Het loopt zo'n vaart niet

2000-06-23
  • Jaargang 44
  • nummer 13
'Graafland - hype', dat is wat ik op het mapje geschreven heb waarin ik de knipsels bewaar van artikelen, die naar aanleiding van het artikel dat prof. dr C. Graafland in het blad WAPENVELD (jrg. 50, nr 2) schreef en van het interview dat het Nederlands Dagblad de bekende emeritus-hoogleraar heeft afgenomen (ND, 13 mei 2000), verschenen zijn en nog verschijnen.
'Graafland - hype', dat klinkt niet erg eerbiedig, maar de ervaring leert dat zulk soort geruchtmakende zaken iets opgeklopts hebben en gauw weer inzakken.

Ik denk dat aan de kritische uitlatingen van professor Graafland over de belijdenisgeschriften niet teveel gewicht moet worden gehecht. Deze begaafde Amsterdamse predikant van voorheen, die op de zondagavond in oa de Noorderkerk in Amsterdam zo prachtig de Catechismus wist uit te leggen - ik heb daar zelf zeer goede herinneringen aan - , is en blijft confessioneel, wat hij ook over zijn eigen ontwikkeling zegt. Hij hoeft maar een mond open te doen of je merkt dat. Het geloof van de Reformatie is het zijne.
Ik durf trouwens beweren dat ieder die langs de weg van de Schrift in God en Jezus Christus gelooft, ook al moet hij van confessies niets weten, veel confessioneler is dan hij zelf beseft. De religie van de belijdenis is immers dezelfde als die van de Schrift. Natuurlijk, dat sluit kleine afwijkingen tussen toen en nu en tussen de gelovigen van verschillende kerken, op het punt van de verkiezing bijvoorbeeld of op het punt van de kinderdoop, niet uit, maar dat is peanuts vergeleken bij de hoofdzaak. En die hoofdzaak is klassiek, ontheven aan de wisseling van tijden en modes.

Het vastgebonden stuur
Nu beweert Graafland dat de belijdenisgeschriften de theologische ontwikkeling binnen de gereformeerde wereld blokkeren.
Dat is inderdaad mogelijk.
Toen ik het las kwamen bij mij de herinneringen boven aan mijn eigen geschiedenis in de vrijgemaakte kerk van Wageningen, in de zestiger jaren. Toen ik bij mijn aantreden daar het ondertekeningsformulier ondertekende zei ik tegen de broeders in de kerkenraad: 'Ik hoop dat u mij niet op dit formulier vastspijkert'.
Toen later de kwestie van de Open Brief begon te spelen (die ik nooit ondertekend had, ook niet gevraagd zijnde, maar waarvan ik de ondertekenaars wel verdedigde) en wij in de kerkenraad tegenover elkaar kwamen te staan, herinnerde men zich die opmerking van mij en zij was voldoende om mijn ondertekening van het formulier alsnog voor ongeldig te verklaren. Zo werd mijn afzetting een formaliteit: mijn papieren waren niet in orde. In een impuls van heftige verontwaardiging heb ik toen mijn ambt neergelegd, of beter gezegd: neergesmeten.
Toen ik daar na ingetreden bezinning mijn spijt over betuigde, begon de kerkenraad mij te examineren voor toelating alsnog. De gedane zaak nam zo geen keer. Weinig verheffend allemaal, ook van mezelf. Sinds die tijd ben ik tegen elk ondertekeningsformulier en wil ik de belijdenis slechts met een eenvoudige handtekening onderschrijven.
Een juridische binding aan de belijdenis via een formulier vind ik, gelet op de ouderdom van die geschriften, ethisch ongeoorloofd.
Zoals aan de Schrift zit er ook aan de belijdenis een rand van onzekerheid die ruimte schept voor beargumenteerde discussie. Neem je die ruimte weg dan dwing je degenen wier taak het is over de leer van de kerk na te denken, met een vastgebonden stuur te fietsen.

