Meewerken ten goede (1)

2000-06-23
  • Jaargang 44
  • nummer 13
Een paar weken terug kwam op een informele bijeenkomst van predikanten en echtgenotes uit de regio Utrecht de tekst uit Romeinen 8 ter sprake‘dat God alle dingen doet meewerken ten goede voor hen die geloven’. Als pakkende illustratie werd Jozef genoemd, die je in de geest van Romeinen 8:28 hoort zeggen: ‘Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, ten einde te doen, zoals heden het geval is: een groot volk in het leven te behouden’ (Genesis 50:20). Jozef is zeker niet de enige in wie je dit woord van Paulus ziet weerspiegelen, maar het scherpst en met de grootste gevolgen herken je het in onze Heer en zijn lijden.
Je hoort vanuit de verte zelfs het motief van de Jozef-geschiedenis terug uit de mond van de eerste getuigen: ‘Gij (de joodse leiders) hebt Hem gedood, maar God heeft Hem opgewekt’ (Handelingen 2:23,24; 3:15; 4:10; 10:39,40; 13:27-30).

En net als toen bij Jozef doet God meer dan alleen iets rechtzetten van wat door mensen is kromgebogen.
Petrus en Paulus betuigen namelijk dat ‘door Hem, de gekruisigde en opgestane Heer vergeving wordt verkondigd’ (Handelingen 2:38, 5:31, 10:43, 13:38). Misschien gaat het wat te ver om te zeggen - in alle eerbieddat God het kwaad voor de kar van zijn heil spant, maar wel zie je de Here op belangrijke kruispunten van het heil opvallend dynamisch op het kwaad reageren, met grote winst voor zijn Rijk. Ons ten goede - dankzij Christus. Dat als eerste.
Zit er misschien nog meer in, denk je dan - in de zin dat Gods werkwijze voor ons als een voorbeeld zou kunnen gaan werken. Dat Gods aanpak ons prikkelt om op verwante wijze te reageren op dat wat niet goed is - of zelfs radicaal verkeerd. Dynamischer, omdat God zich immers niet beperkt tot een min of meer statische opstelling tegenover het verkeerde, maar juist in de dood en opstanding van onze Heer laat zien dat zijn reactie op het kwaad zoveel dynamischer is.
Wat betekent dat voor onze reactie op de dingen die niet goed zijn - of erger. Voor ons als navolgers van God, zoals Paulus ergens zegt (Efeze 5:1).

Slepend
Ik dacht vanuit dat gesprek op de coetus aan onze binnenkerkelijke discussies over huwelijk en samenwonen, die dan hier, dan daar gevoerd worden. Daar is plaatselijk en soms regionaal veel tijd en energie in gestoken.
En we zijn er nog niet van af. In het vorige nummer van Opbouw typeerde ik het verschijnsel van het ongehuwd samenwonen, in vergelijking met de problematiek rond homofilie en euthanasie, als een weliswaar lichter, maar slepend probleem.
Slepend dus. Daar klinkt in mee dat de jaren gaan tellen in onze discussies, met als gevolg een zekere vermoeidheid of irritatie. ‘Moeten we het daar nu al weer over hebben’ is geen vreemde reactie, als je terugkijkt op meer dan een decennium van pastorale gesprekken, discussies op kerkenraden, gemeentevergaderingen, verschenen boekjes en een aantal plaatselijke herderlijke schrijvens.
En dat alles, zonder dat het veel veranderd heeft aan de situatie - zo is mijn indruk.

