Bijbel en historiciteit
1998-01-23
In onderstaand artikel reageert dr. A. Koers op hetgeen door dr. K. Holwerda (en indirecter ook A. van der Dussen) over de historiciteit van de Bijbel is geschreven. In ditzelfde nummer plaatsen we ook een artikel van ds. Mudde dat met hetzelfde onderwerp verband houdt. In het volgende nummer zal Mudde trachten de balans van de discussie tot dusverre op te maken. Dit allemaal naar aanleiding van Nico ter Lindens boek ‘Het verhaal gaat’.- Jaargang 42
- nummer 2
In het opschrift van het eerste artikel van collega Holwerda wordt over de huidige gedachtenwisseling gesproken als het entameren van een discussie met als opzet: hoe wrik ik het omgaan met de Bijbel los van 'opvattingen' over de Bijbel?" Die 'opvattingen' over de Bijbel zijn dan, vrees ik, in dit geval speciaal te vinden in de gangbare gereformeerde schriftbeschouwing.
Maar nu, zo is haast de voorstelling, begint het pure, het sec lezen van de Bijbel. Nu komt de Bijbel zelf aan het woord .• En er komt een Bijbel te voorschijn, die veel rijker is dan we dachten" (v.d. Dussen). De bóódschap komt nu los. Daar hoort bij een zeer negatieve manier van weergeven van een andere opvatting dan de nu nieuw voorgestelde. Mensen gaan weer ontdekken hoe lezenswaardig de Bijbel is.
Dat ontdekken we niet "zolang hij gepresenteerd wordt als een boek dat geen andere doelstelling heeft dan hun een lange reeks beschouwingen en jaartallen mee te delen" (v.d. D.). Zulke mensen zijn mensen van de 'letterlijke' uitleg, geïnteresseerd in kale, naakte feiten en jaartallen. Die ook aan de boodschap niet goed toekomen, warit die is vooral aan de nieuwe opvattingen voorbehouden. Ik zou nog verder kunnen gaan met deze, misschien niet zo bedoelde, maar evengoed denigrerende tekening van andermans standpunt. Ik ben het met de broeders niet eens, maar dan moet ik me in zo'n tekening herkennen? Of is deze tekening één grote vértekening waardoor er opening moet komen voor het verlossende woord? Maar je zou als andersdenkende haast de moed verliezen nog een mond open te doen.
Weerwoord
Ik doe het echter wel. Want als het omgaan met de Bijbel losgewrikt moet worden van 'opvattingen' over de Bijbel, dan mogen de broeders bedenken, dat ze zelf ook niet met meer komen dan een 'opvatting'. En gemeend kan worden, dat dat tenminste een opvatting is, die uit de Bijbel zelf voortkomt, maar dat is nu net de vraag. Als dat een 'opvatting' is, die ·doet zeggen, dat we in wat de bijbelschrijvers schrijven niet van doen hebben met feiten, maar met de subjectieve weergave van ons onbekende en uit de verhalen niet te achterhalen achterliggende feiten en dergelijke dingen, dan acht ik dat in elk geval een heel wat slechtere 'opvatting' dan bijv. die van de met de mond beleden maar intussen goed verlaten Bavinck. En collega Holwerda mag dan wat luchthartig opmerken dat waar gehakt wordt spaanders vallen, maar de vraag is of je zo mag hakken dat er zulke spaanders komen. Nu doet Holwerdai1iet helemaal zulke gedurfde uitspraken, maar toch moet zijn artikelenserie blijkbaar het standpunt van Van der Dussen ondersteunen. Om daar nu op in te gaan: Holwerda vraaqt aandacht voor het meer speelse en associatieve karakter van veel schriftgedeelten. Er wordt gecomprimeerd en gestileerd. En daarbij zegt hij goede dingen. Bijv. over het "uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen" uit · Matt ..2. Alleen, zo'n preek heb ik er ook wel liggen. Zijn theorie is dus niet nodig om tot die uitleg te komen, en komt er dus ook niet noodzakelijk uit voort. Overigens had Holwerda daar nog uit hetzelfde hoofdstuk bij kunnen noemen: het wenen van Rachel. Beter dan heel wat andere teksten, die hij noemt. Zo is voor de positie van Levi, zoals die allengs wordt uitgetekend, besteenandere verklarinq te geven.
Je moet eens zien hoeveel 'naqekomen' berichten er in de Bijbel voorkomen. Zodat Jannes en Jambres pas voorkomen bij Petrus, de strijd om het lichaam van Mozes en de inhoud van de preken van Henoch pas bij Judas.
De roeping van Abram uit Ur of uit Haran is wel anders te verklaren. Ik kan niet alle schriftgedeelten hier nalopen, maar samenvattend kan ik wel zeggen, dat Holwerda's verklaring in veel gevallen niet sterk en overtuigend genoemd mag worden. En dat zeg ik niet maar, dat zegt hij zelf. Het is steeds: je zou kunnen vermoeden, het zou best eens kunnen zijn, enz. Zulke woorden komen steeds terug. En het laatste voorbeeld dat hij geeft, dat van de inneming van Jericho, brengt hij zelfs .rnet schroom" naar voren. Ik denk terecht. Ik heb van de hand van wijlen ds. K. Smouter daarover wel iets beters gelezen. Iets dat meer steekhoudend was.
Gestileerde geschiedschrijving
Maar we kunnen het erover eens zijn, dat er zeker voorbeelden te noemen zijn van een gecomprimeerde, gestileerde manier van geschiedschrijving. Wat Holwerda echter doet komt wat dwingerig over, om het toch maar op zoveel mogelijk plaatsen te constateren. Maar dan nog: als het op een aantal plaatsen vooromt, dan zou dat de conclusie wettigen, dat de hele geschiedschrijving van de Bijbel zo in elkaar steekt? Als voorbeeld, een sterk voorbeeld, van dat comprimerende, stilerende, zou ik willen noemen Matt. 1, met zijn geslachtsregister van de Here Jezus, in 3x14 geslachten.
De Schrift zelf doet ons zien, dat dat er meer geweest zijn. Maar zijn de zo aangevoerde historische gegevens uit het verleden dan opeens niet zo echt gebeurde geschiedenis meer?
Waarvan je ook kunt zeggen, dat het zich niet als geschiedenis geeft? Of is vanuit dat comprimeren de conclusie te trekken, dat de hele in de Bijbel gegeven geschiedenis gecomprimeerd is? In Gal. 4 hanteert Paulus ook bepaalde gegevens uit het verleden: de geschiedenis van Hagar en Sara. En op wat voor een manier? Het is klare allegorie. Je zou zelf eens zo met de Bijbel omgaan. Hoe kan Paulus dat daar dan wel doen? Naar mijn idee bestrijdt hij op die manier tegenstanders die die methode toepassen.
Hij bestrijdt ze dan met hun eigen wapens. Maar nu de zaak: zou ik dan, parallel aan wat Holwerda wil, een conclusie mogen trekken, vooral als ik ergens nog iets vind dat erop lijkt, in deze trant: alle bijbelse verhalen steken allegorisch in elkaar? Of zou naar 2 Cor. 11, waar Paulus dwaasheid spreekt, zoals hij zelf zegt, vanuit één zo'n plaats, ja al zouden er 20 van zulke plaatsen zijn, zou dan vanuit 20 zulke plaatsen de conclusie te trekken zijn: alles in de Bijbel is dwaas gepraat? Je zult bij zoiets de dingen toch op hun plaats moeten laten staan.
Onzekerheid
Maar zet ik zo vraagtekens bij de door Holwerda gevolgde methode, ik kan het hem beter zelf laten doen. Immers na zijn bespreking van allerlei teksten, waarbij het steeds al blijkt te gaan over vermoedens en veronderstellingen, komt dit als conclusie: "Is het nu geoorloofd een procédé zoals dat hier nog ongeveer aan te wijzen valt ook elders in de Schrift te vermoeden?"
Maar dat is dus, dat het eerst bij de aangehaalde teksten al niet zo'n vaststaande zaak is, en dat het tenslotte ook niet zo zeker is, dat je het over de rest van de bijbelse geschiedschrijving mag uitsmeren. Dat is onzekerheid in het kwadraat. Bij het lezen van de artikelen van zowel v.d. Dussen als van Holwerda dringt zich steeds dit woord aan je op: quod est demonstrandum.
Je zult het eerst nog eens te bewijzen hebben. En helemaal als je zulke diep ingrijpende dingen wilt zeggen, zul je toch met heel goed en sterk bewijs moeten komen. En dat bewijs komt niet. Ook dus volgens Holwerda zelf niet. Als het nu gaat om: beneden de maat, dat noem ik beneden de maat.
Je mag bij de uitleg vim een tekst best . eens wat veronderstellen, dat doe je zelf in een preek ook wel eens, maar als het gaat om zoiets als een nieuwe schriftleer of een nieuw soort hermeneutiek, dan zal er meer moeten gebeuren.
Achtergrond
Tenslotte dit: de diepste vraag hierbij is m.i. tot nu toe niet aan de orde gekomen. En dat houdt me het meest bezig. Als nu dergelijke 'opvattingen' niet duidelijk uit de tekst zelf af te leiden zijn, en dat zijn ze naar mijn vaste overtuiging niet, waar komt dan een en ander uit voort? Als het niet uit de tekst komt, dan moet het haast uit onszelf komen. Als ds. H. de Jong, zoals ons meegedeeld wordt door Holwerda, van de vermomming van Jacob bij het bedrog van zijn vader, zegt dat het niet zo gebeurd is, hoe komt hij dan tot zo'n gezegde? Dat komt niet uit de tekst. Voor mij en voor vele anderen met mij tenminste niet. Ik heb met wat daar in Genesis staat geen enkele moeite. Zomin als ik moeite heb met het onmogelijke bericht van de opstanding, of met het onmogelijke in-verwachting-zijn van een jonge vrouw, zonder dat daar een man aan te pas gekomen is, zo min, ja zelfs nog veel minder, heb ik moeite met de geitenvellen handschoenen en sjaal van Jacob. Het ligt eraan Wie het je vertelt. En daar zal ik mijn rede, mijn verstand, bij gewonnen moeten geven.
De vraag is of ik bij een voor het verstand aannemelijke Bijbel tenslotte de Bijbel nog in handen heb. En dat geldt ten aanzien van ons intellect, dat geldt ten aanzien van het moderne levensgevoel met wat het aan te nemen en op te brengen vindt, dat geldt bij wat moderne theologie ons gebiedend voorhoudt, dat geldt ten aanzien van onze begeerte de Bijbel een aanvaardbaar gezicht te geven voor de moderne mens. Ik denk dat het woord van Paulus in 2 Cor. 10 erg belangrijk is, nl.: elk bedenksel als krijgsgevangene te brengen onder de gehoorzaamheid aan Christus.