Beslistheid en souplesse
Dat heb ik sindsdien dan ook niet gedaan. Ik heb zelfs wel eens 'loshandje' gefietst. Nu is het wel waar wat Graafland zegt, dat degenen die wel eens iets geprobeerd hebben dat tegen de belijdenis inging, direct teruggefloten werden en dat is mij ook wel overkomen, maar toch kan ik zeggen dat er in onze Nederlands Gereformeerde Kerken een sfeer bezig is te ontstaan (laat ik voorzichtig zijn!) die waar het de binding aan de belijdenis betreft gekenmerkt wordt door een samengaan van beslistheid en souplesse.
Er kan echt wat in onze kerken. Laat ik als enig voorbeeld hiervan wijzen op de sympatiekkritische studie over de Dordtse Leeregels die drs H. Smit in het kader van de Theologische Studiebegeleiding gemaakt heeft en die later gepubliceerd is in het gedenkschrift bij het vijfentwintigjarig bestaan van de TSB (Begeleidend Schrijven, Amsterdam, 1994, p. 136ev). Wanneer nu Graafland daarop zou reageren met te zeggen dat onze kerken dan ook niet meer als zuiver gereformeerd bekend staan in de kerkenfamilie van 'klein rechts', en wel terecht niet, volgens de Drie Formulieren van Enigheid, dan zou ik hem toch eens willen vragen wat in zijn ogen nu precies het gereformeerde uitmaakt. Zijn dat de belijdenisgeschriften zelf of is dat het ondertekeningsformulier dat deze geschriften teveel canoniseert en afwijking-op-onderdelen daarvan te moeilijk maakt?
Trouwens, heeft prof. Graafland zelf zich wel iets aangetrokken van dat ondertekeningsformulier toen hij zijn mooie studie over de verkiezing in het licht gaf (Van Calvijn tot Barth, Boekencentrum 1987)? En hield hij daardoor op gereformeerd te zijn? Ja, misschien bij zijn directe achterban wel, en de vrijgemaakten waren er ook niet zo blij mee, maar je kunt beslist niet zeggen dat Graafland in de gereformeerde kring het vertrouwen dat men hem gaf verloren heeft.
Hij heeft volgens velen niet anders gedaan dan gebruik maken van de ruimte die de belijdenis zelf hem in art. 7 van de NGB bood. Laat ik hem hier eens bedanken voor dat mooie boek, dat mij bij mijn nadenken over de verkiezing fijn geholpen heeft.

Niet te somber?
Is dus Prof. Graafland niet te somber in zijn analyse?
Het is waar dat er tot dusver op het gereformeerde front van vernieuwing weinig te zien is geweest.
Persoonlijk ben ik daar niet zo rouwig om. In een tijd waarin iedereen over vernieuwing de mond vol heeft, terwijl datgene waar men dan mee aankomt helemaal geen verbetering is, ben ik wel blij met voorzichtigheid op dat punt. Zelfs het opzettelijk zoeken naar vernieuwing vind ik verdacht (want modisch). Ook vind ik het geen bezwaar dat sommige afwijkingen van de belijdenis geen 'blijvertjes' blijken te zijn (zoals bijvoorbeeld het door ds Telder voorgestelde tav zondag 22 van de Catechismus in zijn boek 'Sterven ... en dan?', Kampen, 1960), want dat behoort bij de discussie en zulke aanzetten kunnen bovendien leiden tot wat wel degelijk echte vooruitgang betekent.
Maar dat alles is nu even het punt niet. Want behalve dat Graafland zegt dat hij niet veel ontwikkeling gezien heeft in de gereformeerde theologie, beweert hij ook dat die ontwikkeling onmogelijk is. En daarop slaat mijn vraag of hij niet te somber is in zijn analyse.

Geen blok aan het been maar stimulansblok aan het been
Ik heb een andere opvatting van en ook een andere ervaring met het gereformeerde.
Ik ben echt wel eens kritisch bevraagd over de kritische dingen die ik over een overdreven binding aan 'Schrift & Belijdenis' schreef. Zeer terecht, dat narekenen, vind ik. Maar nooit (nou ja, bijna nooit) heb ik in mijn Nederlands Gereformeerde Kerken een sfeer ontmoet die star en rigoureus het ondertekeningsformulier tegen mij in stelling bracht.
Roem ik hier in 'mijn' kerk? Laat ik eerlijk zeggen dat ik die verleiding aardig goed kan weerstaan, zoveel roemruchts is er niet te melden.
Anderen buiten ons schijnen dat ook te vinden, want erg serieus neemt men ons niet, zeker theologisch niet. Dus roemen in 'mijn' kerk? We worden nogal kleintjes gehouden.
Maar wat er goeds aan is, daar wil ik toch dankbaar van gewagen: Wij voelen ons in onze Nederlands Gereformeerde Kerken door de belijdenisgeschriften zeker niet gehinderd maar veeleer enorm geholpen en gestimuleerd om tot de Schrift zelf door te dringen. En wat nog even mijzelf betreft, nu ik in mijn emeritaat meer preken dan vroeger hoor, constateer ik hoe sterk, ook in vergelijking met mijn collega's, de confessie in mijn prediking aanwezig is. Ik kom er nogal eens in positieve zin mee aan, zo voor de gemeente staande. Ze functioneren dus echt bij mij, die geschriften. En echt, dat wil voor mij zeggen: meer inhoudelijk dan formeel.

Gearticuleerd
Waar Prof. Graafland voor pleit zie ik dus niet geheel afwezig. Wel zou ik hem in overweging willen geven om bij kritiek op de belijdenis zo concreet mogelijk te blijven. Man en paard graag: dit en dat en dat. Zoals hij nu met name in WAPENVELD geschreven heeft, vind ik het te globaal. En een zin daarin als: 'Doordat de belijdenissen neerslag zijn zowel van Schriftinhoud als van tijdgerichte verwerking daarvan, zien wij in de voortgang van de tijd zowel het blijvend gezaghebbende als het beperkte tijdgebonden zijn van de belijdenis steeds duidelijker aan het licht komen', is mij te vaag. Het zal Graaflands bedoeling niet zijn, maar met dit soort zinnen maakt hij vrees ik krachten los die maar beter vastgebonden kunnen blijven. De confessie heeft er recht op gearticuleerd bestreden te worden, als daar aanleiding toe is. Het mag vreemd klinken, maar dat verhoogt haar gezag. Het leidt ook meer tot een gesprek met haar dan tot een praten over haar. Ook kun je dan fijn duidelijk maken dat je vanuit een geestelijke verbondenheid met het geheel het betreffende onderdeel kritisch benadert.
Dus eigenlijk herinner ik professor Graafland bij dit punt aan wat hij zelf in het interview vertelt van die gereformeerde-bondsdominee die trouw de catechismus preekt maar zich tegelijk gedrongen voelt regelmatig vanuit de bijbel correcties aan te brengen. Kijk, dat herken ik nu helemaal.
Zo heb ik het zelf ook altijd proberen te doen. 'Er ging bijna geen zondagsbehandeling voorbij of...'? Nee, zo hoog liep het bij mij niet, maar van tijd tot tijd?Jazeker! En ook mijn ervaring was en is dat dit aan het gezag van de belijdenis niet af maar juist toe doet. En dat laatste verdient ze, want laten we wel wezen: ik ken geen bondiger weergave van de hoofdinhoud van de Heilige Schrift dan juist die drie formulieren van enigheid. Waarom laat Graafland het eigenlijk niet bij wat hij van zijn gereformeerde-bondscollega vertelt?

Mijn kerkelijke 'ouders'-kerkelijke 'ouders'
Laat ik besluiten met in confessionele taal te zeggen hoe ik over de belijdenis denk. 'Wat wil God in het vijfde gebod? Dat ik mijn vader en mijn moeder en allen die over mij gesteld zijn, alle eer, liefde en trouw bewijze, en mij hunner goede leer en straf met behoorlijke gehoorzaamheid onderwerpe, en ook met hun zwakheid en gebreken geduld hebbe, aangezien het Gode belieft ons door hun hand te regeren' (Heidelbergse Catechismus, Zondag 39).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief