Dromer
2000-07-21
Het begint allemaal met een e-mailtje.- Jaargang 44
- nummer 15
Hij stuurt het naar mij toe alsof het volstrekt normaal is te e-mailen met een docent. Dat is het ook. Alleen de inhoud van zijn mail is iets anders dan normaal. Hij schrijft naar aanleiding van een dagopening. Hij wil eens met me doorpraten. Over zijn ‘anders zijn’.
En tegelijkertijd schrijft hij dat hij het eigenlijk onzin vindt want als hij hetero zou zijn geweest, had hij ook niet over zijn geaardheid en liefdesleven met een ander willen spreken, dus waarom nou opeens wel? Maar ja, de omgeving dwingt hem een keuze te maken. En daar wil hij wel eens over praten. Ik spreek hem diezelfde week nog. Op vrijdagmiddag.
Leuke knul, betrokken bij de lessen die oog heeft voor leerlingen om hem heen. We praten met elkaar.
19 is hij nu. Heeft er 17 jaar over gedaan om er achter te komen dat hij zich homo voelt. Zijn ouders weten het, zijn zusje weet het en hij heeft er zelfs al met de dominee over gepraat.
De dominee kon het mooi zeggen; homofiel zijn is niet erg, maar homoseksueel zijn is zonde. De jongen kijkt me met zo’n vragende blik aan.
Een blik van: ‘zeg me dat het niet waar is hè, zo zit het geloof toch niet in elkaar?! Wel zo geaard zijn, wel je gevoelens hebben, maar er niet aan mogen toegeven. Zelfs niet in een duurzame relatie.’ Hij zegt met een sombere stem: "Thuis wordt het onderwerp doodgezwegen, maar uit alle communicatie merk ik het; ik hoef echt niet met een vriend thuis te komen. Mijn ouders en zusje keuren dat sowieso af. Mijn vrienden weten het en zeggen dat ze mij accepteren.
Maar mijn beste vriend zei letterlijk: "Als jij met een kerel vrijt, kom je in de hel, en dat vind ik niet tof man."
Hij vraagt zich af of hij nog wel belijdenis wil doen. Hij vraagt zich af of hij eigenlijk nog wel gelooft. Hij voelt zich in de steek gelaten door al die gelovigen in de kerk. Ik vraag hem of hij homo’s ontmoet. Hij kijkt mij aan en vertelt dat hij sinds kort op zaterdagavond niet meer naar vereniging gaat, maar naar het COC. Hij vertelt hoe leuk het is om daar te komen.
Om te merken dat hij geaccepteerd wordt. Om te merken dat er mannen met mannen dansen, vrouwen vrouwen zoenen en dat hij bekeken wordt door mannen die laten merken dat hij de moeite waard is. Hij is even stil en zegt dan: "Ik voel me daar meer thuis dan in Gods huis. Bij het COC krijg ik het warm. In de kerk is het zo kil."
Een uurtje later fiets ik naar huis.
Het blijft door mijn hoofd malen. Een jongen, gedoopt, gelovige ouders, leuke vrienden in de kerkelijke gemeente. Maar het is er zo kil, zoals ik ben moeten ze me er niet. "Vindt Jezus dat nou ook?"
Ik fiets door de stad. Het is een warme zomermiddag. Ik fiets wat langzamer als ik langs zijn kerkgebouw kom. De zon schijnt er naar binnen. Zijn laatste vraag heb ik nog steeds in mijn hoofd. Of ik ook denk dat Jezus iets tegen homo’s heeft…