Troost
1998-01-23
De vorige keer haalde ik een gebeurtenis aan uit de eerste gemeente die ik gediend heb. Dat ik te snel, te haastig naar de hoop greep. Terwijl de rouwenden nog radeloos zochten naar een plek waar ze konden schuilen voor de storm die over hun leven trok, was ik hen al een paar stappen vooruit. Ik ben vast niet de eerste geweest, die in deze val getrapt is, en ik zal ook niet de laatste zijn. Ook in dat opzicht kunnen wij nog veel van de Here God leren.- Jaargang 42
- nummer 2
Ik denk aan die indrukwekkende ontmoeting van Elia met de Here God in de woestijn. Elia die door koningin Izebel op de hielen wordt gezeten, na de overwinning op de Karmei (1 Kon. 19). De radeloze profeet, die dodelijk vermoeid is en naar de dood verlangt, krijgt van God de ruimte en de tijd om op adem te komen. Om te schuilen in de schaduw van de Allerhoogste. Troosten, zo zagen we, is allereerst geborgenheid geven. En dat komen we in de Bijbel ook telkens weer tegen. God is een schuilplaats, een toevlucht voor de zijnen.
Uitzicht
Maar er is meer. Troosten is ook uitzicht geven. Hoop geven. Een weg wijzen uit het labyrint van wanhoop en verdriet.
Maar dat kan slechts vanuit de geborgenheid, vanuit het vertrouwen dat is opgebouwd.
Je mag als pastor, als broeder of zuster in Christus gaan staan naast iemand die intens veel verdriet heeft. Dat is het eerste. Maar ook om iemand verder te helpen. Want zonder hoop, zonder geloof in de toekomst, blijft het heden ondraaglijk. In de bundel herdichtingen 'Een schaal met water' van Ria Borkent las ik deze strofe, die dat heel helder weergeeft. Het gaat over vissers die een onstuimige zee moeten oversteken: Heer, geef dat bij de oversteek geloof en hoop ons niet ontbreekt, want zonder hoop is er geen licht, zonder geloof geen vergezicht.
Wakker schudden
Soms moet je a.h.w. wakker geschud worden uit die boze droom, waarin je gevangen zit. Of moet je jezelf wakker schudden. Ik denk bijvoorbeeld aan Psalm 42, de laatste verzen: Wat buigt gij u neer, 0 mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij. Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God.
De dichter van deze psalm huilt tot God, want hij ziet geen gat meer in de ellendige situatie waar hij in terecht is gekomen. Maar dan, aan het eind van de psalm valt hij zich zelf in de rede. Heel opmerkelijk, deze zelfaanspraak, waarin hij zich optrekt aan de Heer, zijn God. Het is alsof geheel onverwacht, het licht weer opgaat in de donkerheid van het bestaan. God is er, en omdat God er is, daarom is er hoop. Hoop, ook voor mij in het lijden, waar ik niet om heen kan, maar waar ik dwars doorheen moet. Want God is er, God bij wie ik kan schuilen, God die mij begrijpt, die mijn helper is.
Goedkoop
Wanneer deze geborgenheid ontbreekt, kan troost heel goedkoop worden. Je verbaast je er wel eens over hoe gemakkelijk en oppervlakkig over het .verdriet kan worden heen gewalst. Het lijden wordt niet geproefd, de nood wordt niet verstaan, de klacht wordt niet gehoord. Er worden pasklare antwoorden uit de hoge hoed getoverd die soms kant noch wal raken. Een man heeft zijn vrouw verloren en na een paar maanden zegt een goedwillende buurman, om hem te troosten: Het is toch niet nodig dat je alleen blijft? Ik zou, als ik jou was, eens naar een andere vrouw omkijken. Alleen is ook maar alleen.
Dat is hele goedkope troost. Troost, die voorbij gaat aan het verdriet, het lijden, waar iemand doorheen moet.
Uitzicht bieden in het verdriet is niet gemakkelijk. Wat kun je een ander geven? Schieten onze woorden vaak niet tekort? De Bijbel richt onze blik op God. Op zijn heil, op zijn beloften. God die wegen kan openen.
Zonder hoop?
In de klaagliederen van Jeremia staan een paar prachtige verzen, ergens in het midden. Hoofdstuk 3:22-24: Het zijn de gunstbewijzen des Heren, dat we niet omgekomen zijn, want zijn barmhartigheden houden niet op, elke morgen zijn ze nieuw, groot is uw trouw. Mijn ziel zegt: mijn deel is de Here, daarom zal ik op Hem hopen.
Het volk Israël klaagt over het lijden, waar het doorheen moet. De eens zo machtige en trotse stad Jeruzalem is veranderd in een puinhoop onder het geweld van vijandelijke legers. Van tempel is geen steen op de andere gelaten. Een troosteloze ruïne rest nog slechts. Wat is Israël zonder stad en zonder tempel? Zonder de dienst der verzoening? Een volk zonder toekomst!
Een volk zonder hoop! Want het hart is uit de samenleving gesneden. En daarom klinkt die 0 zo bittere klacht: waarom, 0 Here, waarom? En dan midden in het klaaglied verandert volkomen onverwachts de toon. Zoals dat in Psalm 42 gebeurde, gebeurt dat ook hier, de profeet valt zichzelf in de rede. Hij kijkt niet alleen naar wat hij (het volk) is kwijtgeraakt, maar naar wat hem nog is overgebleven. De blikrichting verandert, hij kijkt omhoog, hij kijkt om zich heen. En zegt, tot zijn eigen verwondering; Ik leef, en dat heb ik te danken aan God, die mijn leven gespaard heeft. Het leven gaat door, dankzij de trouw van mijn God. Hij heeft mij niet verlaten!
Erfdeel
God is er. En Hij is mijn erfdeel. Dat wil zeggen: God is mijn toekomst. Daarom is er hoop, is er een uitzicht uit de ellende van het bestaan. God die over mij waakt, die voor mij zorgt, bij wie ik kan schuilen. Hij opent een weg voor mij. Dat betekent niet dat je in elke situatie een pasklaar antwoord krijgt. Maar wel, dat je zult merken dat de Here met je meegaat op de weg, die je moet gaan, en dat die weg, hoe moeilijke en zwaar ook, je brengt bij zijn koninkrijk. Geloof vormt samen met geduld een verrekijker, God onthult ons iets van het geheimenis, het land dat aan de einder is.(Uit: Ria Borkent, Een schaal met water).