Het zandlopermodel van de Heilige Schrift
2000-08-04
Breed - Smal - Breed- Jaargang 44
- nummer 16
Met het zandlopermodel van de Heilige Schrift bedoel ik dat als je de lijn van de bijbel volgt en je hoeft daar echt geen theologische opleiding voor te hebben genoten, je breed begint, je vervolgens de smalte ingaat, om tenslotte de breedte weer op te zoeken: breed smal breed, zoals de figuur van de zandloper die vorm ook heeft.
Alleen heeft de zandloper de vernauwing in het midden. Dat is in de bijbel niet het geval, daar vind je haar meer aan het einde. De bijbel begint breed, namelijk bij de mens op de aardbodem, de eerste mensheid in de oude wereld van voor de zondvloed. Na de zondvloed en de torenbouw van Babel vernauwt zich het perspectief en wordt uit de nieuw ontstane mensheid in Abraham een volk apart gezet in een land: Israël in Kanaän. Dat is immers waar de roeping van Abraham op uitloopt: Mozes en Jozua brengen Israël in Kanaän. Daar bereikt het volk in het land de top onder de koningen David en Salomo. Maar daarna zet de neergang in en wordt het perspectief smaller. Na de scheuring van het rijk onder Rehabeam concentreert zich de aandacht van de Schrift op de stam van Juda in het gebied van Juda met Jeruzalem aan de rand ervan als hoofdstad.
Maar de neergang zet zich voort en loopt uit op de Babylonische ballingschap.
Na de ballingschap is de stad Jeruzalem met haar directe omgeving de voornaamste schouwplaats van Gods heilshandelen. Zo smal is alles dan geworden. Die situatie treffen we ook aan in het eerste deel van het Nieuwe Testament. Het boek Handelingen brengt daarin evenwel verandering; een lijn wordt zichtbaar die loopt van 'Jeruzalem en geheel Judea en Samaria tot het uiterste der aarde' (Hand. 1 : 8). De mens op de Aardbodem niet langer gebonden aan Israëlitisch bloed en bodem, komt dan weer in het beeld en uiteindelijk zal dat uitlopen op de nieuwe mensheid op de nieuwe aarde. Maar deze lijnen naar de volken en de uiterste einden der aarde worden in de bijbel wel begonnen maar niet afgemaakt. Dat gebeurt in de navolgende kerkgeschiedenis.
En wat het laatste betreft: de lijnen naar de nieuwe mensheid op de nieuwe aarde, die worden in de bijbel alleen maar aangeduid en profetisch in het vooruitzicht gesteld.
Israël als fase in het heil
Gezien het bovenstaande kan het niet verrassen dat het verreweg grootste middenstuk van de bijbel waarin Israël in Kanaän de hoofdrol speelt, ligt ingeklemd tussen twee brede volkerenlijsten: die van Genesis 10 met de nakomelingen van Sem, Cham en Jafet, en die van Handelingen 2 met de bekende reeks van Pinksteren: 'Parters en Meders en Elamieten en die inwoners zijn van Mesopotamie' (Hand. 2 : 9). Zo wijst het begin van het Israel-compartiment in de bijbel naar achteren, naar de mens op de aardbodem, en het einde ervan naar voren, naar de volkeren van de wereld.
Waarmee aangeduid is dat Israël in Kanaän, behalve dat het een eigen betekenis heeft in Gods heilsbedoeling, tegelijk de volkeren der aarde in al hun breedheid vertegenwoordigt.
Wat de Here God met Israël doet heeft met die volken te maken. Zoals tegen Abraham gezegd was: 'In u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden' (Gen. 12 : 3). Hier valt meteen al een forse conclusie uit te trekken.
Voor de meeste christenen is het zo dat wie het Oude Testament noemt Israël zegt; die twee dekken elkaar volkomen in de opvatting der mensen. Dat is dus niet het geval. Het eerste deel van de schrift, Genesis 1:11, heeft het over wereld en mensheid en Israël is daarbij nog in geen velden of wegen te zien. Het volk is slechts uit de verte aangeduid in de voorvader Arpachsad, die in Genesis 10 : 22 optreedt in de volkerenlijst en in Genesis 11 : 10 genoemd wordt als de voorvader van Abraham. Israël is dus in de lendenen van die Arpachsad begrepen, zoals een beroemd oudtestamenticus (Gerhard von Rad) eens geschreven heeft, en bij gevolg in dat eerste gedeelte van de Schrift afwezig.
Nu zijn er wel geleerden die geloven dat het gedeelte van Genesis 1 tot 11 een literair product is dat pas in later tijd binnen Israël ontstaan en dus Israëlitisch van kleur is, maar ook al zou dat zo zijn dan blijft het nog betekenis houden dat dit literaire product helemaal vooraan in de bijbel geplaatst is, waar immers de suggestie van uitgaat dat het daarin vertelde in tijd aan Israël voorafgaat. De gedachte dus dat het in het Oude Testament enkel over Israël gaat, zoals in het Nieuwe enkel over de kerk uit de volken, is onjuist. Dubbel onjuist, want het laatste is ook niet waar. En dat geldt ook voor de daarin meekomende gedachte dat Israël het eigenlijke Godsvolk is waar het in de hele geschiedenis over gaat en dat de kerk uit de volken slechts een tijdelijke omweg van God is om uiteindelijk weer bij Israël uit te komen.
