De velden zijn wit om te oogsten (1)
2000-05-12
In het vorige nummer van Opbouw publiceerde ik een aantal stellingen over secularisatie.- Jaargang 44
- nummer 10
En het is ook beslist nodig om ons daar grondig mee bezig te houden.
Tegelijk: laten we als kerken niet vervallen tot die trieste tobberigheid, die zich vooral uit in het veelvuldig gebruik van het woordje 'nog': ‘Komen er bij jullie nog mensen in de kerk?’ ‘Kunnen jullie nog ouderlingen krijgen?’ Tegenover dit 'nog' van het ongeloof, staat het 'en toch' van het geloof. Wij hebben, ook vandaag, een machtige Heer. In dit en in het volgende nummer wil ik iets vertellen over de ervaringen die wij hebben opgedaan met asielzoekers.
Werkelijk: de velden zijn wit om te oogsten!
Hoe het begon
Nu ruim twee jaar geleden kwam een jonge Irakese vrouw hier in Emmeloord tot geloof.
Vorig jaar op de Opbouwdag in Utrecht heeft ze daarover verteld (een verslag van die dag heeft later in Opbouw gestaan). Zij is overduidelijk door de Here zelf geroepen om in Hem te gaan geloven. Zij heeft het Woord van God ingedronken, dagen-, nachtenlang; en haar zeer dringende vraag was: Mag ik gedoopt worden? Een vraag die zij niet pas na een aantal weken of maanden stelde, maar onmiddellijk nadat ze tot geloof was gekomen.
Aanvankelijk alleen nog maar voor zichzelf, maar een paar dagen later (zonder dat iemand daar met haar over gesproken had, alleen op grond van het lezen van de bijbel) ook voor haar beide kinderen.
‘Mogen wij zo snel mogelijk gedoopt worden?’ Als kerkenraad hebben we daarover gesproken, en we hebben het samen zo ervaren dat wij, waar de Here zó duidelijk aan het werk was, Hem alleen maar op die weg konden volgen. En zo is deze vrouw, met haar kinderen, een paar weken later gedoopt.
Hoe het verder ging
Na een aantal maanden kwam bij haar het verlangen op om ook anderen te laten delen in het geluk dat zij had ontvangen; en dan met name mensen die afkomstig zijn uit dezelfde cultuur als die van haar. Nu is er hier in de buurt een vrij groot OpvangCentrum voor asielzoekers, een OC. Even voor de duidelijkheid: na de eerste opvang (bijvoorbeeld in een grenshospitium) komen asielzoekers voor een periode van een aantal maanden terecht in zo'n OC. Vandaar worden ze - als ze althans niet al op dat moment uitgewezen worden - overgeplaatst naar een AZC: een AsielZoekersCentrum, waar ze soms jaren verblijven.
In zo'n OC heb je in de regel niet zoveel te doen; je leeft in een onzekere situatie, je moet afwachten en je kunt weinig doen. Het is niet verwonderlijk dat je in die situatie open staat voor mensen van buiten, zeker als dat iemand is die dezelfde taal spreekt als jij en die er bovendien in geslaagd is een plek te verwerven in de Nederlandse samenleving.
Zo ontstonden er al snel verschillende contacten met asielzoekers, die vervolgens ook naar onze kerkdiensten kwamen. In eerste instantie ging het daarbij vooral om Arabischtalige Christenen (en soms ook Moslims).
Liturgie en preek worden op papier in Arabische vertaling aan de bezoekers gegeven. Een verkorte versie van de groet aan het begin van de dienst, en de nieuwtestamentische zegen aan het eind worden door mij in het Arabisch uitgesproken. In de gemeente wordt verder gezorgd voor bijbelstudie en opvang in de gezinnen op zondag.
Dopen
Op een gegeven moment kwamen niet meer alleen Arabisch sprekenden in de kerk, maar ook mensen uit Iran. Die spreken een andere taal, het Farsi. Een taal die onze Irakese zuster ook beheerst, zij het mondeling beter dan schriftelijk. Eind vorig jaar werd ik gevraagd mee te gaan op bezoek bij een jong echtpaar uit Iran; de vrouw was hoogzwanger.
Door de gevoerde gesprekken en door het lezen in de bijbel waren zij tot geloof gekomen in Jezus Christus. En - extra bijzonder - de vrouw had in een droom haar eigen Doop beleefd. En toen herhaalde de geschiedenis zich: opnieuw werd die vraag gesteld: ‘Mogen wij gedoopt worden?’ En weer hebben we als kerkenraad, na daarover met hen gesproken te hebben, gemeend niet anders te kunnen doen dan de Here volgen op de weg waarop wij Hem voor ons uit zagen gaan. Eind januari zijn deze twee mensen gedoopt, samen met hun inmiddels geboren kindje. Een week na deze Doopdienst meldde zich weer een Iraans echtpaar, ditmaal met twee kinderen in de leeftijd van de basisschool. Deze mensen waren in Iran al bezig Christen te worden, maar gedoopt waren ze nog niet. En korte tijd later was er weer een Iraans echtpaar, zonder kinderen, die opnieuw diezelfde vraag stelden: ‘Wij hebben Jezus leren kennen als de Verlosser, als degene die de weg naar God heeft geopend.
Mogen wij gedoopt worden?’ Eind februari heb ik zes Iraniërs aan de gemeente mogen voorstellen; op de tweede zondag van maart zijn zij gedoopt, na - voor wat betreft de vier volwassenen - in het openbaar hun geloof te hebben beleden.
Er is vooralsnog geen reden om te veronderstellen dat dit de laatste keer zal zijn geweest dat de Doop bediend is aan asielzoekers.
Te snel?
Een kritische vraag in dit hele verhaal is natuurlijk: gaat dit allemaal niet te snel? Zou je er niet meer tijd voor moeten nemen?
Weten deze mensen na zo korte tijd al genoeg om belijdenis te kunnen doen en gedoopt te worden?
Bovendien: is het wel verstandig voor die mensen zélf? Straks gaan ze immers ergens anders naar toe; en misschien moeten ze wel terug naar hun eigen (streng- Islamitisch) land. Wat doe je ze dan aan door ze zo snel te dopen?
Natuurlijk hebben wij ons deze vragen ook gesteld.
Overigens is ‘snel’ een relatief begrip: als het aan deze mensen zelf had gelegen, dan waren ze nog een paar weken eerder gedoopt. Geen tijd te verliezen, hoe eerder hoe liever! Maar goed, voor onze begrippen is het inderdaad wel snel. Als ik van niks wist en iemand zou me deze dingen vertellen, zou dat ook mijn eerste reactie zijn. Sterker nog: zo ging ik eind december naar het OC toe, met het idee: laten we 't nou eerst maar eens even wat rustig aan doen.
Het is ook nogal anders dan wij gewend zijn.
Onze gewoonte, ontstaan in de loop van de tijd, is immers: je wordt als kind gedoopt, en dan ga je vanaf 10 of 12 jaar naar catechisatie, en als alles dan goed verloopt, leg je ergens rond je 18e, op de drempel van de volwassenheid, in het openbaar belijdenis af van je geloof.
Dat is ook stellig een goede gewoonte.
Weliswaar niet letterlijk zo terug te vinden in de bijbel, maar wel een heel mooie en ten diepste bijbelse vorm die de kerk heeft gevonden om recht te doen aan de beide kanten van het verbond van God met mensen: eenzijdig in z'n ontstaan (kinderdoop), tweezijdig in z'n bestaan (in de openbare geloofsbelijdenis geef je als mens antwoord op je Doop). Echter: met deze mooie vorm kun je niet meer uit de voeten als de Here opeens mensen op je weg brengt die maar één ding willen:
horen bij Jezus Christus, en die met alle kracht vragen: ‘Mogen wij gedoopt worden?’
De bijbel
Wat doe je dan als kerk?
Wat kún je dan doen?
Eigenlijk maar één ding: je bijbel opendoen, en proberen te ontdekken welke weg de Here God ons wijst. En tot je verbazing, nee, tot je grote verwondering ontdek je dan dat die zo bekende bijbel weer als nieuw tot je gaat spreken. Laat ik, zo kort mogelijk, een aantal dingen noemen: 1. In Handelingen 2:41, na de toespraak van Petrus op de Pinksterdag, lezen we: "Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen, en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd".
Hoe dat logistiek in z'n werk gegaan is kan ik me niet goed voorstellen, maar dat doet er niet zoveel toe: daar waren drieduizend mensen die op die dag voor het eerst het Evangelie van de Here Jezus hoorden, en die onmiddellijk in aansluiting daaraan werden gedoopt.
's Morgens wisten ze nog niet wie Jezus (werkelijk) was, en 's avonds waren ze gedoopt!
2. In het laatste gedeelte van Handelingen 8 horen we over de kamerling uit Ethiopië. De man heeftwat zal 't geweest zijn: een paar uur?Schriftonderwijs van Filippus gehad. Dan kijkt hij naar buiten, ziet daar een meertje of iets dergelijks, en hij zegt: ‘Filippus, kijk eens: daar is water; wat is ertegen dat ik gedoopt word?’ En het gebeurt! Onmiddellijk.
Toen hij 's morgens wegreed uit Jeruzalem wist hij nog niets van Jezus; maar 's avonds vervolgde hij als gedoopte zijn reis. Let wel: op weg naar een land waar hij de enige Christen zou zijn!
3. In Handelingen 10 heeft Petrus de heidense hoofdman Cornelius gedoopt, samen met zijn huisgenoten. Maar als hij weer terug is in Jeruzalem, komt daar nogal wat commentaar op. En Petrus moet de doop van Cornelius verdedigen, Handelingen 11.
Wat is daarbij zijn hoofdargument?
Vers 17b: ‘Hoe zou ik bij machte geweest zijn God tegen te houden?’ En toen was het beslist: want hoe zul je ooit als mens God tegenhouden in Zijn gang over deze wereld? ‘De Geest doorbreekt de grenzen die door mensen zijn gemaak’.
4. Tenslotte nog het slot van Handelingen 16, de doop van de gevangenbewaarder van Filippi, samen met zijn gezin.
Toen de zon onder ging was de man nog volop heiden; maar toen diezelfde zon weer op ging, was hij met al zijn huisgenoten gedoopt in de naam van de Here Jezus.
Toen en nu
In onze tijd kun je mensen soms horen zeggen dat wij als gemeente van Christus weer min of meer terugkomen in de situatie van de oude kerk: die van een minderheid in een heidense omgeving. En werkelijk, zonder de ver-
schillen tussen toen en nu onder de tafel te werken, maar daar zit inderdaad wat in: over vele eeuwen heen (het zogenaamde Constantijnse tijdperk) herkennen wij vandaag bepaalde dingen uit de kerk van lang geleden.
Zou het kunnen zijn dat dat ook geldt op dit punt, van het tot geloof komen van mensen die de Here Jezus Christus en Zijn hemelse Vader tot nu toe nog helemaal niet kenden?
Waarom heeft het Evangelie van de Here Jezus zich in de eerste eeuwen zo geweldig snel verspreid over dat enorm uitgestrekte Romeinse Rijk? Nu, één van de redenen daarvoor was stellig dat de religie van de Romeinen oud geworden was, en niet meer breed gedragen werd door een werkelijke overtuiging. In die wereld kwam het Christendom binnen. En opeens waren daar mensen die stonden voor hun overtuiging; en sommigen waren zelfs bereid daarvoor de dood in te gaan.
Anderen gaven liefde en zorg aan mensen waar mensen niemand naar omkeek. Dat heeft een geweldige werfkracht gehad in die oud-geworden cultuur en die oudgeworden religie van Rome. Zou het kunnen dat het Evangelie van de Here Jezus ook vandaag diezelfde kracht heeft?
Nu niet in de cultuur en de religie van Rome, maar in die van Mekka en Medina? Het zijn vragen, geen antwoorden. Maar het lijkt me de moeite waard om deze mogelijkheid royaal open te houden.
Vragen
In dat verband wil ik ook iets zeggen over de vragen waarmee deze mensen naar ons toe komen.
Want ze komen met vragen; heel veel vragen. Nu gebeurt dat natuurlijk wel vaker, dat mensen met vragen bij een dominee komen. Maar er is een opvallend verschil. Als gewoon Nederlands Gereformeerde gemeentepredikant krijg je - vooral van jonge mensennogal eens vragen in de trant van: "Dominee, hoe kan het nou dat dit of dat in de bijbel staat?" En daar moet je dan een antwoord op geven; als dominee moet je min of meer God verdedigen. Dat kun je natuurlijk niet, maar zo voelt het wel. En je hoopt dan maar dat je zo'n antwoord weet te geven dat de ander ermee verder kan. Goed, met dat in m'n achterhoofd kom ik bij asielzoekers die de Here Jezus hebben ontmoet, die door Hem geroepen zijn. En tot m'n verbazing merk ik dan dat zij niet vragen niet om verdediging, maar enkel om verduidelijking: ‘Ik lees dat en dat in de bijbel, maar wat betekent dat? Wilt u me dat eens uitleggen?’. Feitelijk precies de vraag van de kamerling uit Handelingen 8, die immers niet verstond wat hij las. En wij maar denken dat mensen met alle mogelijke bezwaren aan zullen komen... Ik vrees eerlijk gezegd dat dat meer over óns zegt: omdat wij het ons nauwelijks kunnen voorstellen dat het Evangelie en de kerk van de Here Jezus zó aantrekkelijk kunnen zijn dat mensen daar gewoon puur in geïnteresseerd zijn.
De oogst en de oogsters
De velden zijn wit om te oogsten. Maar vandaag zijn die velden niet meer (alleen) ver bij ons bed vandaan, zoals vroeger -- en het enige wat je ervan zag was via wat dia's, één keer per jaar, op de zendingsavond -- nee, je ziet er nu méér van: want ze komen op zondag je kerkgebouw binnen (niet alleen hier in Emmeloord natuurlijk), en ze vallen een beetje op -- niet eens zo héél erg, maar een beetje, ja, dat wel. Want onze kerkelijke etiquette kennen ze nog niet zo precies. De velden zijn wit om te oogsten -- maar de oogsters moeten wel zelf in de boodschap geloven, en vooral in de grote Brenger van de boodschap!
Dat wil zeggen: geloven dat het ook vandaag nog waar is dat het evangelie een kracht Gods is tot behoud voor een ieder die gelooft, eerst voor de Jood, maar ook voor de Griek (Rom 1:16), en ook voor de Nederlander, de Irakees, de Viëtnamees en de Iraniër.
Garantie?
Maar - laatste kritische vraag - welke garantie is er dan dat deze mensen ook op de langere termijn zullen blijven geloven?
Inderdaad: die garantie is er niet. Maar is die er wél wanneer jongeren uit ons eigen midden aan het eind van de puberteit belijdenis doen? Het is en het blijft toch altijd een wonder van Gods genade wanneer mensen in Hem (blijven) geloven? Welke garantie was er dat de kamerling in het verre Ethiopië het zou volhouden?
Welke garantie?
Geen andere dan die van de belofte van Gods trouw. Daar moeten we 't mee doen, of dat nu in Ethiopië is of in Iran of in Nederland. En daar kunnen we 't ook mee doen!
Afscheid
Ik schreef hierboven al dat 'onze' asielzoekers in een OC zitten, en niet in een AZC; en dat betekent dus dat ze hier niet lang blijven.
Dat is dan ook een bijkomende reden om dit artikel te schrijven: omdat we tegenwoordig met een zekere regelmaat vanuit Emmeloord namen doorgeven van mensen die een transfer hebben gekregen naar een AZC ergens in het land. En dan kan het dus gaan om mensen die al Christen waren toen ze hier kwamen, maar ook om mensen die hier de Here Jezus hebben leren kennen. In overleg met henzelf proberen we contact te leggen met een plaatselijke gemeente; waarbij we overigens niet alleen bij Nederlands Gereformeerde kerken terechtkomen, maar als het zo uitkomt ook bij anderen.
Natuurlijk heeft niet elke kerk iemand in haar midden die Arabisch spreekt; en dat maakt het soms ook wel wat lastig.
Tegelijk: de ontmoeting met deze broeders en zusters is niet in de eerste plaats moeilijk, maar toch vooral verrijkend; voor je eigen geloof, en ook voor de opbouw van de gemeente.