Nietzsches verwijt

1998-01-23
  • Jaargang 42
  • nummer 2
Kennismaken met Nietzsche heeft voor een gelovige twee kanten. Niet weinig die hem lezen hebben de ervaring dat hen iets sensationeels overkomt. Hij is briljant en visionair. Zijn psychologische diepgang is verbluffend. Maar daardoor komt zijn bijtende kritiek op het evangelie ook zo hard aan. Hij wrikt met vervaarlijke kracht aan de grondslagen van het geloof. Daardoor dwingt hij zijn christelijke lezers om eerlijk onder ogen te zien wat hun motieven zijn om Christus na te volgen. Dat vraagt veel van een gelovige – voor sommigen misschien te veel. Maar uiteindelijk kan het toch dienen tot opbouw van het gereformeerde leven. Vandaar, dat ik in ons blad aandacht wil schenken aan de man die zichzelf de ‘antichrist’ noemde…

De doodsteek voor het leven ...
Friedrich Nietzsche werd op 15 oktober 1844 geboren in het plaatsje Röcken, zo'n twintig km ten zuiden van Leipzig.
Zijn vader was dominee, evenals vele voorvaders van zowel vaders- als moederszijde.
Zelf heeft hij nog een blauwe maandag theologie gestudeerd, maar hij was toen al zo vervreemd van christendom en kerk, dat de definitieve overstap naar de klassieke letteren niet lang uitbleef. In de cultuur van het oude Griekenland heeft hij nooit opdrogende inspiratiebronnen gevonden. Op zijn vierentwintigste werd hij benoemd tot hoogleraar in Bazel, maar zijn academische carrière heeft slechts tien jaar geduurd. Op zijn vierendertigste werd hij gepensioneerd, vanwege ernstige problemen met zijn gezondheid. Daar kwam echter bij dat hij niet echt paste in het universitaire wereldje.
Hij was te dwars, en zijn tijdgenoten te ver vooruit. Zo ging hij meer en meer het leven van een eenling leiden. 's Zomers dwaalde hij door het alpenlandschap van het Zwitserse Ober-Engadin; verder verbleef hij graag in Italië. Hij schreef veel, en publiceerde een reeks opmerkelijke boeken. In 1889 stortte hij in, en kreeg de waanzin hem in zijn greep. Over zijn geest viel een duisternis die niet meer van hem zou wijken, totdat hij op 25 augustus 1900 stierf.Nietzsche was een uitzonderlijk begaafd mens. Hij was uiterst muzikaal, en legde ook in zijn literaire werk grote artisticiteit aan de dag. Als wetenschapper stond hij zeer hoog in aanzien; niet voor niets werd hem een professoraat toevertrouwd op een leeftijd dat anderen nog ploeteren voor hun tentamens. Maar wat hem tot de man gemaakt heeft die bij zijn leven reeds een beroemdheid was, en die tot op de dag van vandaag een enorme invloed uitoefent, is zijn filosofie. Hij heeft op zeldzaam hartstochtelijke en grondige wijze doorgedacht over de dingen. Hij bleef daarbij niet steken in het theoretische, maar streefde naar levenskunst.
Juist in dat kader ontwikkelde hij zich tot een verklaard vijand van het christelijk geloof. Die vijandschap draait om het verwijt, dat het christelijk geloof de doodsteek betekent voor het ware leven ...

Het leven niet aan kunnen
Nietzsche gaat ervan uit, dat mensen er niet voor niets een godsdienst op na houden. Zij zullen daartoe hun redenen hebben. Welke zijn dat? Wat beweegt mensen ertoe, in God te geloven? Is het niet hun behoefte aan geborgenheid, hun hoop op een betere toekomst, hun angst voor de dood? Voor Nietzsche is het duidelijk: geloven doen mensen omdat ze problemen hebben. Want waarom zou je bij een hemelse Vader willen schuilen, als je je kiplekker voelt? En waarom zou je je vastklampen aan de boodschap van de opstanding der doden, als je er geen enkel probleem mee hebt dat je dood gaat? De dingen die in de godsdienst zo belangrijk zijn: de zin van het bestaan, de geborgenheid bij God, het eeuwige leven, enzovoorts - naar al die dingen grijpen mensen omdat ze de werkelijkheid van hun leven eigenlijk niet aan kunnen. Ze zitten met het onrecht en het lijden in hun maag. Ten diepste weten ze met zichzelf geen raad. Maar dat betekent dat ze de werkelijkheid niet echt aanvaarden. Ze hebben grote reserves ten opzichte van haar. Ze wenden zich van haar af en zetten hun hart op het hiernamaals: dán wordt alles goed. Maar daarmee zeggen ze van deze wereld dat ie niet deugt! En zo zit met name in de christelijke godsdienst ingebakken dat zij de bestaande werkelijkheid afwijst. Zij biedt de mensen de 'oplossing' aan, dat ze van dit leven 'verlost' zullen worden! En wat is het christendom dus anders dan één groot NEE tegen dit leven en déze werkelijkheid? Nietzsche vindt dat zwak, uitermate zwak. Een mens met een beetje pit geeft zich niet zo gemakkelijk gewonnen.
Die recht zijn rug en maakt wat van het leven. Die geeft de verantwoordelijkheid niet bedremmeld uit handen aan een machtig Opperwezen. Nee, sterke mensen gaan de problemen niet uit de weg. Zij gaan de uitdaging aan.
Zij durven leven met onzekerheden. Zij dromen niet weg in een hiernamaals, maar zeggen 'ja' tegen dit leven, tegen de hoogten en diepten van déze werkelijkheid.

Zwak en sterk
De tegenstelling tussen 'zwak' en 'sterk' is voor Nietzsche van groot belang. Hij meent dat allerlei gedragingen van mensen worden bepaald door de mate waarin zij sterk dan wel zwak zijn. Maar wat bedoelt hij precies met de woorden 'zwak' en 'sterk'? Het misverstand ligt op de loer, dat 'sterke' mensen voor hem krachtpatsers zijn, militante lieden die met machtsvertoon hun omgeving domineren. Maar niets is minder waar! Wat hij bedoelt kan worden verhelderd aan de hand van zijn definitie van 'gezondheid'. Een mens is voor Nietzsche gezonder, naarmate hij meer kans ziet ziektes te boven te komen. Hij sprak wat dat betreft uit ervaring: hij had veel last van migraine, en tobde met een steeds verder teruglopend gezichtsvermogen.
Een groot deel van zijn leven heeft hij ervoor moeten strijden dat die kwalen hem niet onder de duim kregen. Dat was dan ook zijn ideaal van 'gezondheid': hij streefde er niet naar een 'ijzeren hein' te zijn, maar wel dat hij de 'power' zou hebben had om het gevecht met zijn zwakke constitutie steeds opnieuw aan te gaan. Daarbij merkte hij, dat juist dat gevecht hem creatief maakte. En niet alleen hém: heeft bijvoorbeeld Beethoven zijn genie niet tot volle ontplooiing gebracht, juist door zijn gevecht met zijn doofheid? Zo zijn sterke mensen nu ook diegenen, die zich door het lijden niet overmeesterd voelen, maar er juist door groeien.
'Sterk-zijn' sluit dus allerminst uit dat een mens zijn zwakke kanten heeft; die heeft iedereen. Napoleon bijvoorbeeld sprak gebrekkig. Maar wat deed hij? Hij mat zich de gewoonte aan om nog slechter te spreken dan hij kon. Op die manier maakte hij zich niet de slaaf van zijn onvermogen, maar toonde hij dat hij het de baas was. Daarin komt de ware menselijke grootheid tot uiting! In de obstakels en weerstanden waarmee de mens onherroepelijk in het leven te maken krijgt, ziet de sterke uitdagingen om sterker en weerbaarder te worden. De zwakke daarentegen kan het leven niet aan; hij voelt zich slachtoffer, of gaat wild om zich heen slaan. Zo zijn 'krachtpatsers' lang niet zo sterk als ze er uit zien: zij grijpen naar geweld vanuit het gevoel bedreigd te worden. Degene die echt sterk is heeft een dergelijk machtsvertoon niet nodig. Hij vindt in zichzelf zo'n rust, dat hij bestand is tegen de aanwezigheid van tegenstanders en mededingers. Zo zijn de sterken degenen die klauwen hebben, maar het niet nodig hebben ze te gebruiken. Het is niet toevallig dat werkelijk sterke mensen zo vreedzaam zijn, zo vriendelijk, zo royaal, zo vrolijk ook. Zij hebben vanuit een innerlijke levenskracht de weerbarstige werkelijkheid zo totaal aanvaard, dat zij zich nergens tegen afzetten, op niemand jaloers zijn, op niemand hun gram willen halen. Integendeel, diep in hen stroomt de levensvreugde over, zodat zij ook anderen het licht in de ogen van ganser harte gunnen.

Rancune
Deze opmerkelijke waarnemingen en overwegingen verraden een diep psychologisch inzicht. Onmiskenbaar schuilt er een zekere levenswijsheid in. Nietzsche komt hiermee zelfs dicht in de buurt van de bijbelse wijsheid. Want hoezeer wordt ook in het boek Spreuken verband gelegd tussen sterk-zijn en vriendelijkheid. Vergelijk 16:32: "Een lankmoedig mens overtreft een held ..." Vergevingsgezindheid wordt gezien als een zaak van noblesse: "Het is de eer van een mens, een overtreding voorbij te zien ..." (19:11b). Ook de aandacht voor die overstromende levensvreugde is in het boek Spreuken terug te vinden: "Voor de blijmoedige is het altijd feest..." (15:15) Werkelijk, Nietzsche roert snaren aan die ook in de bijbel bespeeld worden. Maar juist daarom is het zo verwarrend dat hij zich met diepe ergernis keert tegen het christelijk geloof. "Ik noem het christendom de ene, onsterfelijke schandvlek van de mensheid," schrijft hij in 1888.
Waarom toch? Voor de Islam bijvoorbeeld heeft hij meer goede woorden over, hoewel dat toch ook een godsdienst is die van de realiteit wegvlucht in de paradijselijke voorstelling van een hiernamaals. Ja, maar de Islam is in Nietzsches ogen een religie die veel meer ruimte biedt voor menselijke kracht, voor heldhaftigheid, voor eergevoel.
Wat hij in het christendom zo verfoeit, is dat het de centrale plaats toekent aan de ellendige, de onaanzienlijke, de mislukte, de - zwakke. Nietwaar, wie worden volgens Paulus uitverkoren? "Niet vele wijzen, niet vele invloedrijken, niet vele aanzienlijken, maar wat voor de wereld dwaas en zwak, onaanzienlijk en veracht is..." (I Corinthiërs 1:26-28). Nietzsche kan het niet anders zien, of deze woorden komen voort uit een geest van rancune. Paulus neemt met deze woorden wraak op de sterken en de geslaagden. Het is typisch de reactie van lieden, die het niet kunnen verkroppen dat zij in anderen hun meerderen moeten erkennen. Wat doet een jongetje dat niet uit kan staan dat het niet goed kan meekomen met voetballen? Luidkeels roepen dat het ook eigenlijk maar een dom spel is ... Zo is het christendom bij uitstek de godsdienst van mensen, die niet sterk, niet gezond, niet weerbaar zijn, en vervolgens van die nood een deugd maken. Kijk maar naar Luther: een man die het niet redde in het klooster, en toen bedacht dat het ook niet gaat om presteren maar om gered worden ... En daarmee kwam een verbod te staan op presteren, op excelleren, op succesvol menszijn.
Binnen het christendom vindt om zo te zeggen een grootscheepse geestelijke castratie plaats: de talentvolle, sterke mensen moeten hun levenskracht verliezen, want het zijn nu eenmaal de krachtelozen, de 'impotenten' die het Koninkrijk van God zullen binnengaan. Zoals wilde dieren getemd en gekooid worden, zo worden mensen binnen het christendom beroofd van hun natuurlijke vitaliteit, en lam geslagen door de verheerlijking van zwakheid en geringheid ...

Weerklank
Met deze diagnose heeft Nietzsche bij ontzaglijk veel mensen weerklank gevonden. Veel afkeer van het christelijk geloof is door hem geïnspireerd, rechtstreeks, of via omwegen. Wie kent ze niet, de mensen die het als een bevrijding ervaren dat ze niet meer naar de kerk gaan, omdat ze het gevoel hadden binnen het christendom een bloedeloos bestaan te leiden? Exkatholieken denken met afschuw terug aan de sfeer van versterving op het seminarie; zij klagen erover dat elke enthousiasmering en stimulering om te leven daar ontbrak. Ex-gereformeerden hebben met het calvinisme vergelijkbare ervaringen opgedaan; zij voelden zich in hun levensvreugde beknot door strenge dogma's die somber NEE zeiden tegen de menselijke natuur. Maar ook mensen die heel bewust als christen willen leven zijn iets van dat gekooide en getemde bij zichzelf gaan herkennen. Veelal met behulp van psychologen komen zij erachter, dat ze veel te gering van zichzelf denken, met alle heilloze gevolgen van dien. Ze leren JA te zeggen tegen zichzelf en te geloven in hun eigen krachten, en hebben daardoor het gevoel dat er een wereld voor ze opengaat. Maar tegelijk brengt dat hen in conflict met hun geloof. Want terwijl ze van de psycholoog leren dat ze mogen genieten van het leven, horen ze in de kerk dat ze zichzelf moeten verloochenen; terwijl in praatprogramma's gestimuleerd wordt om elkaar toch vooral complimenten te geven, worden zij door Lucas 17:10 opgeroepen om te zeggen "Wij zijn onnutte slaven; wij hebben slechts gedaan wat wij moesten doen ..." En zo gaat Nietzsches verwijt tot zeer veel mensen spreken, buiten én binnen de kerk. Legt hij de vinger niet op de wonde plek als hij zegt dat het christelijk geloof ons belet echt te leven, met dat eeuwige accent op de menselijke geringheid? Is het niet waar, dat wij er in de kerk toe veroordeeld worden om zwak te zijn, en om zo de levenskracht die wij diep in onszelf voelen gewelddadig te onderdrukken?
Heeft Nietzsche met zijn verwijt geen ...gelijk? Daarover volgende keer meer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief