De mondigheid van de nieuwe mens

2000-06-09
  • Jaargang 44
  • nummer 12
Een in het publiek gevoerde discussie kan gauw vervelen.
Aan de andere kant zou het, met het oog op die lezers die zich herkennen in de reactie van ds Blokhuis op mijn artikelen over 'mondigheid', onbevredigend zijn als ik daarop slechts in de privésfeer zou ingaan. De redactie stelt een middenweg voor: een antwoord-artikel van mij, maar niet langer dan 800 woorden. Daarvan heb ik er inmiddels 74 verbruikt...
Om de overblijven-de 726 efficiënt te benutten zal ik puntsgewijze op ds Blokhuis reageren.

1.
Ds Blokhuis toont zich ingenomen met het derde artikel. Dat verheugt mij, omdat het een wezenlijke plaats innam in mijn betoog. Over het belang van een luisterhouding ten opzichte van de Bijbel zijn wij het dus eens. Wel vraagt ds Blokhuis zich af of dat derde artikel niet wringt met wat ik eerder geschreven had. Hij oppert zelfs, dat ik van mijzelf zo geschrokken was dat ik met de ene hand bijna terugnam wat ik met de andere gegeven had. Nu zou ik, als dat het geval was, niet reeds in het eerste artikel mijn bedenkingen tegen de ‘daar kan ik niks meehouding’ hebben aangeduid.
Maar laat mij van de gelegenheid gebruik maken om aan te geven hoe ik de verhouding zie tussen de door mij bepleite en de door mij bekritiseerde mondigheid. Ik het derde artikel breek ik de staf over de pedante houding van mens die niet zijn plaats als schepsel wil innemen. Je zou dat de mondigheid van de oude mens kunnen noemen. De voorbeelden die ds Blokhuis noemt van de hardhandige manier waarop de Here mensen soms op hun plaats zet (Zacharias, Petrus) hebben daarop betrekking.
Daarnaast meen ik vanuit de Bijbel (zie het eerste artikel) te hebben aangetoond, dat er ook een mondigheid is die vrucht is van het werk van de Geest. Die zou je de mondigheid van de nieuwe mens kunnen noemen. In deze mondigheid mag je iets zien van de hoogheid die God juist aan de nederige toekent. Een prachtig voorbeeld is Abraham, die zich tegelijk tijdig voor God vernedert ("ik ben stof en as") én zich verstout om tot de HERE te spreken met een voorstel tot wijziging van Zijn voornemen (Genesis 18:27).

2.
Ds Blokhuis vindt het grievend dat Eichmann wordt opgevoerd als ultieme waarschuwing voor de tegenstanders van de vrouw in het ambt.
Welnu: ook ik zou dat grievend vinden! Maar heb ik dat echt zo geschreven? Mijn tweede artikel nog eens overlezend maak ik het er niet uit op. Het voorbeeld van Eichmann dient uitsluitend als waarschuwing tegen slaafse gehoorzaamheid zonder enig nadenken. Het lijkt erop dat ds Blokhuis met die waarschuwing goed uit de voeten kan. Hij zelf toont immers in zijn artikel dat hij ingespannen wil nadenken bij het luisteren naar de apostel Paulus.
Om dat nadenken gaat het mij. Ik roep er niet toe op plompverloren rode lichten te negeren, maar goede argumenten aan te voeren om voor rood te wachten.

3.
Ds Blokhuis proeft in de toon van mijn schrijven iets laatdunkends. Dat betreur ik; het moet inderdaad niet zo zijn dat broeders en zusters die bezwaren hebben tegen het aanstellen van vrouwelijke ambtsdragers het gevoel krijgen gekleineerd te worden. Ik heb zelf voldoende positieve ervaringen met vertegenwoordigers van hen, om hier duidelijk te willen verklaren dat ik hen hoog heb, juist in zoverre zij uit eerbied voor de Schriften tot hun bezwaren komen.
Hoe het dan zit met de door ds Blokhuis gewraakte passage van mijn tweede artikel? Ik neem hen daarin nadrukkelijk in bescherming door duidelijk te maken dat de - in mijn ogen verwerpelijkeargumentatie van Aalders uit hun mond niet te horen valt. Complicerend is natuurlijk wel, dat ik zelf van mening ben dat het echt zou sporen met het voortgaand werk van de Geest als de kerk nu de barrières voor vrouwelijke ambtsdragers zou opheffen, en dat ik die mening met enige vurigheid voordraag.
Ik hoop dat ds Blokhuis en allen die zich in zijn woorden herkennen dat van mij willen velen.

4.
Ds Blokhuis spreekt zijn grote moeite uit met de manier waarop ik de argumenten van Paulus terzijde schuif. Zelf wijst hij er op dat de betreffende apostolische woorden juist gemotiveerd worden vanuit Gods goede schepping.
Dit stukje van zijn betoog trof mij: kennelijk vindt ook hij het niet verkeerd om te zoeken naar goede redenen om naar Paulus te luisteren. Wel vraag ik me af of het argument van de 'scheppingsorde' zich niet tegen ds Blokhuis keert. Dat houdt namelijk in, dat bijbelwoorden niet wringen met de werkelijkheid waarin wij leven. Het probleem is echter dat de zgn. 'zwijgteksten' die steun vanuit de huidige werkelijkheid lijken te ontberen. Mijn respect voor Paulus is vast en zeker niet kleiner dan dat van ds Blokhuis. Anders dan hij heb ik echter van Paulus begrepen, dat hij mikte op mondige nieuwe mensen die niet bang zijn om de bakens indien nodig te verzetten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief