IJslands duizend jaar (1)

2000-06-23
  • Jaargang 44
  • nummer 13
Morgen, 24 juni 2000, is het precies duizend jaar geleden dat de IJslandse Volksvergadering, het Althing, op de vlakte van Thingvellir het christendom als nationale godsdienst aanvaardde. Beelden van Odin en Thor (Wodan en Donar) werden in een waterval gesmeten. Begin juli wordt dit feit op dezelfde vlakte van Thingvellir herdacht met een groots festival. Naar aanleiding van een interview dat Pieter van Kampen met mij had voor de E.O., verzocht de redactie van Opbouw mij over de kerstening van IJsland een artikel te schrijven. Als herdichter van de Passieliederen van de IJslandse predikant Hallgrimur Pétursson (1614-1674) ken ik IJsland (uit de boeken). Wie (veel) geld heeft kan ik een bezoek aanraden. Zelf mag ik het feest bijwonen als gast van de lutherse bisschop.

Een raaf vliegt uit
IJsland is een land van contrasten: witte gletschers en spuitende geisers, ijsbergen voor de kust en warmwaterbronnen in het binnenland, grauwe lavawoestijnen en een feest van kleuren, zodra de zon door de wolken breekt. Als kind dagdroomde ik ervan. De eerste bewoners waren Ierse kluizenaars, die er boeken, klokken en kromstaven hebben achtergelaten.
De eerste kolonisators kwamen uit het westen van Noorwegen: Noorse boerenvorsten die het niet eens waren met de politiek van Harald Schoonhaar, die alle macht naar zich toetrok.
Bekend is het verhaal van Flóki, die zich met personeel, have en goed inscheepte, op zoek naar nieuw land. Hij zond drie raven uit: de eerste keerde naar Noorwegen terug, de tweede naar het schip, de derde vloog voor hem uit en wees hem de weg naar IJsland (de raaf was de vogel van Odin, de Germaanse oppergod). Hij bleef er niet, latere pioniers wel.
Toen de eerste kolonisten uit Noorwegen zich er tegen het einde van de negende eeuw hadden gevestigd, volgden ook anderen uit de Vikingenstaatjes in het Noord-Atlantische gebied: Schotland, Ierland, Noord-Engeland, de Shetlandeilanden, de Orkneys en de Faröer-eilanden. De kolonisators uit deze gebieden waren zelf Noormannen, maar ze namen hun Keltische slaven mee en vaak waren ze ook getrouwd met Keltische vrouwen.
Dit verklaart het literaire talent van de IJslanders door de eeuwen heen: de oude Germaanse verhalen, die spelen in Skandinavië en het Duitse Rijnland, zijn voor het eerst op IJsland opgetekend.
Wie 'IJsland' zegt, denkt dan ook in de eerste plaats aan literatuur: de oude Edda (1) en de vele sagen over de IJslandse kolonisators en hun directe nakomelingen.
De IJslander beschouwt- zichzelf als een cultuurmens: zijn betrokkenheid op de taal is kenmerkend. Een béétje IJslander schrijft gedichten en weet ze ook nog gepubliceerd te krijgen. Als ik er zou wonen, zou ik er absoluut niet opvallen: historie, poëzie en literatuur behoren er tot de gewone gespreksstof.

Bisschop Gijsen
Heel anders is dat met het geloof: een IJslander spreekt nooit over godsdienstige onderwerpen.
Een buitenlander die erover begint, wordt onmiddellijk naar de bisschop doorverwezen. Meer dan 90% van de bevolking (van 275.000 zielen) is luthers; atheïsme is er vrijwel onbekend. Men verlaat de kerk nooit, zelfs als men er nooit een stap binnenzet.
De IJslander is religieus, maar niet gelovig. De katholieke bisschop Gijsen, die tegen het eind van de 20e eeuw Roermond voor Reykjavik verwisselde, schreef mij hierover: ‘Voor zover ik het kan zien, is de IJslander doorgaans een religieus-voelend mens. Dat vindt zijn grond in zijn nabijheid van de grandioze natuur van het eiland. Daarin vermoedt en voelt hij de aanwezigheid van een grote God. Het christendom heeft hij meegekregen vanuit de geschiedenis en vooral de beschrijvingen hiervan, zoals hij die op school leerde. Ook vindt hij in de dagelijkse gang van het leven nog heel wat vanuit de christelijke traditie bepaalde gewoonten.(bijvoorbeeld: het gedenken van Jezus' lijden, dood en verrijzenis, dat publiek nog steeds aandacht krijgt.’ Gijsen vervolgt: ‘De IJslander is wel gedoopt, ontvangt de 'confirmatie' (een bevestiging van zijn geloof), trouwt in de kerk en wordt vanuit de kerk begraven. Maar innerlijk hebben de meeste IJslanders nauwelijks een binding met de Kerk en de liturgie. Deze lutherse liturgie vertoont nog veel 'katholieke' trekken. Men viert vaak het Avondmaal.
Men volgt de liturgische kalender van de Kerk uit 1500. Er zijn vaak godsdienstoefeningen, maar het bezoek hiervan is zeer miniem. Het denken en leven wordt veel meer door een algemeen christelijk-humanistisch aanvoelen bepaald. Men wil echter 'christen' heten en men viert met overtuiging het eerste millennium van de aanvaarding van het christelijk geloof in een grootse plechtigheid in Thingvellir (op 1 en 2 juli).’

De Vrijstaat
De aanvaarding van het christendom als nationale godsdienst op 24 juni van het jaar 1000 heeft de eenheid van het land gered. Op het Althing van dat jaar (zeg maar: het parlement) stonden twee groepen hoofdboeren diametraal tegenover elkaar.
IJsland was op dat moment een Vrijstaat, al onderhielden de IJslanders goede betrekkingen met het Noorse moederland, in het bijzonder met het hof. Jonge, veelbelovende IJslanders voeren naar Noorwegen, boden voor een paar jaar hun diensten aan de Noorse koning aan en keerden dan, vaak beladen met roem, terug. Op IJsland zelf werd het gezag uitgeoefend door de hoofdboeren, de directe afstammelingen van de eerste kolonisators. Zij oefenden niet alleen de wereldlijke macht uit, maar ook de geestelijke macht, omdat op hun erf de tempeldienst werd verricht. Ze waren òf zelf priester òf ze hadden een priester in dienst, en zij waren het die de tempelbelasting inden. Geschillen onderling werden behandeld op regionale ding-vergaderingen en één keer per jaar kwam men op de grote vlakte van Thingvellir samen voor het nationale Al-ding (Althing in het IJslands).
Daar werden geschillen bijgelegd, recht gesproken en wetten uitgevaardigd.
Omdat men het schrift nog niet kende, moest de Wetspreker alle wetten uit zijn hoofd kennen en jaarlijks op het Althing reciteren. IJsland had in het jaar 1000 de meest uitgewerkte en 'verfijnde' jurisprudentie van heel Europa. Het zou nog honderd jaar duren voordat deze wetten op schrift zouden worden gesteld! Het Althing had een belangrijke taak bij het inperken van de bloedwraak. Als je de oude sagas leest, zie je hoe gretig de IJslander van die dagen naar het zwaard greep om niet alleen een moord, maar ook een belediging - en soms zelfs een spotdichtte wreken.

In de Tang (brand)
Intussen was in Noorwegen Olaf Tryggvason aan de macht gekomen: een koning die desnoods geweld gebruikte om zijn onderdanen tot het christendom te bekeren. Hij zond ook zendelingen uit naar IJsland, waarvan Thangbrandur de bekendste is geworden.
Thangbrandur moest ieder ogenblik voor zijn leven vrezen, maar zag er ook zelf niet tegenop een tegenstander van zijn prediking om het leven te brengen. De oude hoofdboeren, de directe afstammelingen van de eerste kolonisten, verzetten zich hevig tegen zijn 'evangelie': wanneer de Kerk het op IJsland voor het zeggen zou krijgen, zouden zij hun geestelijke macht en het recht op inning van de tempelbelasting verliezen. Nieuwe hoofdboeren voelden echter wel iets voor het nieuwe geloof: het zou IJsland nieuwe mogelijkheden bieden en uit z'n betrekkelijke isolement verlossen.
Het schrift en betere handelsbetrekkingen met het continent behoorden tot de voordelen die het nieuwe geloof te bieden had. Onder deze groep vond Thangbrandur de meeste aanhangers.
Maar de tegenstand was te groot: Thangbrandur moest vluchten en keerde met een sip verhaal naar de Noorse koning terug.
Olaf ontstak in woede en verbood alle IJslanders aan zijn hof naar hun land terug te keren, zolang de IJslanders het christelijk geloof niet hadden aanvaard. Zo werden veelbelovende jongemannen als Kjartan Olafsson, de hoofdpersoon uit de Laxdaela-saga (2) zijn gijzelaars, met wie hij overigens vriendschappelijk bleef omgaan.
Twee van deze mannen, Hjalti en Gizur, boden aan naar IJsland te gaan en op het Althing van dat jaar (het jaar 1000) het volk namens de koning toe te spreken. Maar toen het Althing begon, dreigde een burgeroorlog. Twee groepen stonden daar op Thingvellir tegenover elkaar: de aanhangers van het oude geloof, die de oude zeden en wetten wilden handhaven, en de aanhangers van de nieuwe godsdienst, die alleen nog christelijke wetten erkenden en de rechtsgemeenschap met de anderen opzegden. Men begreep heel goed dat in geval van een burgeroorlog de Noorse koning de macht op IJsland zou overnemen. De nationale zelfstandigheid was in het geding.
IJsland zat in de tang.

(Wordt vervolgd)

Noten:
1. Edda, Nederlandse vertaling door Marcel Otten, bij Ambo in Baarn.
2. Laxdaela-saga, Ned. vert. door J.van Ham: De bewoners van het dal der zalmrivier (alleen nog tweedehands verkrijgbaar).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief