Thora en Stoa
1998-01-23
Op 2 oktober 1997 promoveerde de bioloog Jan J. Boersma tot doctor in de godgeleerdheid aan de Rijksuniversiteit van Groningen. In zijn proefschrift trekt hij een lijn van de hebreeuwse Thora naar het milieudebat in de westerse samenleving. Promotoren waren de theoloog prof. dr. A.S. van der Woude en de milieudeskundige prof. dr. A.J.S. Schoot Uiterkamp.- Jaargang 42
- nummer 2
Jan J. Boersema groeide op in Groningen. Aan de universiteit in zijn woonplaats studeerde hij biologie en hij werkte er als milieukundige. Sinds 1994 is hij verbonden aan het ministerie van VROM en aan de Rijksuniversiteit van Leiden. Boersema is lid van de Nederlands Gereformeerde kerk van Oegstgeest.
Op zichzelf is het bijzonder als een bioloog promoveert tot doctor in de godgeleerdheid. AI zijn er in uw proefschrift veel raakvlakken aan te wijzen met uw huidige werk ...
Ja, de relatie van de mens met het milieu, met de dieren, met de natuur heeft me altijd bezig gehouden. In mijn studietijd en ook daarna dacht ik veel na over de relatie tussen het christendom en de omgang met het milieu.
Toch had ik de indruk dat je uit moest kijken voor de interpretaties van de zgn. groene theologen. Aan de andere kant vroeg ik me af of we - in de gangbare manier van omgang met het milieu - de boodschap van de Thora wel goed hadden begrepen. In hoeverre heeft er vermenging plaats gevonden met het Griekse denken?
Daar heb ik toen een onderwerp van een promotieonderzoek van gemaakt.
Toen ik me daarbij concentreerde op de Schepping en op de spijswetten kwam ik weer bij het thema mensendieren-
natuur terecht en daarmee kwam ik weer terug bij mijn eigen vakgebied.
Ook heb ik ervaren dat het heel vruchtbaar is om vanuit je eigen vak vragen te stellen aan een ander vakgebied.
Op de omslag van uw proefschrift staat de volgende tekst: "De auteur laat zien dat het christendom stevig geleund heeft op het Griekse denken onder verwaarlozing van typisch Oud-Israëlitische ideeën. Een heroriëntatie op deze bronnen is niet alleen nodig, maar ook mogelijk. We hoeven geen beroep te doen op aan onze cultuur vreemde kosmologieën, noch te vluchten in New Age-denken." Kunt u die flaptekst voor de 'Opbouw'-Iezer toelichten?
Over New Age heb ik het niet in mijn proefschrift, al ben ik het wel met de uitspraak eens. Ik zie een kosmologie, een wereldbeschouwing als samenhangende opvattingen 'over het geheel der dingen', over vragen als: wat is er boven de aarde, op de aarde, wat is de positie van de mens? Ik sluit niet uit dat je iets kunt leren van de vraag hoe een Indiaan of een Boeddhist met de natuur omgaat. Maar een kosmologie is geen jas die je moeiteloos verwisselt.
Mede daarom is het belangrijk dat je je eigen wortels bestudeert. Zijn er dingen verloren gegaan, hebben we accenten verkeerd gelegd? Het christendom werd in de loop van de geschiedenis nogal beïnvloed door het Grieks-intellectuele klimaat. Die ontwikkeling werd in de Renaissance nog eens versterkt. Dat heeft veel moois aan cultuur en wetenschap opgeleverd, maar je kunt er ook vragen bij stellen, bijvoorbeeld over de omgang met de natuur. En die vragen dwingen ons tot een heroriëntatie.
U geeft in uw boek blijk van een bijzondere kijk op de betekenis van de spijs wetten en de reinigingswetten.
Kunt u daar iets meer over vertellen?
Op zichzelf is het al opvallend dat er zulke concrete en gedetailleerde voorschriften in de Hebreeuwse Bijbel staan. Over het 'waarom' van die wetten bestonden altijd al allerlei opvattingen. Maar waarom zijn die regels dan zo gedetailleerd? Ik heb in dat opzicht veel geleerd van de antropologe Mary Douglas. Ze hanteert de hypothese dat als een volk regels heeft voor het leven van alledag, dat die regels dan altijd verwijzen naar de kern van de religie.
Dus: die regels zijn er niet 'zomaar': ze zijn ook niet alleen bedoeld voor hygiënisch gebruik (om maar eens iets te noemen), ze zijn wezenlijk in het kader van het geloof van zo'n volk. Als die hypothese juist is, ga je je vanzelf afvragen: wat is dan de kern van dat geloof? De meeste theologen hanteren de visie dat de wetten waren bedoeld om het volk Israël tot een apart volk te maken, met andere regels dan de omringende volkeren. Maar dat is mijns inziens een te beperkte verklaring, omdat het enkel op de functie gericht is. Op zo'n manier verklaar je nog niets over de oorzaak. Wat ik dan graag wil weten: waarom nu uitgerekend déze set van regels? Als het alleen ging om het apart zetten van het volk Israël, hadden er ook heel andere regels gemaakt kunnen worden.
U wilt dus meer naar de achtergrond van deze wetten, u zoekt naar het onderliggende verband ...
Ja, en dat heeft volgens mij te maken met de Scheppingsorde. Volgens de opvattingen van de schrijvers van de Hebreeuwse Bijbel was de Schepping goed, er was orde. Maar door de gebeurtenissen in de tuin is die orde verloren gegaan, er is disharmonie en chaos ontstaan. Wat eerst volledig gescheiden was, raakt vermengd: leven en dood, de relatie met de natuur, de relatie tussen de mens en het land, een geboorte wordt pijnlijk.
Het goddelijke raakt met het menselijke vermengd. Zo lezen we in Genesis 6 over verbintenissen tussen godenzonen en dochters der mensen. Daarna komt de zondvloed, die eigenlijk een nieuwe schepping is. Van de reine dieren gaan er zeven paar in de ark, van de onreine dieren maar één paar (Genesis 7:2). Maar je ziet ook dat er geen volledig herstel is, dat de dieren bang zijn voor de mensen. Daarom krijgen ook zij een belofte mee. Dat lees je in Genesis 9:10; een belofte aan de dieren; het zgn. regenboogverbond. Later na de zondvloed gaat het toch weer mis: de toren van Babel. De mens wil wéér als God worden.
Daaruit ontstaat het gevoel dat het met de aarde op deze manier niets meer kan worden, tenzij God een volk apart zet, met eigen wetten en regels. Zo kan er op aarde toch nog een plek zijn waar het zo is als Hij het bedoeld heeft. Dat is het priesterlijk decor voor de Thora.
Dat aparte volk had aparte regels nodig. Die regels hadden ook een verwijzende functie. Op welke manier vond die verwijzing plaats?
Die verwijzing zie je in de Hebreeuwse Bijbel, bijvoorbeeld als Jahweh zegt: "Doe dit, want Ik ben heilig." De bedoeling van de spijswetten was om het leven leefbaar te houden, maar ze verwijzen ook steeds weer naar het verloren gegane ideaal van de Heilige Zelf. Als je dat plaatst in de context van die vermenging, dan begrijp je dat ook. Zo mocht het volk geen dieren eten die elkaar doden; de 'vegetarische' dieren voldoen aan die eis. Een varken is wel een herkauwer, maar het heeft geen gespleten hoeven en het eet in de natuur ook (resten van) dieren. Onrein zijn ook de dieren die niet helder tot één domein horen: zoals amfibieën, dieren in het water zonder het kenmerk van vissen (een reiger) en een dier zonder veren dat vliegt (bijv. een vleermuis). Om dezelfde reden van vermenging mag het Joodse volk geen twee materialen in één kledingstuk gebruiken (wol en linnen).
Is het niet zo dat een varken onrein was vanwege het risico op overdracht van besmettelijke ziekten?
Nee, dat denk ik niet. Men wist weinig van de risico's van besmettelijke ziekten, aan de andere kant is de consumptie van varkensvlees veilig als je het dier maar goed bereidt. Bovendien: stel dat je er achter komt dat het varken een riskant dier is, qua besmetting, hoe verklaar je dan al die andere onreine dieren in de Thora? Daar geIden weer niet de kenmerken van het varken voor. Dan zou het veel logischer zijn als alle dieren bij name genoemd waren. Dat brengt mij opnieuw bij de verwijzende betekenis van de wetten; het moesten dieren zijn die - bij wijze van spreken - geen grenzen overschrijden: ze mochten niet doden, ze moesten zuiver af te grenzen zijn van andere soorten. De Israëlieten mochten alleen die dieren offeren en consumeren die verwijzen naar de Heilige. En in die verwijzing komt dan ook terug dat onze God een heilige, en letterlijk: een stralende God is. De reine dieren voldoen aan de kenmerken die de Heilige Zelf geeft.
In die wetten is toch ook sprake van gradaties, van nuanceringen?
In de wetten van Leviticus zie je dat voor de Hogepriester strengere eisen gelden dan voor de priesters, en voor de priesters gelden weer strengere wetten dan voor het volk. Hoe dichter je de Heilige nadert, hoe zuiverder de wetten van de reinheid gelden. De Hogepriester mocht bijv. geen eigen familielid begraven; hij mocht niet in aanraking komen met de dood. In die context moet je ook de wetten over gehandicapten zien: ze werden niet als mens verworpen (het volk werd juist opgeroepen hen te respecteren), maar ze mochten niet in de cultische zin Jahweh naderen.
Hoe kijkt u tegen de functie van al die wetten aan in onze tijd?
Als een wet het leven leefbaar maakt én verwijst naar de achterliggende betekenis krijgt die wet pas echt diepgang.
Mensen overtreden de wet als ze de achterliggende gedachte niet kennen. Eén van de consequenties van het denken over de spijswetten in de Hebreeuwse Bijbel is voor mij dat het niet vanzelfsprekend is dat je van een mens, maar ook van een dier, het leven neemt. Ik denk dat we in onze tijd nog altijd goed naar die spijswetten moeten kijken. Ik vraag me bijv. af of het visioen van Petrus in Handelingen 10:10 e.v. wel slaat op de opheffing van de tegenstelling tussen reine en onreine dieren. In de tekst wordt ermee bedoeld dat de tegenstelling Jood-heiden door het sterven van Christus teniet werd gedaan. Dat zou consequenties kunnen hebben voor de manier waarop wij tegen rein en onrein aankijken. We weten dat Christus de dood heeft overwonnen, maar dat hoeft toch niet te betekenen dat al die wetten onzin zijn? Christus en ook Paulus hebben bij herhaling verklaard de wet niet terzijde te stellen. En áls we wetten afschaffen, raken we dan niet ook iets wezenlijks van de verwijzende betekenis van die wetten kwijt?
Kunt u daar een consequentie van noemen voor onze tijd?
De Joden uit het Oude Testament hadden eerbied voor het dierlijk leven en voor het bloed; dat zijn we kwijtgeraakt in ons christelijk leven. Tegen die achtergrond heb ik grote moeite met de bio-industrie, waarbij we dieren alleen nog maar zien als een product en niet als een schepsel van God, waarmee Hij ook een verbond gesloten heeft (Genesis 9).
Eén van de stellingen bij uw proefschrift luidt: "Niet de mens, maar de sabbat is de kroon op de schepping ... "
De mens neemt een bijzondere positie in, hij is niet een gewoon organisme in een lange rij van organismen, hij is evenmin een bijzonder dier. Maar die uitleg wil nog niet zeggen dat alles draait om de mens. Dat hebben we er vaak van gemaakt, maar zo lees je het nergens in de teksten. Het verhaal van de Schepping loopt uit op de 7e dag. Sabbat betekent: ophouden, stoppen met het werk. De rust is een gevolg van dit stoppen. Doordat de mens van ophouden weet, komt er ruimte voor andere zaken en voor rust. Maar er is meer. We lezen in Genesis 2:2 dat God op die dag de Schepping voltooide. Hoe? De 7e dag is een heilige, een stralende dag: God zette daarmee een stralende kroon op de schepping. Dan is de Schepping af: daarom wordt die dag geheiligd. Opmerkelijk is dat men altijd moeite heeft gehad met die vrije dag: in de tijd van Amos, in de Romeinse tijd, tijdens de Franse Revolutie, na de Russische Revolutie: "Er gaat een productieve dag verloren."
