Ik bid niet meer.
2000-09-15
Althans, niet meer voor mijn klas.- Jaargang 44
- nummer 19
Of, nog preciezer, niet meer hardop in een lokaal met een groep leerlingen voor mijn neus.
Ik mis de vrijmoedigheid.
Ik heb collega’s die het wel doen. Een enkeling. Een soort laatste der Mohikanen. Maar dan anders. Er is er zelfs een die aan het einde van de dag weer dankt. Voordat de leerlingen richting bus kunnen stormen wordt er een dankgebed uitgesproken over een dag vol waardevol onderwijs.
Want dat is het vandaag de dag bij ons op school. Waarde(n)vol. In een flitsende folder over de identiteit van onze school wordt met veel omhaal van woorden uitgelegd dat onze identiteit vooral inhoudt dat we respectvol en betrokken willen zijn. Na enig speuren ontdekte ik een zelfs een keer het woord ‘God’.
Helaas kwam de naam van onze Heiland, Jezus, niet in de folder voor.
Terwijl naar Zijn achternaam onze identiteit toch vernoemd is…
We hebben themadagen over onze identiteit.
Een jaarlijks terugkerend fenomeen.
Onder de bezielende leiding van een externe deskundige, liefst een hoogleraar, worden wij gevormd met ideeën over ‘respect, sociale ontplooiing, rechtvaardigheid en persoonlijke aandacht.’ Een vrijblijvend humanistisch sociaal aanvaardbaar mixje waarin we niemand voor het hoofd stoten, beslist geen enkele religieuze overtuiging voortrekken of achterstellen. Laten we alsjeblieft vooral zo open en verdraagzaam mogelijk blijven.
Op zo’n dag wordt er met geen woord gesproken over elementaire zaken; ‘bid je nou wel of niet voor de klas…, lees jij uit de bijbel, zing je met leerlingen, bid je met een leerling die het moeilijk heeft?!’ Abstract, vrijblijvend en semi-academisch leuteren we zo’n studiedag met veel gemak vol. Om 16.00 uur de bitterballen en de borrel. Voor dit jaar is de identiteit weer veilig gesteld.
Met een enkele christencollega praat ik er over door.
Ieder voor zich herkent de moeite die het met zich meebrengt. Je wilt wel getuigen en in woord en daad laten zien wie Jezus Christus voor ons is, maar in deze school is dat wel erg moeilijk.
Zelfs een bevriende collega die zich overtuigd humanist noemt (en door alle fusies van de laatste 10 jaar diverse keren van ‘kleur’ verschoot) heeft enorm veel moeite met het hele dagopeningengebeuren.
Worstelt met het feit dat hij nooit koos voor christelijk onderwijs, maar nu opeens voor een klas vol gereformeerde jongeren de dag mag openen.
Tja. Ook hij mist de vrijmoedigheid om zijn kleur te bekennen.
Wat we gemeen hebben is dat we allebei niet bidden voor de klas.
Vroeger deed ik het wel.
Vond het zelfs leuk en uitdagend om prettig prikkelend te bidden. Om jongelui te raken met de kracht en vreugde van een gebed. Veel leerlingen zien namelijk een dagopening als een verplicht nummer waarbij je vanzelfsprekend niet luistert en al helemaal niet het idee hebt dat het voor jou belangrijk is.
Tijdens het bidden check je je gsm of je nog een sms-je hebt ontvangen.
Ik weet van mezelf dat ik dagopeningen beter voorbereid dan mijn les, maar ja.
Tegenwoordig blijft het gebed uit.
Ik voel me gewoon zo ontzettend bekeken.
Letterlijk.
Ik voel me een soort rollenspel spelen waarbij een kleine groep christelijke leerlingen meebidt, eerbiedig en betrokken, maar waarbij de rest van de klas een ‘vertoning’ aanziet.
Daar is het gebed me te waardevol voor.
Ik bid voor mijn klas.
Thuis.