Rechtvaardig zijn in geval van nood
2000-09-29
Gij moet geen klacht tegen een oudste aannemen, tenzij er twee of drie getuigen zijn. Wie in zonden leven, moet gij in aller tegenwoordigheid bestraffen opdat ook de overigen ontzag hebben.- Jaargang 44
- nummer 20
1 Timotheüs 5:19, 20
EHBO
In allerlei bijbelse leefregels wordt ons geleerd rechtvaardig en liefdevol met kwaad dat goede mensen treft.
Wij doen er goed aan ons deze principes terdege eigen te maken, ook al hopen wij niet al te vaak in die situaties verzeild te raken waar ze toegepast moeten worden. Ze vormen de noodzakelijke EHBO-kit van onze geestelijke bagage. De regels uit 1 Timotheüs 5: 19,20 horen beslist in die EHBO-kit. Want in geval van nood is het van vitaal belang voor het gemeenteleven om ze paraat te hebben.
Wanneer we een klap op onze rechterwang krijgen, dan weten we precies uit welke hoek het kwaad komt.
Wanneer iemand een oudste aanklaagt dan valt dat vaak moeilijker vast te stellen. Het is zeker dat er kwaad is geschied. Maar ofwel de oudste heeft gezondigd en de aanklacht is terecht, ofwel de klager zondigt door valse beschuldigingen te uiten. Beide mogelijkheden zijn even goed denkbaar en dat maakt het tot een dilemma dat lijkt te vragen om een Salomonsoordeel. De daarvoor benodigde wijsheid ligt binnen handbereik met de regel geen klacht tegen een oudste aan te nemen, tenzij er twee of drie getuigen zijn.
Waarheid
Je leest makkelijk over deze regel uit de Timotheüsbrief heen. Toch gaat het niet om een regel van ondergeschikt belang, maar om een Oudtestamentische principe dat we onder meer reeds in Deuteronomium 19:15 vinden en dat inhoudt dat iemand niet op grond van de verklaring van slechts één getuige veroordeeld mag worden, maar dat er ten minste twee of drie getuigen moeten zijn. Dat vloeit direct voort uit het negende gebod geen vals getuigenis te spreken tegen onze naaste. Deze regel wordt door Jezus bevestigd en echoot door in de apostolische brieven. Begrijpelijk, want elk rechtvaardig oordeel staat of valt met de betrouwbaarheid van getuigen en hun verklaringen. De kerkgemeenschap is alleen maar met de waarheid gediend.
Bijzondere positie
Maar als voor iedereen geldt: onschuldig tot het tegendeel bewezen is, waarom wordt hier dan nog speciaal aan herinnerd met betrekking tot oudsten? Waarschijnlijk omdat van oudsher al geldt dat hoge bomen veel wind vangen. Valse aanklachten kunnen bedoeld zijn om het werk van oudsten te ondermijnen. Wie door een oudste op een zondige levensstijl is aangesproken kan zich op deze manier proberen te wreken. Maar ook wanneer mensen juist bijzonder geholpen zijn bestaat soms de kennelijke neiging zich aan de positie van afhankelijkheid te ontworstelen door de hulpverlener / oudste te kwetsen.
Uit de psychologie weten we dat soms ook een ziekelijk verlangen naar aandacht een rol speelt. Daarbij komt dat het besloten karakter van veel pastoraat maakt dat de pastorale hulpverlener kwetsbaar is voor achterklap en laster waartegen hij zich moeilijk kan verweren.
Dat oudsten zondigen is helaas evenzeer realiteit. Daarom volgt direct in het volgende vers de regel: wie in zonden leven, moet gij in aller tegenwoordigheid bestraffen opdat ook de overigen ontzag hebben. Oudsten kunnen vallen in een heel scala van zonden, maar specifieke valkuilen zijn het misbruik van hun vertrouwenspositie, opgeblazenheid, machtsmisbruik en het seksueel schenden van de pastorale intimiteit.
Als oudsten zorgvuldig aan de hand van de profielschets uit dezelfde eerste Timotheüsbrief verkozen zijn dan voorkomt dat veel problemen. Dat gebeurt ook als oudsten zoveel mogelijk één-op-één-contacten met de andere sekse vermijden. Dit laatste is wel eens moeilijk te realiseren, zeker waar men geen vrouw in het ambt kent. Men mag in ieder geval van oudsten verwachten dat zij naar vermogen de schijn van het kwaad vermijden.
Vleugellam
Het is gevaarlijk voor een kerkgemeenschap om het principe van 1 Timotheüs 5:19,20 niet te hanteren.
Dan kan men met smaad en valse beschuldigingen een kerk en kerkenraad vleugellam maken. Dat gevaar schuilt in de houding van gemeenteleden die elk slachtofferverhaal voor waar aannemen. Dat gevaar schuilt ook in de merkwaardige opvatting omtrent onpartijdigheid, die maakt dat iemand op grond van één getuigenis in elk geval al voor de helft voor schuldig gehouden wordt.
Simpel gezegd: waar twee kijven, hebben twee schuld. Aan de andere kant bestaat het gevaar dat bovengenoemde regel die ter bescherming van de goeden gegeven is, verdraaid wordt om de kwaden voor terechtwijzing te behoeden. Dat gebeurt in kerken waar ambtsdragers op zulke hoge voetstukken staan, dat ze zelfs in het geval van overtuigend bewijs in bescherming genomen worden. Een echte christelijke gemeenschap is te herkennen aan de manier waarop zij dit soort gevaren onderkent en bij haar oordelen over het kwaad en de kwaden rechtvaardigheid betracht.
Toepassing van het voorschrift uit de Timotheüsbrief levert daaraan een wezenlijke bijdrage.