Nergens thuis

2000-06-09
  • Jaargang 44
  • nummer 12
In het blad ‘Straatnieuws’ voor Utrecht-Amersfoort- Hilversum kwam ik in het nummer van mei 2000 enkele gedichten van rondzwervende jongeren tegen. Je proeft daarin het leed van mensen, die dakloos zijn en verlangen naar geborgenheid.
Als je deze gedichten allemaal op je laat inwerken tast je de leegte van een bestaan, dat aan de ondergang is prijsgegeven.
Men voelt zich opgesloten in een vicieuze cirkel en ziet nergens een echte uitweg uit de misère.
Wie brengt aan dergelijke mensen het evangelie van de bevrijding? Is dat alleen iets van het Leger des Heils? Zouden we ons ook als kerk niet meer op deze sociale kant van de evangelisatie waar het mogelijk is moeten richten? Ik vraag maar.
Zelf heb ik geen draaiboek.
Welke opvatting over menselijkheid en medemenselijk-heid wordt deze zwerf-jongeren in verschillende steden aangereikt? Hoe vullen wij dat in de prak-tijk als christenen in? Een tekst als Hebreeën 13: 16:"En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welgevallen" zullen we m.i. niet tot de geloofsgenoten mogen beperken. Naastenliefde beslaat een breder terrein dan alleen de kerke-lijke kring. Naaste is overtreffende trap van na.
Mijn naaste is ieder, die regelmatig of op een gegeven moment mijn levenspad kruist. En uit mijn liefde tot God vloeit direct mijn liefde tot de medemens voort. Het één kan niet zonder het ander. God Zelf heeft die verbinding gelegd via zijn geboden. Wie dit miskent laat de hele Bijbel vallen (zie Matth. 22: 37-40).

O. Mooiweer, Enschede

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief