitten die er deze week ook zaten, dan zijn wij al dik tevreden.
De remedie hiervoor is niet dat we 'meer aan evangelisatie doen' (alleen de uitdrukking al...), maar dat we het Evangelie zelf zullen leven; dat we in de wereld staan (en niet alleen in de kerk zitten) in geloof, hoop en liefde.
Bonhoeffer is hier een inspirator.
Hoe hoger de muur die we om de kerk heen bouwen (om vooral binnen te houden wie binnen zijn), des te meer werken we eraan mee dat de kerk onbelangrijk wordt voor de wereld; en des te meer wakkeren we (stellig onbedoeld) de secularisatie aan. Ik sluit me aan bij Haak (zie bij stelling 2): "Ik verlang naar een radicale bewerking en de verandering van het traditioneel kerkbegrip tot een nieuwtestamentische kerkvisie. Niet de gesloten poorten van een kasteel, maar van die flapperende tentdoeken: je kunt er inen uitlopen. Zeker, wie er niet wil zijn loopt er zo uit. Maar wie in deze 'tent' Christus vond zal er uitlopen om anderen naar binnen te lokken" (blz 67).

9
In het voetspoor van het wegvallen van de door ieder gedeelde vooronderstellingen (zie stelling 3), is ook onze wijze van argumentatie vanuit de bijbel veranderd. Vroeger gold iets als Schriftuurlijk, wanneer het met een haast wiskundige logica kon worden bewezen. Die wijze van Schriftberoep zal ook altijd wel z'n rechtmatige plaats houden, maar het monopolie is zij kwijt. De bijbel is immers niet meer allereerst het Koninklijk Bevel dat, in z'n betekenis nauwkeurig vastgelegd, van de hoorder gehoorzaamheid vraagt, maar de Goddelijke liefdesverklaring die vertrouwen vraagt en wederliefde zoekt. In het verlengde daarvan: Wat wij nodig hebben is een minimum aan regels, gericht op een maximum aan relatie.
Zoveel mogelijk inhoud, en zo weinig mogelijk vorm. Een teveel aan vorm (van welke aard dan ook) leidt tot formalisme, en formalisme werkt automatisch een dubbele moraal in de hand: in het ene compartiment van het leven houdt men zich aan de regels, in het andere leeft men het echte leven.

10
Het karakter van de kerkdienst is ook veranderd.
Vroeger kon je, met verwijzing naar Zondag 31 van de H.C., kortweg zeggen dat de kerk(dienst) de plaats was waar door de verkondiging van het heilig Evangelie het Koninkrijk der hemelen voor de gelovigen werd geopend en voor de ongelovigen gesloten. En zonder nu te zeggen dat het vandaag onmogelijk is dat een kerkdienst op zo'n manier functioneert, moet toch vastgesteld worden dat het op dit punt exclusieve karakter van de kerkdienst (dáár gebeurt het, en ook alléén daar) vandaag niet meer herkend en beaamd wordt. Integendeel: veel christenen getuigen ervan dat juist op andere plaatsen dan in een kerkdienst het Rijk van God voor hen openging. De kerkdienst en het bijwonen ervan is daarom in de beleving van veel gelovigen niet meer noodzakelijk om te delen in het heil van God.
Dat betekent dat we ons als kerk(en) hebben te bezinnen op de vraag waarom we eigenlijk (zoveel) kerkdiensten houden en waarom we mensen oproepen om die diensten te bezoeken; welke argumenten hebben we daarvoor? Hébben we daar eigenlijk nog argumenten voor?

11
Een prediking gebaseerd op angst (gangbaar in 'ultra-Gereformeerde' kring) levert slechts een beperkt resultaat op.
Tegenover de baten van volle kerken staan de kosten van de geestelijke boedelscheiding tussen kerk en wereld, en van de interne emigratie.
Een prediking waarin als kern van het geloof de gehoorzaamheid wordt aangewezen (vroeger gangbaar in Gereformeerde kring) weet gedurende een bepaalde tijd beslag te leggen op de gewetens; maar na verloop van tijd komt altijd weer de vraag op naar het fundament onder die gehoorzaamheid. En zonder duidelijk antwoord op die vraag loopt de gehoorzaamheid langzaam leeg. Ook in ons tijdsgewricht zullen we er alle nadruk op moeten leggen dat geloven in de allereerste plaats vertrouwen is. En daarmee vinden we onszelf dan tot onze verwondering schouder aan schouder met de vaderen uit de 16e eeuw: H.C. Zondag 7, antwoord 21!

12
Als het Evangelie van de Here Jezus niet in staat is om de harten van mensen te bereiken en te veranderen, valt van een uitwijken naar het prediken van de wet (of dat nu een dogmatische of een ethische wet is) niets goeds te verwachten. Het "Gij geheel anders" is in de bijbel níét verbonden met een bepaalde presentatie in de wereld, een image waar je als kerk aan werkt, maar zeer rechtstreeks met de kern van het Evangelie: "Gij hebt Christus leren kennen" (Efeziërs 4:20). Als onze levensstijl niet dááruit voortkomt, dan zal die nérgens uit voortkomen; dan leven christenen als onveranderde mensen (I Korintiërs 3:3-4).

13
Wij zullen veel oor en oog moeten hebben voor jongeren.
Zij zijn, in bijbelse zin gesproken, de 'zwakken' in de gemeente (hoe stoer en sterk ze soms ook overkomen). Van de sterken (en daar horen ook ouderen bij die moeite hebben met veranderingen en die zich soms beroepen op hun vermeend zwak-zijn) mag gevraagd worden terwille van de zwakken heel wat te willen investeren.
Ik denk daarbij nadrukkelijk níét aan cosmetica zoals het zingen van Opwekkingsliederen in de dienst. Niet omdat ik daartegen ben (we doen het met een vrij grote regelmaat in onze gemeente), maar omdat het als oplossing voor het probleem op geen stukken na diep genoeg graaft. Laten we ons ook hoeden voor de suggestie als zou omgaan met c.q. bestrijden van secularisatie een kwestie zijn op het niveau van de juiste verkooptechniek: "Als je 't nou maar zó doet, dán heb je er geen last van".
Nee, zoiets bestaat niet.
Zoals, in meer algemene zin gesproken, dé oplossing (voor iedereen en overal) ook niet bestaat.
Wij gaan - 't is wat afgezaagd, maar te waar om hier niet te vermeldenop dit punt onze weg tussen verstarring en verwarring.
En het zou een illusie zijn te menen dat die weg een keurig rechte lijn is, nee, wij zwabberen nogal eens wat heen en weer tussen beide. Dat is geen reden om dan maar niks te doen, wel een reden om nuchter en laconiek te zijn. Wij gaan onze weg in vertrouwen op God die Zijn kerk bewaart (zie stelling 1), en in dat geloof is er dan ook ruimte voor een - niet slonzig, maar wel afhankelijk - "God zegene de greep".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief