Meewerken ten goed (3)
2000-07-21
In de titel van dit reeksje van vier zit een toespeling op Romeinen 8:28, waar je leest dat God alle dingen doet meewerken ten goede voor hen die geloven.- Jaargang 44
- nummer 15
Alle dingen, dus ook datgene wat aanvankelijk verliesgevend lijkt voor zijn Koninkrijk, maar waarvan Paulus ons verzekert, dat God in staat is om dat verlies om te buigen in winst. Zou dat iets kunnen betekenen voor onze omgang met veranderingen, die op het eerste gezicht niet winstgevend lijken voor de christelijke gemeente? Ik dacht daarbij zelf aan het verschijnsel van het ongehuwd samenwonen en niet minder aan de stroperige discussies over dit item. Als je let op het directe resultaat hebben deze discussies voor een hartelijk voorstander van een recht-toerecht-
aan route naar het officiële huwelijk ook weinig opgeleverd.
Maar moet je dan concluderen dat zulke gesprekken alleen maar verlies van tijd en energie zijn geweest of hebben ze (even los van het resultaat) ook nog wel iets goeds uitgewerkt met het oog op Gods Koninkrijk. Ik meen van wel.
In deze derde aflevering wil ik zoeken naar de winst op gemeentelijk terrein. Vanuit de discussies over huwelijk en samenwonen viel me op, dat de aandacht van de christelijke gemeente iets versmalds en selectiefs krijgt, als het gaat over de weg van een man en een vrouw. Is er binnen de gemeente niet een bredere betrokkenheid wenselijk en wellicht ook mogelijk, zo denk je dan.
Begin ...
Neem als eerste de betrokkenheid van de gemeente op het huwelijk zélf. Die beperkt zich toch goeddeels tot de twee momenten van begin en (voortijdig) einde van de echtverbintenis.
Wat het feestelijke begin van een huwelijk betreft, daar is de christelijke kerk de eeuwen door op één of andere manier bij betrokken geweest. Onder ons krijgt dat al vóór de trouwdag zijn beslag in gesprekken tussen aanstaand bruidspaar en predikant of ouderling. In zulk overleg wordt niet alleen gesproken over de trouwdienst, maar - zeker de laatste jaren - ook toerustend aangewerkt op een komend huwelijk. Die aanpak lijkt mooi breed, maar toch ziet de praktijk van zo’n aanloop er vaak een stuk smaller uit. Soms door een te late start van zulke gesprekken, soms ook omdat er eerst knopen over de trouwdienst moeten worden doorgehakt (vaak na een ongehuwd samenwonende fase). Het gevolg is, dat de gesprekken onder tijdsdruk komen te staan, waardoor het overleg in zulke gevallen vooral over de (kwestie) huwelijksdienst gaat. Voor de beoogde toerusting tot de - hopenlijk levenslangefase, die met de trouwdag (officieel) begint, blijft dan te weinig ruimte over. Maar goed, met of zonder veel toerusting en gesprek, uiteindelijk komt het wel tot één of andere vorm van huwelijksdienst, waarvan (ook) de gemeente getuige kan zijn. In hoeverre van die gelegenheid ook gebruik wordt gemaakt, verschilt per gemeente en per bruidspaar. Maar soms is de afvaardiging van gemeentelijke zijde wel heel mager en dat straalt bepaald geen grote betrokkenheid uit.1 En daarmee heb je het dan ook zo ongeveer gehad, want het getrouwde stel vervolgt na die heuglijke dag zijn weg en veelal lijkt dan het gemeentelijk parool: geen bericht, goed bericht.
... en eind
Bij dat laatste zit je niet ver af van de gedachte aan een voortijdig einde van het huwelijk. Als de gemeente dáárin betrokken wordt, dan is dat voor bijna ieder - predikant en ouderling vaak niet uitgezonderd - een grote en bittere verrassing. Soms is bij zo’n ‘coming out’ zelfs de beslissing tot uiteengaan al gevallen en is de officiële scheiding slechts een kwestie van tijd.2 In andere gevallen, met enige hoop op herstel van de relatie, lijkt een verwijzing naar deskundige hulpverleners de aangewezen weg.
Waarbij wel de vraag opkomt, wat dan de typisch gemeentelijk-pastorale inbreng zou kunnen zijn, gekoppeld aan de vraag wie van het pastorale team capabel genoeg is om dit soort begeleiding te geven. Moet je, dit tweede veld overziende, niet zeggen dat de gemeente (ouderlingen en predikant incluis) op een zekere afstand, met gevoelens van verlegenheid of zelfs machteloosheid, getuige zijn van het pijnlijke, voortijdige einde van het huwelijk van één of twee van haar leden?
Wederzijds
Versmalde aandacht, verlegenheid, machteloosheid, van afstand - veel is het niet! Ik moet er aan toevoegen, dat de gemeente niet zelden ook op afstand wordt gehouden, zowel bij het begin als bij het voortijdig einde van een relatie. Wat het eerste betreft, denk ik aan gemeenteleden, die ongehuwd gaan samenwonen.
Dat is doorgaans een weinig publieke stap, waarbij de gemeente (gewild of ongewild) buiten het gezichtsveld blijft. Je hoort het als predikant of ouderling vaak pas na verloop van tijd en niet zelden via-via. Je kunt dan natuurlijk reageren met te zeggen, dat het zo belangrijk is om de christelijke gemeente bij je samenleven te betrekken - vanwege de dienst van voorbede en zegen en het publieke karakter. Dat is inderdaad niet niks, maar wat zegt het als niet meer dan een fractie van de gemeente de trouwdienst bijwoont? En wat betekent het nu wérkelijk voor de weg van jaren, dat de gemeente publiek getuige was in het beslissende uur?
Dat leidt toch tot de vraag, wat de gemeentelijke betrokkenheid toevoegt aan een private beslissing tot samenleven. En oogsten we dáárom als christelijke gemeente op dat relationele veld misschien zo karig - domweg omdat er ook zo karig gezaaid is?
Bij het voortijdig einde is het niet beter, maar eigenlijk schreef ik dat al.
Heel vaak wordt de crisis in een huwelijk zoveel mogelijk binnenskamers gehouden. Soms trekken de betrokkenen zich in grote verlegenheid zelfs terug tot op de rand van het gemeentelijke. Mogelijk bang voor verwijten en met weinig fiducie in de hulp, die vanuit de gemeente zou kunnen komen.
Wat je dus ziet is, dat enerzijds de betrokkenheid van de gemeente op het christelijk huwelijk een versmalde en magere indruk maakt, maar dat je anderzijds ook merkt dat gemeenteleden het instituut kerk maar beperkt toelaten in hun leven - ook al gaat het in dat instituut om de eigen gemeente!
Weg van de trouwdag?
Als je dan terugkeert naar dat gemeentelijk hoogtepunt, dat de trouwdienst toch zou moeten zijn, moet je dan niet zeggen dat het inmiddels een geïsoleerd en uitgehold instituut is geworden. Zeker nu de huwelijksdienst in veel gevallen een dienst is geworden, die de overgang van een officieuze (parttime of fulltime) fase van samenwonen naar een officiële markeert. Nodigt dat niet uit tot de stap om als gemeente de handen van de trouwdag af te trekken en de voorbede/bevestiging te verplaatsen naar de zondag? Omdat het dan zoveel meer gemeentelijk kan zijn en minder gerekend hoeft te worden met alle toeters en bellen van de trouwdag - zeker in het geval van een overgangsdienst. Toch zou zo’n maatregel betekenen, dat je je als gemeente terugtrekt tot op de zondagse zijlijn en op te grote afstand getuige wordt van wat - in goede doen - één van de meest markante en gezegende dagen in een mensenleven is. Het verlies zou wel eens groter kunnen zijn dan de winst. Zulke bezwaren kleven nog sterker aan een andere terugtrekkende beweging, namelijk die van de privatisering van de huwelijksdienst.
Dat zou je kunnen bereiken door als gemeente de verantwoordelijkheid voor de huwelijksdienst bij het bruidspaar neer te leggen.
Met een gebaar van: maak er zelf maar wat van. De leiding van zo’n dienst zou dan kunnen toevallen aan een familielid, een vriend of wellicht ook een predikant. Toch is ook deze uitweg niet erg bevredigend. Vooral omdat zo’n maatregel, in het licht van ongehuwd samenwonen, een ongezond koekje van eigen deeg zou zijn.
In de zin van: jullie individualiseren, wij privatiseren. Dat zou de laatste gemeentelijke betrokkenheid op het huwelijk van twee kanten ontmantelen.
Met als vrucht private diensten, waarop je als gemeente geen positieve invloed meer kunt uitoefenen en bij alles bevorder je de geest van individualisering.
3 Hek of hart
Ik ben op dit punt van de huwelijksdienst iets breder ingegaan, omdat het toch nog steeds hét moment is, waarop de gemeentelijke betrokkenheid bij het christelijk huwelijk uitkomt.
En tegelijk is er veel spanning en onduidelijkheid rond (het karakter van) onze huwelijksdiensten en leeft terecht het gevoel dat alleen deze beperkte gemeentelijke betrokkenheid te weinig is.
Ik ben ook iets breder geweest, omdat je juist in de discussies rond de huwelijksdienst merkt, dat je er niet bent met hier en daar een maatregelals een hek, dat het ongeregelde leven in goede banen moet leiden.
Het besluit om van een bevestigingsdienst een voorbededienst te maken, kán (hoeft niet) iets hebben van het plaatsen van zo’n hekje en daardoor blijven hangen in de sfeer van de maatregel. Datzelfde kan ook het geval zijn bij verplaatsing van de trouwdienst naar de zondag of bij privatisering van de huwelijksdienst. Met ongetwijfeld goede en sanerende bedoelingen, maar met weinig kans dat je langs die weg komt tot een gesprek van hart tot hart. En dat zou toch de diepe wens van alle partijen moeten zijn. Waarbij je trouwens ook zou merken, dat je de versmallingen voorbij bent, zodra je niet langer in de weer bent met het hek, maar met het hart.
Seksualiteit
Ik verleg het aandachtsveld nu enigszins, want niet alleen rond de huwelijksdienst stuit je op dat versmalde en selectieve in de aandacht van de christelijke gemeente, maar ook als het gaat om de omgang met seksualiteit.
Dat viel me vorig jaar nog weer eens op tijdens een bijeenkomst met de ambtsdragers uit de noordelijke regio, waar we het hadden over ‘jongeren en seksualiteit’. Het was opmerkelijk om te zien hoe snel de thematiek verschoof en versmalde in de richting van ‘ongehuwd samenwonen’. Terwijl ter voorbereiding een boekje van Gerry Velema-Drenth was aanbevolen, waarin het begint met een meisje van dertien en doorloopt tot ver in het huwelijk.4 Een traject van jaren dus, waarin een mens zijn weg moet zien te vinden met zijn of haar seksuele gevoelens, met het mooie en moeilijke, relationele en eenzame, menselijkunieke en mislukt-zondige ervan.
Opvallend toch dat ambtsdragers, die zo bezig zijn in het pastorale werken ook zelf een lichaam hebben, Hebreeën 13:3 - bij een discussie over ‘jongeren en seksualiteit’ in een mum van tijd weer zitten te denken in de kaders van huwelijk en samenwonen.
Alsof bij ongehuwd samenwonen het seksuele aspect zo eenzijdig op de voorgrond zou staan! En anderzijds de seksualiteit met zijn verlangens niet los van het relationele bespreekbaar lijkt. Bijten we ons misschien dáárom zo krampachtig vast, omdat het seksuele in het kader van samenwonen ‘veilig’ en afgebakend aan de orde kan komen? Versmalling dus en nog eens versmalling.
Kortom, er valt gemeentelijk nog wel het één en ander te doen in de begeleiding van het relationele en wat daar aan vast zit. In de zondagse verkondiging wellicht, maar zeker ook in het onderlinge pastoraat en in de toerusting van de gemeente. Om ons heen kijkend valt op, dat vooral de evangelischen veel meer doen aan gesprek en toerusting op het terrein van huwelijk en seksualiteit en daar valt voor ons best iets uit te leren.
Misschien is het ook wel zo, dat openheid in geloof positieve samenhangen heeft met openheid op andere kwetsbare punten in het menselijke, zoals relaties en seksualiteit. Maar dat terzijde, want ik wil in het slot van dit artikel nog komen met enkele aanzetten op die beide terreinen van pastoraat en toerusting.
Pastoraat
Als het gaat om het pastoraal gesprek, dan kan het over van alles en nog wat gaan. Je vraagt als ouderling of predikant naar iemands baan, hoe het loopt met de kinderen, gezondheid en ziekte, de mogelijkheden tot eigen inbreng in de gemeente (gaven) en als het even kan ook naar de persoonlijke omgang met God. Maar hoe vaak komt het gesprek op de meest unieke menselijke relatie van maanden, jaren of misschien wel decennia?
En dan niet vanwege signalen, dat het niet goed gaat - in de slechte tijden - maar ‘gewoon’ in de goede. Ik moet eerlijk zeggen, dat ik die vraag maar uiterst zelden stelde. Dat is toch te privé, denk je dan, of je loopt zelfs - zonder de mogelijkheid te overwegen!
- ‘gewoon’ een blokje om. Toch laat je zo wel kansen liggen!
Want het is niet denkbeeldig dat korter of langer getrouwden hun winst zouden kunnen doen met een open gesprek over dit belangrijke onderdeel van hun leven. Omdat ze een bemoediging wel kunnen gebruiken of als stimulans om voor elkaar weer eens wat meer tijd uit te trekken. Of samen deel te nemen aan een toerustingsweekend voor getrouwden, zoals die her en der gegeven worden. Goed ook om als mens te ontdekken, dat je niet de enige bent bij wie het (wel eens een tijdje) stroef loopt. Want bij problematiek die privaat blijft, ga je al gauw denken, dat je de enige bent, die worstelt met dit of met dat. Dat kan al jong beginnen - op gevoelige terreinen als geloof, relaties en seksualiteit.
Maar ook later is er veel stille problematiek in en buiten het huwelijk.
Juist dan zou zo’n pastoraal gesprek kunnen helpen om vroegtijdig een moeite te ontdekken, waar in een eerder stadium nu eenmaal veel meer aan te doen is, dan na een ontwrichting van jaren. Zodat je nietnog later en dus te laat - voor verrassingen komt te staan, waar ik in het begin van dit artikel over schreef.
Meer algemeen geldt dat, hoe groter we ons privé-terrein maken, des te minder we op dat gebied iets voor elkaar kunnen betekenen. Met uiteindelijk de vraag wat een gemeente nog voorstelt, als het er op uitloopt, dat ieder ‘gewoon’ zijn eigen last zal moeten dragen - ook in het kwetsbare en tere van het leven.
Toerusting
Aan toerusting wordt de laatste jaren meer gedaan, zo is mijn indruk, en dat lijkt me heel goed. Ik denk als eerste aan de al genoemde aanloop naar een huwelijk. Wat kan er een positieve impuls uitgaan van gesprekken over de volle breedte van het huwelijksleven. Met thema’s als: de onderlinge communicatie en het eigene van man en vrouw daarin. Of ook de (gezamenlijke) omgang met God in Woord, gebed, lied, gesprek - verbonden met gemeente en zoveel meer. Verder ligt er het sociale, in de vreugdevolle en soms moeizame omgang met familie en vrienden over en weer. En er zal toch ook wel iets opbouwends te zeggen zijn over het lichamelijke van de relatie en de groeiende openheid daarin. Als laatste zou ik ook niet voorbij willen gaan aan een gedachtewisseling over de ongehuwde en de gehuwde vorm van samenleven - en dan zonder de tijdsdruk van een naderende huwelijksdienst.
Vanuit zo’n toerustingscursus met een huwelijk in zicht, komt de vraag op of het ook niet nuttig zou zijn om in later jaren nog eens terug te komen op zulke thema’s. Als de onderlinge relatie onder de spanning is gekomen van gezin, werk, kerk of wat dan ook. Zodat eventueel gegroeide eenzaamheid en verlegenheid in de echtelijke relatie via zulke toerustende gesprekken doorbroken kan worden, met mogelijkheden op hernieuwde ontplooiing.
Openheid
De vraag is natuurlijk wel, hoe open we daar persoonlijk en gemeentelijk in durven te zijn. Dat geldt voor predikanten en ouderlingen, wanneer zij zulke persoonlijke en tere punten in een huisbezoek aansnijden. Dat is vragen om vertrouwen en openheid, maar dat gaat niet zonder hetzelfde (eerst) te geven. Wederzijds dus, precies zoals Paulus ergens zegt: het is zaliger te geven dan te ontvangen!
In het toerustende werk speelt dat ook en in zekere zin nog sterker, omdat zulke gesprekken onder meer ogen (en oren) plaatsvinden. Maar juist in zo’n setting van toerusting zijn er mogelijkheden om de openheid via een omweg een impuls te geven.
Door middel van een zorgvuldig gekozen video-flits of ander anoniem voorbeeld-materiaal. Voor die aanpak valt met name veel te zeggen als de thema’s gevoelig liggen - bijvoorbeeld de omgang met het seksuele voor mensen die (weer) alleenstaand zijn of ook bij iets (heel anders) als ongewenste kinderloosheid.
Resumerend
Ook in dit derde artikel heb ik geprobeerd om te laten zien, dat we door de discussies over huwelijk en samenwonen, opgescherpt zijn in meer dan één opzicht. Het belangrijkste was ditmaal de overweging, dat de aandacht van de christelijke gemeente voor het samenleven van man en vrouw iets selectiefs en versmalds heeft (gehad). Zowel in het pastorale als in de toerusting is er nog veel goeds te doen, zodat de rol van getuige, die de gemeente bij de huwelijkssluiting heeft, ook in de aanloop en het vervolgtraject kan worden waargemaakt.
Noten:
1. In onze kring heeft ds. J.Meester in 1957 een boekje geschreven - De idee van de kerkelijke huwelijks plechtigheid - waarin hij niet alleen een historisch overzicht geeft van de betrokkenheid van kerk en overheid bij het huwelijk, maar ook een pleidooi voert voor de zondag se voorbede i.p.v. de doordeweekse huwelijksbevestiging.
2. In het Nederlands Dagblad van 8 juli 2000 stond een artikel met een bijdrage van acht predikanten uit 4 kerken. Meer dan eens, zo viel te lezen, komen ook zij voor een vol dongen feit te staan.
3. In een artikel over de huwelijks Dienst (Opbouw 40e jrg. nr. 3), waarbij ik positiever was over deze terugtrekkende beweging.
4. G.Velema-Drenth, Save Seks, Kampen, 1997. Een uiterst praktisch boekje, uitnodigend tot gesprek, mee door de vele openhartige vra gen, reacties en ervaringen van jongeren..