Relationele gebondenheid
2000-09-01
Cartoonist Peter van Straten tekende ooit twee bejaarde vrouwen uit. De één zei tegen de ander: "Nou ben je 80 en je bent nog altijd met je moeder bezig." Dat cartoon kwam weer bij me boven toen ik nadacht over de inhoud van een recent verschenen boek over ‘relationele gebondenheid’.- Jaargang 44
- nummer 18
Het heet ‘Van moeten naar mogen’ en is geschreven door Nancy Groom.
Het boek verscheen in de serie "Pastoraat en Toerusting’ bij Novapress (Navigator Boeken). In drie bijdragen in ‘Opbouw’ wil ik nader ingaan op de inhoud van dit boek. In de eerste twee delen wordt vooral de inhoud van het boek gevolgd, in het derde deel worden enkele kritische kanttekeningen geplaatst. Welke opleiding Nancy Groom volgde wordt overigens uit het boek niet helemaal duidelijk.
Er wordt vermeld dat ze aan het Calvin College in Grand Rapids heeft gestudeerd en dat ze daarna docente Engels en godsdienst was aan een middelbare school. Daarnaast gaf ze leiding aan o.a. bijbelstudiegroepen en zelfhulpgroepen. Op het gebied van pastoraat en psychologie lijkt ze vooral een ervaringsdeskundige te zijn. Haar visie op ‘relationele gebondenheid’ werd aanvankelijk gevormd door haar eigen levenservaringen.
Wat is relationele gebondenheid?
Het begrip ‘relationele gebondenheid’ komt voort uit de zorg voor mensen met een verslaving. In het Engels spreekt men van ‘codependency’, oftewel: mede-afhankelijkheid. Als één lid van het gezin verslaafd is, lijden de andere gezinsleden mee. Ze passen hun gedrag aan, teneinde de leefwereld binnen het gezin nog enigszins leefbaar te houden. De kinderen in het gezin zeggen niets over de alcoholverslaving van de moeder, want dan heb je ruzie in huis. De vader zorgt er voor dat er eten op tafel komt als moeder niet meer in staat is om eten te koken. De oudste dochter regelt de schoolgang van het jongste kind. In feite leidt dit ertoe dat de andere gezinsleden ook verslaafd raken; niet aan de alcohol, maar aan het gedrag van hun moeder.
Ze kunnen niet meer anders dan zichzelf aanpassen. Zo ontstaan er patronen van mede-afhankelijkheid, van relationele gebondenheid, die, zo zegt men –hoe triest het ook klinktop hun beurt weer de verslaving van de ‘hoofdpersoon’ in stand houden.
Breder toepasbaar
Hoewel het begrip ‘relationele gebondenheid’ uit de verslavingszorg voortkomt is het breder toepasbaar. In veel gezinnen gaan mensen op een relationeel gebonden manier met elkaar om. Daarom moest ik, bij het lezen van het boek van Nancy Groom, ook denken aan dat cartoon van Peter van Straten. Die vrouw van 80 jaar oud die zich in haar gedrag nog altijd laat leiden door haar inmiddels overleden moeder…. Ze wil in de kerk geen gezang zingen, want daar was haar moeder ook tegen. Ze borduurt een kleedje, maar ze vraagt zich af of haar moeder het wel goed zou hebben gevonden. Ze kijkt zelfs niet op Koninginnedag naar de televisie, want haar moeder vond dat een ‘duivelskastje’.
Deze vrouw heeft dus geen eigen keuzen leren maken, ze laat zich nog altijd leiden door de opvattingen van haar moeder, aan wie ze relationeel gebonden is.
Ook in gezinnen waar geen sprake is van verslaving aan bepaalde ‘middelen’ kan toch een patroon van relationele gebondenheid ontstaan. Mensen gaan op een bepaalde manier met elkaar om, omdat die manier het minste pijn doet. Er is dus geen sprake van een eigen keus, maar slechts van ‘overleven’. "Ik zeg maar niet tegen mijn man dat hij wat vaker thuis moet zijn, want dan zijn de rapen pas echt gaar". "Als ik maar precies doe wat mijn vader zegt heb ik de minste kans op ruzie". "Als ik maar nooit tegen mijn moeder inga is het hier in huis tenminste nog een beetje leefbaar."
Bijzonder vriendelijk
Volgens Nancy Groom ontwikkelen veel kinderen van jongs af aan patronen om in het gezin waarin ze opgroeien te kunnen overleven. Zo introduceert ze Robert, "een oudere man met een zachtmoedige geest" (75). Hij schoot er zijn hele leven in tekort om het zijn veeleisende vader naar de zin te maken. "Als tegenwicht voor de pijn die hij leed omdat hij niet in staat was de bevestiging van zijn vader te ontvangen werd Robert bijzonder vriendelijk, waarbij hij zijn integriteit opgaf om de bevestiging van anderen te ontvangen." Als er ergens iets fout ging nam Robert direct de schuld op zich. Dat deed hij op zijn werk, maar ook in zijn gezin.
Zijn motto was: ‘vrede gaat voor alles’. Die vrede ging ook ten koste van hemzelf: hij liet gewoon over zich heen lopen.
Of neem nu Sally, een vrouw die als kind emotioneel ernstig tekort kwam en nu de zorg voor dertien invalide mensen in haar kerkelijke gemeente op zich heeft genomen.
De verhalen van Robert en Sally klinken ons als christenen positief in de oren. Iemand die zó zachtmoedig is, dat móét toch wel een voorbeeldig christen zijn….. Leert de bijbel ons niet dat we nederig, zachtmoedig en vriendelijk en behulpzaam moeten zijn? Nancy Groom zegt niet dat het verkeerd is om aardig te zijn, maar dat sommige mensen vriendelijk zijn om daarmee te voorkomen dat ze door anderen worden afgewezen (206). Ze legt daarmee de vinger bij een mogelijk bijzonder zere plek.
"Robert kwam nederig en opofferend over, maar in werkelijkheid was hij bijzonder kwaad. Hij richtte zijn nieterkende woede naar binnen, waarbij hij ervan overtuigd raakte dat hij waardeloos was." Door steeds direct en bij voorbaat fouten te erkennen kon Robert voorkomen dat anderen boos op hem werden. Omdat hij zo negatief over zichzelf dacht durfde hij echter ook geen taken op zich te nemen. Een bijbelkring leiden? Een diaconale taak in de gemeente? Daar had hij toch geen gaven voor?
En Sally? "Zich onbewust van het feit dat ze nooit geknuffeld werd komt ze nu tegemoet aan de behoefte aan intimiteit door voor al die gehandicapte mensen te zorgen. Als iemand haar prijst zegt ze: ‘Ik zou zoveel méér hebben kunnen doen’. Haar woorden klinken bescheiden, maar ze komen voort uit het negatieve beeld dat ze van zichzelf heeft. Ze hoopt heimelijk dat iemand haar zal tegenspreken en dat ze toch bevestiging zal ontvangen" (45).
Herhaling van zetten
Eén van de trieste aspecten van problemen in gezinnen is dat ze heel vaak leiden tot een herhaling van zetten.
Als de kinderen eenmaal volwassen zijn blijven ze gebonden aan hun jeugd. Onder het mom van ‘dit zal me nooit meer overkomen’ worden ze juist opnieuw het slachtoffer van wat hen in hun jeugd is overkomen.
"Emoties die in de kindertijd werden beschadigd gaan niet vanzelf weg, ze verdwijnen slechts naar de achtergrond.
Als iemand zijn kindertijd heeft doorgebracht temidden van alcoholisme, misbruik of emotionele verwaarlozing vormt dit zijn zelfbeeld en zijn opvatting van wat een normaal gezinsleven is. Onbewust worden mensen ertoe gedreven wat zij hebben meegemaakt te herhalen, zelfs als ze geloven dat iets anders voor hen beter zou zijn" (18). Nancy Groom schrijft hier (ook) uit eigen ervaring. Haar vader was een alcoholist en na enige jaren huwelijk bleek dat haar eigen man eveneens alcoholist was geworden (27, 107). Een dochter van een mishandelende vader trouwt niet zelden met een man die haar (ook) mishandelt. Kinderen van gescheiden ouders nemen zich vaak heilig voor om hún huwelijk niet stuk te laten lopen, juist voor hen is de harde realiteit helaas vaak zeer weerbarstig.
Een vader die met iedere predikant overhoop ligt en uiteindelijk met ruzie de kerk verlaat. De zoon overkomt een generatie later precies hetzelfde, ook hij botst met iedere predikant ruzie en stapt uiteindelijk op. In de volgende gemeente is het binnen enkele jaren opnieuw mis.
Emotionele problemen worden vaak van geslacht op geslacht doorgegeven, …..’tot in de derde of vierde generatie’……
Relationeel gebonden
Volgens Nancy Groom ontwikkelen kinderen in -wat zij noemt- disfunctionele gezinnen al vroeg in de kindertijd patronen om hun leefwereld hanteerbaar te houden. Ze noemt uit eigen ervaring de emotionele chaos in het gezin waar ze zelf opgroeide. Ze wilde de problemen niet zien en ze wilde evenmin dat anderen de problemen in het gezin zagen (loyaliteit aan de eigen ouders). De beste manier was als ze er in slaagde om controle over de situatie te houden.
Daardoor ontwikkelde ze een sterke neiging om als kind van alles voor het gezin te regelen. Er werd ook geen hulp gezocht, het gezinsgeheim bleef bestaan. Nancy Groom ontwikkelde dus haar eigen overlevingsstrategie om zichzelf in het gezin staande te houden.
Dat leek misschien een adequate keus, maar daardoor kon ze in emotioneel opzicht niet volwassen kon worden.
Helaas bleven deze patronen ook bestaan toen ze eenmaal buitenshuis op eigen benen stond. Ze kon niet emotioneel verbonden zijn met andere mensen, ze was slechts gebonden.
Haar gedrag werd vooral bepaald door manieren om pijn te vermijden. Die gedragspatronen en manieren van denken vat Groom samen onder de term ‘relationele gebondenheid’. Ze hanteert daarbij de volgende uitgebreide werkdefinitie: "Relationele gebondenheid is een egocentrische manier van leven, waarin iemand blind is voor zijn of haar ware aard en voortdurend reageert op anderen. Daarbij laat hij of zij zich door anderen voortdurend de wet voorschrijven of probeert om het gedrag, de handelingen of de meningen van de ander onder zijn of haar controle te houden. Het ware eigen ik gaat hierbij verloren in geestelijke steriliteit, een verlies aan authenticiteit en een afwezigheid van intimiteit" (22).
Uit deze werkdefinitie komt een aantal kenmerken van relationele gebondenheid naar voren. Opvallend is dat vooral de mening van de ander bepalend is voor het beeld dat iemand van zichzelf heeft of voor de keuzen die gemaakt worden. Door deze gevoeligheid voor de opvattingen van anderen raakt men het zicht op het eigen functioneren kwijt, het denken is ikgericht (ego-centrisch). Omgekeerd is een relationeel gebonden persoon vaak erg bang dat hij of zij de controle over de omgeving kwijt raakt. Zo komt verlatingsangst vaak voor: de angst om in de steek gelaten te worden.
Daardoor zal iemand (meestal onbewust) manieren zoeken om niet verlaten te worden, Bijvoorbeeld: alles in het gezin te willen regelen, zorgen dat niemand iets tekort komt, de echtgenoot overal in de gaten willen houden. Soms ontwikkelen zich allerlei lichamelijke klachten, waardoor de aandacht weer op de persoon zelf wordt gericht. De consequenties van deze relationele gebondenheid zijn –volgens Groom- o.a. dat het persoonlijk geloofsleven onder druk komt te staan, dat iemand zich anders gedraagt dan hij in werkelijkheid is en dat hij niet in staat is tot diepgaande emotionele contacten.
Naar aanleiding van: Nancy Groom, Van moeten naar mogen (herstel van relaties: van gebondenheid naar verbondenheid), Navigator boeken, 2000; 256 blz, ƒ 29,95