Leven en leer
Neem als eerste de praktijk.
Ik schat in, dat in de loop van de negentiger jaren eerder meer dan minder jongeren onder ons hun relatie hebben opgezet volgens een soort twee-fase-model: de eerste fase is officieus en vaak parttime samenwonend (weekends, vakanties), gevolgd door de officiële tweede fase, na bevestiging door overheid en kerk. Aan de andere kant zal ook ‘de theorie’ in die jaren weinig veranderd zal zijn. Ik zou er net als tien jaar geleden van opkijken, wanneer ik uit de mond van een hartelijk christen een pleidooi zou horen voor die eerste fase van het ongehuwd samenwonen (ik ben diep in mijn hart zelfs wel een beetje nieuwsgierig naar zo’n pleidooi). De grote meerderheid onder ons zal wel beamen, dat erbijbels gezien - veel te zeggen is voor een recht-toe-recht-aan aanloop naar het huwelijk. Alleen ... wie in de armen van Venus is gevallen, denkt daar niet zelden (voor een tijdje?) anders over. Of doet gewoon en denkt weinig, misschien wel vrij argeloos, omdat bijna iedereen het tegenwoordig zo aanpakt. En weer een ander vindt het moeilijk om een weg te vinden, met wat regels en verbodjes in het achterhoofd, maar zonder al te veel constructieve begeleiding van thuis en kerkelijke gemeente. Ten derde zal ik er ook niet ver naast zitten als ik zeg dat voor menig predikant en kerkenraad het ongehuwd samenwonen is als een luis in de pels. Want op allerlei momenten in het kerkelijke duikt het weer op. Moet je b.v. zo’n samenwonende aanloop op één of andere manier niet verdisconteren in de huwelijksdienst, maar hoe dan? Of wat moet je aan met samenwonenden die uit elkaar gaan of dreigen te gaan? Reageer je dan, als ging het om een verkering - na een misse weer een frisse. Of is een advies richting het Stagg op zijn plaats om te zien of deze officieuze, maar niettemin levenslang bedoelde relatie, nog te redden is. En hoe reageer je op de vraag van iemand die - al samenwonend - belijdenis van zijn geloof wil afleggen? En wat moet je aan met iemand die na een stukgelopen samenwonen in dezelfde geest met een ander opnieuw begint. Al rondtollend in dit soort kwesties denk je dan al gauw: ben ik op dit punt niet een ouderwetsig mannetje geworden, in de greep geraakt van een soort van moralisme, waar je juist in de kerk zo deksels voor moet uitkijken?
En schreef ik niet dat samenwonen vergeleken met iets als euthanasie toch echt van een andere orde is? Nou dan, til ik niet gewoon te zwaar aan deze zonde der jeugd(?) ....

Winst
Best mogelijk dat u (of jij) als lezer wel iets van bovenstaand getob herkent en begrijpt. Maar nu wend ik de steven en laat deze sombere kant van het item voor de rest van mijn geschrijf achter me, want er is ook een lichtere zijde. Dan denk ik aan de winst, die al die gesprekken en discussies van de afgelopen jaren hebben opgeleverd. En dat niet op één punt, want het verschijnsel ‘ongehuwd samenleven’ hangt met veel samen en geeft in menig opzicht stof tot denken. Het raakt ons mens-zijn als persoon en de keuze’s, die ieder te maken heeft, maar tegelijk leef je tot in de meest persoonlijke keuze’s voor het aangezicht van God en verbonden met familie en vrienden. En wil je nog iets verder om je heen kijken - ‘samenwonen’ heeft ook alles te maken met onze samenleving, de overheid en niet minder met de christelijke gemeente. Het vraagt om verdere uitwerking, maar als goede vruchten van gevoerde gesprekken noem ik al vast: meer antenne voor onze leefwereld, gegroeide zelfkritiek, meer oog voor de leegte in het relationele (in en buiten de kerk), verdiept inzicht in de bijbelse noties over huwelijk en gezin, meer besef van hoofdzaken en bijzaken in het christelijk geloof en leven, verbreding en verdieping van het pastorale werk, bewustere keuze voor het huwelijk en de trouwdienst en misschien nog wel meer. Daarbij zeg ik niet dat je deze goede vruchten ook niet in andersoortige gesprekken kunt oogsten. En ik zeg nog minder dat dat moois automatisch opborrelt uit de discussies over samenwonen of in de knoestige werkelijkheid voor het oprapen ligt, maar wel dat er winst kan worden geboekt. En dat je, bij het zien van deze lichtzijde van de zaak, verlost wordt van de gedachte dat al het gedoe rond ‘samenwonen en zo’ alleen maar verliesgevend voor het Koninkrijk is.

Fundering
De eerste winst is binnen, zo lijkt me, als je merkt dat er in het leven klemmender vragen zijn dan die rond huwelijk en samenwonen. Samenwonen is geen kwestie van leven en dood, zoals euthanasie, abortus of zelfdoding. Alleen dat gegeven al kan de boog van een discussie of een gesprek wat ontspannen.
Misschien komt er zo ook ruimte om door te stoten naar de diepste laag van ons mens-zijn. Want in die diepste laag gaat het om de vraag of ik (en de ander) wil leven in het hartelijk besef van Gods aanwezigheid. Iets van wat Jezus ons ergens voorhoudt: "Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige en waarachtige God en Jezus Christus de Gij gezonden hebt" (Johannes 17:3).
Dat is de diepste laag. Als je bij een bespreking over huwelijk en samenwonen dit centrale voor ogen krijgt en daarna ook voor ogen houdt, is de eerste, grote winst binnen.
Het betekent concreet, dat je in een pastoraal gesprek op een gegeven moment maar beter de kwestie van het samenwonen kunt laten rusten om het vervolgens te hebben over de vraag wat het betekent om te leven voor Gods aangezicht. Dat geeft je de kans om eerst samen te werken aan de fundering in geloof, want als daar geen gemeenschappelijkheid is, zal een gesprek over het ethische gedoemd zijn te mislukken.
Hoe wankeler die fundering bij de ander oogt, des te meer reden is er om deze move te maken. Ik denk dan aan mensen die zijn gaan samenwonen, voordat ze tot een duidelijke geloofsbeslissing zijn gekomen.
Of aan levenspartners, waarvan maar één van de twee christen is - en dat soms nog onzeker ook.
Dan is er alle reden om naar de basis van het christelijk geloof terug te keren in een gesprek van hart tot hart. Eigenlijk doe je dan iets wat Paulus geregeld praktiseert in zijn brieven, namelijk dat hij van een concrete kwestie doorloopt naar het fundering en naar aanleiding van iets als het eten van offervlees uitkomt bij: "als wij leven, het is voor de Here, als wij sterven, het is voor de Here" (Romeinen 14:8)..

Voordeur/achterdeur
Dicht tegen het voorgaande aan ligt de vraag hoe je in iemands leven binnenloopt - via de voordeur of de achterdeur. Ik herinner me één van de puntige pastorale stukjes uit de pen van Henk Algra in een Opbouw van een paar jaar geleden. Hij schreef over een jongen van even in de twintig, die op kamers was gaan wonen. Alle reden dus om als ouderling eens bij hem op bezoek te gaan, te meer omdat hij niet al te strak aan de gemeente vastzat. Maar er kwam pas een ouderling op bezoek, toen hij na een tijdje verkering ging samenwonen met zijn geliefde. Ongetwijfeld was dat ouderlingenbezoek ook bedoeld, om het gesprek over de gekozen leefwijze aan te gaan. De boodschap van Algra’s stukje was duidelijk: dit kan natuurlijk niet. Het is binnenlopen via de achterdeur, terwijl je nog nooit een keer via de voordeur bent binnengekomen.
En daarbij is de voordeur de deur van het geloof en de achterdeur die van het ethische. Als je ziet hoe Jezus bij de mensen binnenkomt, dan is dat altijd via de voordeur.
Denk aan iemand als Levi, die door de Heer geroepen wordt in de navolging. Hoe anders was het geweest als Jezus hem had aangesproken op zijn dubieuze belas tingpraktijken, zelfs al was het uiteindelijke doel van de Heer geweest om de tollenaar via die achterdeur weg te krijgen bij zijn handeltje. Maar Jezus komt binnen via de voordeur (volg mij) en raakt Hem met zijn uitnodiging in het hart.
Juist de discussies rond huwelijk en samenwonen hebben mij - met enige schade en schandegeleerd dat de voordeur van het geloof de ingang is. Neem die deur - hoe eerder hoe beter - ook al staat de achterdeur van het ethische in het geval van samenwonen - om zo te zeggen - wagenwijd open.
De volgende keer verder.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief