Steun
2000-09-15
We bivakkeren aan een Luxemburgse beek. Aan de overkant is een klein stukje gras, daarna begint een dichtbeboste heuvelhelling. Jacco en Erik zijn de woeste stroom (ongeveer een halve meter diep) overgestoken, hebben mogelijke slangen en andere griezels in het gras getrotseerd en zijn nu tussen de bomen verdwenen. Johan en ik zitten allebei te lezen. Gaaf, als de kinderen zich vermaken hebben de ouders ook een goede vakantie. Af en toe klinkt er een schreeuw uit het bos. Niet vergeten straks te controleren of er nog teken zijn die zich tegoed doen aan het bloed van onze kinderen, en in ruil daarvoor hen misschien wel besmetten met de ziekte van Lyme of iets dergelijks.- Jaargang 44
- nummer 19
Af en toe verschuiven we onze stoelen, meedraaiend met de schaduw van de boom die ons beschermt tegen al te felle zon. Ineens verschijnen onze jongens weer aan de bosrand. Ze rennen door het gras, spetteren door het water. 'Mama, papa, we hebben een wonder meegemaakt!' Hijgend staan ze voor ons, opgetogen verslaan ze om beurten hun belevenissen.
Ze gingen een rotswandje beklimmen dat daar in het koele bos recht omhoog rees. Ze konden zich vasthouden aan stukken steen en boomwortels. Tot ze ineens niet verder meer konden. Omhoog waren geen uitsteeksels meer, en die waar ze zich zojuist aan hadden vastgeklampt bevonden zich beneden hen, buiten hun blikveld. Ze hadden ons nog geroepen, maar wij hadden het niet gehoord. (In ieder geval niet herkend als hulpgeschreeuw...) Toen hadden ze daar, hangend tussen hemel en aarde, bedacht dat ze maar moesten bidden.
En bijna direct daarna had Erik een inval gekregen. Ze hadden een stuk steen losgewrikt en daarmee de grond rond een boomwortel weggegraven.
Zo hadden ze nieuwe steun gevonden én een veilige route. Die ingeving van Erik, dat weten ze heel zeker, die kwam van God.
Hun ogen stralen.
Ik ben eigenlijk een beetje jaloers.