De Sabbat hoort echter bij het ritme van het leven. Het is een oriëntatie op de Heilige: herstel en rust van de dingen die je door de week doet: je onderbreekt je normale werk. Zo heeft God het bedoeld: als adempauze. Dan is er herstel mogelijk: sociaal, in je relaties, in de verhouding tot de natuur. Jezus probeert in het Nieuwe Testament die oorspronkelijke betekenis terug te krijgen: de helende werking van de Sabbat. Daarom worden er op die dag mensen geheeld, genezen.
In een andere stelling doet u de suggestie om de zaterdagavond liturgisch te verbinden met de zondag. Wat heeft dat met het voorgaande te maken?
Een kanttekening die ik bij onze viering van de zondag wil plaatsen is dat we die dag gebruiken om vooruit te kijken.
Ik zou echter ook terug willen kijken: het heiligen van datgene wat we de afgelopen week hebben gedaan. Daar zou de zaterdagavond heel geschikt voor kunnen zijn. Je zou dan bijvoorbeeld een vesperdienst kunnen houden, of een gebedssamenkomst.
Uw proefschrift mondt uit in een pleidooi voor de koppeling van duurzaamheid en kwaliteit. In Japan werd kort geleden een milieuconferentie gehouden. Wat mij teleurstelde was dat uitgerekend een christelijk georiënteerd land als de Verenigde Staten allerlei regelgeving op dit gebied afremde. Hoe kunt u dat verklaren?
In de Verenigde Staten is de heersende cultuur anders georiënteerd dan bij ons. Het is het land van de onbegrensde mogelijkheden. Men heeft een enorm geloof in de mogelijkheden van de mens zelf. De keerzijde daarvan is dat men de grenzen niet kan accepteren. Men wil niet geconfronteerd worden met grenzen aan de groei, met de mogelijkheid dat de energie op raakt, de dood is taboe, iedere pijn moet met pijnstillers bestreden worden.
Kunt u tenslotte enkele consequenties noemen van uw visie voor ons omgaan met onze natuurlijke omgeving?
We kunnen de wetten van het Oude Testament nooit zonder meer naar onze tijd vertalen.
Waar het om gaat is de vraag: wat zijn de onderliggende principes? Wat geldt er nu, wat zijn de verschillen in de context?
Wel is het zo dat de manier van denken over de Schepping (inclusief de niet-menselijke natuur) nog altijd heel belangrijk is. We moeten af van het Griekse idee dat iets 'slechts' waardevol is als het waarde voor de mens heeft. Ga dus ook goed om met de dieren die jou zijn toevertrouwd. Het Sabbatsgebod geldt ook de os en de ezel.
We moeten niet alles willen onderwerpen "omdat het nog niet onderworpen is" (de diepte van de zee, de Zuidpool, het tropische bos). We moeten terughoudend zijn. Dat noem ik het voorzorgprincipe.
U voert aan het slot van uw boek een pleidooi voor duurzaamheid. Wat verstaat u daaronder?
De huidige wijze van (economische) groei legt een veel te groot beslag op energie en grondstoffen. Dat leidt uiteindelijk tot een afname in de kwaliteit van ons bestaan. We moeten een vorm van welvaartsontwikkeling vinden, met een afname van het beslag op energie, grondstoffen en natuur. Dit principe staat bekend als 'ontkoppeling' en is inmiddels door de overheid in de 'Nota milieu en economie' overgenomen. Maar we hebben daartoe nog een lange weg te gaan. Het milieuprobleem is niet alleen van deze tijd. Het heeft ook diepere wortels dan wij denken. Er is een religieuze heroriëntatie nodig. Daar past deze studie in.
Naar aanleiding van: Jan J. Boersema, Thora en Stoa, proefschrift ter verkrijging van de titel van doctor in de godgeleerdheid aan de Rijks Universiteit in Groningen. In een handelseditie verschenen bij uitgeverij Callenbach in Baarn. 245 pagina's + een samenvatting in de Engelse taal + 64 bladzijden aan literatuurverwijzingen; prijs: f 39,90.