Waardoor de kerk uit alle volken in de kleine lettertjes van de geschiedenis van Israël terecht zou komen. Het is veeleer zo dat Israël een fase is in de geschiedenis van het heil. Een belangrijke fase weliswaar, een fase waarvan de betekenis blijvend is en tot het einde toe doorwerkt, maar niettemin een fase. Niet de kerk uit de volken is een omweg om bij Israël uit te komen, maar omgekeerd, Israël is een omweg geweest om bij de volken uit te komen. Bij de volken, waartoe trouwens ook Israël zelf weer behoort.
Toen God zag dat het met de wereld van na de zondvloed weer dezelfde kant opging als met de wereld van voor de vloed, heeft Hij Israël apart gesteld om via die omweg de wereld te redden. Zo werd het van meet aan tot Abraham gezegd: 'In u zullen alle geslachten der aardbodem gezegend worden' (Gensis 12 : 3).
Deze dienst van Israël voor het heil der wereld is door de Here God genadig beloond. Dat voor de heidenen het licht is gaan schijnen zorgt voor een blijvende heerlijkheid van het volk Israël. Zo zegt de oude Simeon het in zijn lofzang: 'Licht tot openbaring voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israel' (Luc. 2 : 32).
De verdieping
Maar waartoe diende nu die vernauwing die al bij Abraham intrad en pas in het Nieuwe Testament wordt opgeheven?
We moeten die vernauwing als een verdieping en een verheviging zien. In toenemende urgentie wordt een probleem aan de orde gesteld.
Het probleem van de gevallen mensheid op de verworden aarde. We weten allemaal dat het met de aarde en de mensheid van het begin niet goed gegaan is. Beiden raakten ze van God los en ook onderling kwamen ze tegenover elkaar te staan. 'De aarde is om uwentwil vervloekt' klinkt het na de paradijszonde tot Adam (Gen. 3 : 17). Tegelijk wordt een perspectief geboden dat de Here God herstel zal geven. Maar hoe? Hoe zullen aarde en mensheid weer bij elkaar komen en hoe zullen ze samen weer bij God komen? De zondvloed eerst en de Babylonische spraakverwarring daarna maken duidelijk dat aarde en mensheid steeds meer in de problemen komen. Dan vernauwt en tegelijk verhevigt zich deze problematiek doordat van aarde en mensheid overgestapt wordt op land en volk, het land Kanaän en het volk Israël. In dit koppel blijft de zaak van aarde en mensheid aan de orde gesteld, eigenlijk verscherpt aan de orde gesteld, in die zin dat als het met Israël in Kanaän goed komt dat gunstige gevolgen heeft voor aarde en mensheid. Maar zoals eerder het project 'mensheid op aarde' loopt ook het project 'Israël in Kanaän' uit op een echec. Dat gebeurt op het einde van de richterentijd.
Israël komt in Kanaän aan de grond te zitten en ook het koningschap van Saul brengt daarin geen verandering. Het volk dwaalt van de Here God weg en het land wordt door de gruwelen die Israël bedrijft besmeurd. Dan treedt de volgende vernauwing in: de stad en de koning komen nu in beeld, de stad Jeruzalem en de koning David. Zoals Kanaän en Israël aarde en mensheid vertegenwoordigen, zo is dat ook het geval met het tweetal stad en koning: zij vertegenwoordigen Kanaän en Israël, die op hun beurt weer representatief zijn voor aarde en mensheid. Wat er met en tussen de stad en de koning plaats vindt heeft voor land en volk en voor aarde en mensheid betekenis.
Maar ook deze laatste twee, de stad en de koning, redden het niet. Dat is bij de ballingschap overduidelijk gebleken. De stad wordt verwoest en de koning verdwijnt van het toneel zonder ooit nog in functie terug te keren. Daarmee is het experiment Israël als mislukt opgegeven en afgesloten, zou je zeggen. De nood van aarde en mensheid is niet opgelost.
Sion en David
Toch is hiermee het laatste woord niet gezegd. Want juist die stad en die koning hebben in Israël van Godswege een meerwaarde gekregen, een plus dat boven het menselijke uitreikte.
De stad Jeruzalem vond zijn geestelijk centrum in het heiligdom: Sion, de plaats van het Immanuëlgeheimenis, God met ons, uit kracht van de verzoening. Het was de plaats die de HERE verkozen had om daar zijn naam te doen wonen (Psalm 68 : 17). En wat David de koning betreft, hem was de belofte gedaan van een zoon die voor eeuwig op de troon zou zitten: de Messias, de Davidszoon (2 Samuel 7). Dat geeft ons het recht om boven Jeruzalem en David uit te zien en te letten op wat de Here God in die twee gestalten bezig was te bewerkstelligen, ook nog nadat deze twee historische grootheden van het toneel verdwenen waren. Adam was als hoofd van de mensheid geroepen de mensheid de schepping binnen te voeren en aan te voeren in de lof op Gods grote naam. Daar is door zijn val in zonde niets van terecht gekomen.
Mozes was geroepen het volk Israël Kanaän binnen te leiden opdat Israël daar zijn God zou dienen in volkomenheid.
Maar Mozes stierf om zijn zonde nog voordat hij het volk over de Jordaan gebracht had. Jozua moest het karwei afmaken. David was geroepen het volk Israël bij het heiligdom te brengen en zo de uittocht uit Egypte z'n laatste voltooiing te geven. Maar David als man van oorlog mocht de tempel niet bouwen, Salomo moest dat doen. Er zat steeds iets onafs in die gebeurtenissen, steeds kwam er een kink in de kabel. Maar... nu zou er toch uit Davids geslacht iemand komen, de Messias als zoon van God, die de mensheid bij de vervulling van het heiligdom, te weten: Golgota, als de plaats van de definitieve verzoening, zou brengen. En dat is wel gelukt! Dat is wel af gekomen! En zo is de weg open komen te liggen voor het beloofde herstel van de schepping: de nieuwe mensheid op de nieuwe aarde. De hele schepping moest door de engte van Christus' offer op Golgota heengedreven worden.
Dat was de zin van die vernauwing.
De breedte van het begin was vanwege de zondeval zonder belofte.
Ze zou uitlopen en liep ook uit op de vernietiging. Maar pas door de narrow escape van Golgota heen zou er voor de brede schepping een brede toekomst zijn. De problematiek van de schepping zoals die door de val in zonde veroorzaakt was, moest gaandeweg verscherpt aan de orde komen om te laten zien dat de wereld zichzelf niet uit de misère kon halen: de mensheid op de aardbodem kon dat niet, het volk Israel in het land Kanaän kon dat niet, de aan Sion verknochte koning David kon dat niet.
Het kon alleen maar gebeuren door de zoon van God die zichzelf ten offer zou stellen om op Golgota de zonde der wereld te verzoenen en zo de schepping als paradijs weer open te stellen.
De drijvende kracht
Hoe lezen we nu de bijbel? Laten wij ons meenemen door de beweging die erin zit, de drijvende kracht die ons van de breedte via de engte weer bij de breedte brengt? We merken in Genesis 12 dat het perspectief zich vernauwt: na de volkerenlijst van Genesis 10 en de Babylonische spraakverwarring is er de nieuwe inzet met Abraham: 'Ga uit uw land en maagschap en uit uws vaders huis naar het land dat Ik u wijzen zal' (Genesis 12 : 1).
Hebben we door dat hier de weg naar de verlossing van de schepping wordt ingeslagen? In de zegen van Jakob kondigt zich de tweede vernauwing aan: 'Juda, gij zijt het; u zullen uw broeders loven! (Genesis 49 : 8). En bij de scheuring van het rijk blijft inderdaad alleen Juda over. Beseffen wij dat deze concentratie op Juda voor het heil van de wereld nodig is? Voor de overige stammen en voor de volkeren der wereld is er alleen heil inzoverre zij zich op Juda zullen oriënteren.
Na de ballingschap blijft slechts de stad Jeruzalem en zijn naaste omgeving over. Dringt het tot ons door dat het hierbij gaat om het Immanuëlgeheimenis: God met ons uit kracht van de verzoening? Het gaat overduidelijk de smalte in, totdat we in het evangelie bij de drie urige duisternis alleen nog Jezus zien die op Golgota aarde en mensheid met God verzoent.
Hij is de vervulling van Sion (Matt. 12 : 6), de koning van Israël (Joh. 1 : 50) en de Heiland der wereld (Joh. 4 : 42).
En dan, daarna, alsof een pal wordt weggeschoven, gaat het snel de breedte in en zoekt Gods Geest de uiterste einden der aarde op. Dat gaat in de zending nog tot in onze dagen voort. Ik denk dat die beweging naar de breedte toe ons meer ligt dan die welke ons de engte binnenvoert. En toch bereiken we zonder die engte de breedte niet. In die engte ligt precies het centrum van de Schrift: het verzoeningswerk van Jezus Christus: 'Zie het lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt'. Deze concentratie op de verzoening kunnen we onszelf niet besparen. Als wij de bijbel alleen maar gebruiken om de breedte van aarde en mensheid op te zoeken, dan kan het niet anders of we verpanden ons hart aan een oppervlakkig heil. Het zandlopermodel van de Schrift herinnert ons eraan dat de breedte van het heil voor aarde en mensheid uit de diepte van het heilswerk van Jezus Christus moet komen. De apartstelling van Israël heeft daaraan mogen meewerken.
Maar wie deze apartstelling ook voor nu nog zou willen handhaven, die draait bijbels gezien de klok terug. Terecht zeggen de Dordtse Leerregels dat het onderscheid der volken nu weggenomen is (DL III/IV, 7).
Dat is een opmerking van grote bijbel uitlegkundige betekenis.