Gedachten over prediking en uitverkiezing
2010-01-08
‘Ik bewaar kostbare herinneringen aan de catechisaties voor rand- en buitenkerkelijken, waar wij elke woensdagavond met een klein groepje geïnteresseerden van allerlei herkomst een groot stuk uit het evangelie naar Matteüs lazen en bespraken, om niet te zeggen uitplozen. Zittend bij het huiselijke haardvuur werden al pratend de aanzetten of ideeën voor een preek geboren.’- Jaargang 54
- nummer 1
Het is een citaat van Marc de Klijn (p.178) uit de feestbundel voor ds. H. de Jong ter gelegenheid van zijn vijftigjarig ambtsjubileum. Deze paar woorden vanuit de setting van de catechese zeggen volgens mij veel over het predikantschap van De Jong. Mensen bij de Bijbel brengen en daarbij laveren langs de randen van de gemeente en van de Schrift. Daar ging het hem om, niet alleen op de woensdagavond, maar ook op de zondagmorgen en –middag.
Kuitspieren
Mensen bij de Bijbel brengen, schreef ik expres. Bij De Jong gaat niet de Bijbel een treetje lager, maar moeten de hoorders een treetje hoger. Hij wil ze vertrouwd maken met de taalwereld van de Bijbel. De kuitspieren trainen, noemt hij dat. Kinderen van vijf worden moeiteloos ingewijd in de wereld van de computer met termen als downloaden en updaten. Mag je dan in de kerk niet rekenen op een evenredige portie aandacht? De Jong gaat zo ver dat hij ‘werkelijk het uiterste van de gemeente’ vergt (Kor Muller, p.38).
Maar de vraag is dan wel hoever je met zulke prediking komt in een tijd waarin je een verschuiving ziet van intellectuele naar emotionele bevrediging. Want de omgekeerde beweging wint veld, waarbij het er om gaat de Bijbel bij de mensen te brengen, en wel in een toegankelijke Bijbelvertaling en een populaire aanpak in laagdrempelige kerkdiensten.
Medicijn tegen de crisis?
In de feestbundel wordt zelfs de confronterende vraag gesteld of onze gemeenten beter geworden zijn van deze doorwrochte prediking, zoals die van ds. De Jong. ‘Waaruit blijkt dat dan? Grotere geestelijke gezondheid? Meer enthousiasme voor God? Groei in aantal?’ (Dick Westerkamp, p.200). Kun je een gemeente dan niet beter laten ‘streven naar tongentaal en profetie’ (p.202)?
Dat laatste is dan wel meteen het andere uiterste en het lijkt wel of De Jong dat voorzien had. Al in 1985 noemt hij tongentaal in één adem met een te intellectuele benadering. Voor zichzelf wil hij streng zijn, maar ook voor datgene wat als alternatief opdoemt. Je dekt met geen van beide de crisis van de kerk af, zegt hij, en ik vind dat een profetische opmerking. Mocht De Jongs hoge preekcultuur afgedaan hebben, dan is het maar zeer de vraag of het charismatische onze kerken wél dichter bij een diepgeworteld en enthousiast geloof zal brengen.
Boerenkool
Ik betrapte mezelf op een vorm van heimwee naar de diepgang die De Jong met zijn gemeente zocht. Seriepreken van het gehalte boerenkool met worst. Voor wie was dat nou ongezond? Waarom kan dat niet meer? Gods wet overpeinzen, doorkneed raken in de Schriften, is dat niet meer nodig? Onderzoeken of de dingen zo zijn?
En ergens maakt het me kwaad als ik in onze tijd minder honger bespeur. Als jongelui van het VWO klagen dat de Bijbel zo moeilijk is, terwijl hun minder geschoolde leeftijdgenoten uit Azië ervan smullen! Ik organiseer Bijbelleesavonden voor jonge mensen. Ze komen eigenlijk graag, want het is best heel interessant en relevant, ontdekken ze. Maar net zo gemakkelijk zeggen ze ook weer af. Die verzadiging onder ons, daar word je soms moedeloos van. Hoe laag en plat moet je dan de Bijbel bij mensen brengen?
Karl Barth
Dan nog iets anders. Het is opvallend dat De Jong zich met precies dezelfde thema’s en in hetzelfde spanningsveld (tussen vrijzinnig en orthodox) bezighield als de grootste theoloog van de twintigste eeuw: Karl Barth. Verwantschap is er in de benadering van de Schrift. De Jong vindt het oude gereformeerde standpunt (wij hébben Gods Woord hier in de Schrift) te ‘hebberig’. Dat is exact Barth. Ook de laconieke lezing van Genesis 1-11 is één op één Karl Barth. Maar verder denk ik aan de V’s van Verzoening, Verbond en Verkiezing, waar het in de feestbundel veelvuldig over gaat. Wat heeft De Jong ervan weerhouden om ook met betrekking tot Verkiezing en Verzoening niet net zover te gaan als de Zwitserse theoloog?
Royaal
Over verkiezing schrijft Henk de Jong gelukkig veel minder statisch dan onze traditie. Maar toch zou ik hem willen vragen of hij misschien niet nóg wat verder zou kunnen gaan dan hij ging. Ik begrijp wel dat De Jong niet bij de alverzoening wil uitkomen. Maar is onze God niet royaler dan de royaalste gereformeerde uitverkiezingsleer? Net als bij Barth is het ‘in Christus’ (Ef.1:4) De Jongs uitgangspunt. Ook de Dordtse Leerregels werken ‘volledig vanuit Christus’ (Erik de Boer, 151), maar zij begaan de enormiteit door direct daarop te spreken van een vast en groot aantal mensen. Veel schriftuurlijker lijkt mij dan wat De Jong zegt over persoonlijke predestinatie van eeuwigheid af: daarvan is alleen sprake bij Christus.
Teveel voorwaarde
Toch is het ook de vraag of we niet een stapje terug moeten met de V van Voorwaardelijk. Waarom is de verkiezende liefde van de Here God tot Israël gebonden aan de voorwaarde van het geloof, terwijl zijn ultieme liefde toch juist blijkt uit het ‘niet om uwentwil’ uit Ezechiel 36 en de dan telkens herhaalde belofte ‘Ik zal, Ik zal’! Krijgen de onmogelijkheden van Israël in de benadering van De Jong uiteindelijk toch niet meer nadruk dan de mogelijkheden van God? Dat de genade zal triomferen - is dat in de gereformeerde traditie niet een beetje ondergesneeuwd door het veelvuldig hameren op de voorwaarde van geloof en bekering? (Jan Veenhof, 136). En als het gaat over de basis van Gods verbond: is dat behalve verzoening niet ook de trouw van God, ‘die niet terugneemt wat Hij beloofd heeft’? (Michaël Mulder, 176)
Oppervlakkig pessimisme?
Lezend in de feestbundel stuit ik ook op de gedachte dat Sion toch wel meer is dan de plaats van de verzoening; ook die van het koningschap en het heil dat ‘de wereld in moet’ (Jaap Dekker, 114) en dan zou ik vragen wat we moeten met de universele en bijna universalistisch royale profetieën van Jesaja (2, 12, 24-27, 53-55). Je kunt waarschuwen voor ‘oppervlakkig optimisme’, maar is er ook geen reden om bang te zijn voor oppervlakkig pessimisme – dat wil zeggen létterlijk oppervlakkig, zonder het Bijbelse reliëf te verwerken? Jezus spreekt harde woorden, maar wat doen wij met zijn nuances als ‘draaglijker oordeel’ (Mt. 11) of ‘weinig slagen’ (Luc.12) en wat met de ontroerende woorden ‘niet altoos blijft H ij twisten’ (Ps. 103)? En krijgt de daad van Adam bij De Jong niet alsnog meer impact voor het mensdom dan de daad van Christus (Rom.5)? Dat zou toch onuitstaanbaar zijn! ‘Heerlijk open’ ligt het volgens ds. De Jong in dit hoofdstuk, maar waar gaat het dan toch weer dicht…?
Als ik nog eens op catechese zou zitten bij Henk de Jong – op zo’n woensdagavond - dan zou ik zulke vragen stellen. En dan zou ik me dolgraag weer laten optillen naar een volgende prikkelende preek op de zondag.
Fred Blokhuis is predikant van de NGK van Schiedam.