Is de bijbel een 'groen' boek?

2000-09-29
  • Jaargang 44
  • nummer 20
‘En Hij was bij de wilde dieren’.
Marcus 1:13

Aan de bijbel worden door elke nieuwe generatie weer nieuwe vragen gesteld, vragen waarmee men niet eerder heeft geworsteld. In de bijbel worden daarom door nieuwe generaties soms onvermoede nieuwe dingen ontdekt. De bijbel blijkt geregeld ‘actueler’ te zijn dan menigeen had vermoed. Bij die opmerking denk ik aan de uitspraken over het occulte, in Leviticus en Deuteronomium. Ook over het punt van geldbesteding en de man-vrouw relatie is wellicht hetzelfde op te merken: de bijbel zegt daar veel meer over dan we dachten.

Zou dat ook het geval zijn bij dat grote punt dat zo velen in onze tijd bezighoudt, verantwoorde omgang met ons leefmilieu? Of moet je voor een deugdelijke basis voor goed omgaan met de schepping je heil zoeken bij de religies van het Oosten?
Moet je eerst Boeddhist worden om te weten hoe je de aarde bewaren moet voor uitputting, diervriendelijk met onze medeschepselen moet omgaan, enzovoort? Zulke opmerkingen zijn in het verleden in de westerse wereld wel gedaan, zoals ook het christelijk geloof (of ‘de Joods-Christelijke traditie’) door voorvechters van de rechten van het dier vaak verantwoordelijk is gesteld voor de ecologische crisis die onze wereld getroffen heeft.

Is er zoiets als een ‘groene theologie’?
Is de Bijbel ook een ‘groen’ boek te noemen? Vinden we aanwijzingen hoe de Here God wil dat wij met de schepping omgaan? In dat verband wil ik van één tekst melding maken die in de ‘nieuwere exegese’ wel in 't licht van die vraag is doordacht: ‘Hij (Jezus) was bij de wilde dieren’.

Slechts vier woorden
We hebben in het evangelie van Marcus een samenvatting van het verblijf van Christus in de woestijn.
Marcus' weergave is een stuk beknopter dan die in Mattheüs en Lukas. Het gesprek van Christus met de Verzoeker blijft geheel onvermeld; de uiterlijke omstandigheden worden in twee verzen aangegeven. Verrassend is het dat Marcus ook een element bevat dat in de andere twee evangeliën geheel niet voorkomt. Dat betreft die zeven korte woorden: ’En Hij was bij de wilde dieren’. (In de Griekse grondtekst gaat het om slechts vier woorden!) Wellicht kunnen deze vier woorden ons een boodschap brengen die van het nodige belang is voor ons verstaan van de relatie tussen mens en dier. Het is vast geen overbodige zin, want Marcus verspilt nooit woorden in zijn weergave. De Here Jezus wordt de woestijn ingedreven - door de Heilige Geest. Daar wordt Hij verzocht door de Boze. Daar wordt Hij na afloop van zijn verzoekingen door de engelen gediend. Daar is Hij bij de wilde dieren. Zonder verdere uitwerking en zonder verdere omhaal van woorden staat 't zo vermeld. In de loop der eeuwen is er, met varianten, op drieërlei wijze mee omgegaan.

A.
De wilde dieren maken eenvoudigweg deel uit van de woestijn en geven aan hoe eenzaam het daar voor de Here Jezus was. Er was geen enkel mens in de buurt om Hem te bemoedigen en met wie Hij praten kon.

B.
De wilde dieren zijn de bondgenoten van de Verzoeker; ze horen ergens thuis in die demonische wereld, zoals we ook op andere plaatsen in de bijbel kunnen opmerken dat er in de desolate woestenij een concentratie van geestelijk kwaad te vinden is. (‘Veldgeesten huppelen daar’ is wellicht een illustratie daarvan, Jesaja 13:21) Aan de ene kant tref je de Boze en de wilde dieren, aan de andere kant zien we de Here Jezus en de engelen.

C.
Jezus, de Tweede Adam, verkeert in staat van vrede met deze dieren, zoals ook de Eerste Adam in het paradijs voor de zondeval in die betrekking stond met de dieren en de rest van de geschapen werkelijkheid. Het is wellicht een vooruitblik van wat eens weer komen gaat.
De drie uitleggingen brengen ons op verschillende posities. We bekijken ze wat preciezer: zijn er argumenten pro of contra te vinden?

Afwegingen
A.
De nabijheid van wilde dieren geeft aan dat Jezus in deze tijd heel eenzaam was in de woestijn. Op zich is die uitleg goed mogelijk. Wat echter wel opvalt is dat de tekst dat niet met nadruk zegt en dat elk ander stukje van Marcus' tekst iets van theologische betekenis wil aanvoeren. Dat is met de uitleg van deze rol van de wilde dieren dan niét het geval! Het is waarschijnlijk dat Marcus meer wil zeggen dan dat Jezus zich in een lege woestijn bevond zonder menselijk gezelschap.

B.
De wilde dieren horen aan de kant van Satan, zoals engelen aan Jezus' kant horen. Tegen die uitleg zijn ook ernstige bezwaren in te brengen. Om te beginnen, wordt nèrgens ook maar enige indruk gewekt dat de wilde dieren tégen Jezus zouden zijn.
‘Zijn bij’ geeft uiteraard nabijheid aan maar in de evangeliën suggereert het soms ook verbondenheid, vriendschap, intimiteit, hulp. Voorbeelden daarvan zijn: ‘Wie met Mij niet is, die is tegen Mij’ (Matth.12:30) Als Petrus op afstand Jezus gevolgd is, zegt een slavin tegen hem: ‘Ook jij was bij Jezus, de Galileeër’ (Matt.26:69,71).
‘Zie, Ik ben met u al de dagen tot aan het einde der aarde’ zijn Jezus' afscheidswoorden in het evangelie van Mattheüs 28:20) Tenminste tien voorbeelden zijn te vinden buiten 't evangelie van Marcus; bij Marcus zelf 3:14; 5:18 en 14:67.
In de derde plaats vinden we in het joodse denken van die tijd wel het gevoel dat de wilde dieren gevaarlijk zijn, maar niét dat ze in dienst van Satan staan. Soms worden Satan en de boze geesten in hun verscheurende kracht geassocieerd met een wild dier. Boze geesten zijn vijanden van de mensen en ook wilde dieren tonen geregeld dat ze de vijanden van de mens zijn; dat maakt hen echter niet automatisch demonisch! Beiden zijn ze niet-menselijke vijanden, maar ongetwijfeld van héél verschillende aard.

C.
Jezus die bij de wilde dieren is, lijkt daarin op Adam, op de eerste Adam.
Hij treedt op zijn wijze in de voetsporen van Adam die, voor de zondeval, met de dieren in vrede leefde, die net als zij een functie in Gods heilsplan innam.
Deze uitleg lijkt het bij de huidige exegeten het beste te doen, op klaarblijkelijk goede gronden.
Als we die uitleg volgen, zien we nog wat meer dingen. In de eerste plaats is de botsing die de Here Jezus in de woestijn met de Boze heeft, in feite een van de drie ontmoetingen. Hij is ook bij de wilde dieren en Hij gaat ook om met de engelen. Steeds gaat het om niet-menselijke wezens!
Verderop in het evangelie van Marcus komen noch de Satan noch wilde dieren nog rechtsreeks voor; dan staan mensen centraal, zou men kunnen argumenteren.

De Heer is nabij!
Christus overwint de Satan; Hij geeft aan diens verzoekingen niet toe. De engelen zijn de natuurlijke vrienden van de Here Jezus. Tùssen vriend en vijand zijn daar de wilde dieren, die een wankele positie innemen: nietdemonische vijanden van de mens, die door mensen worden gevreesd én van hun kant mensen vrezen.
De Here Jezus, een echt mens, die tegelijkertijd hun Heer is, hun Schepper en ook hun Meester, ontmoet hen op de plek waar ze verkeren.
Met ‘wilde dieren’ worden bijna zeker roofdieren bedoeld: luipaarden, beren, wolven, schorpioenen, adders en cobra's; al die dieren bevonden zich in elk geval toentertijd in de woestijn van Judea. Eventueel mag men ook denken aan de hyena's, jakhalzen, lynxen, gazellen, antilopen, hazen, egels en nog andere beesten, die niet erg gevaarlijk voor mensen zijn, maar vaak wel erg schuw. Dieren die steeds als dreiging voor mensen worden ervaren hebben nu - voorzover wij weten: voor het eerst sinds de zondeval - hun Meester in hun nabije omgeving, ‘lijfelijk’.

Komende harmonie
De joodse uitleg van het Oude Testament en ook daarna zag de vijandschap tussen mens en dier als een triest gevolg van de zondeval. De christelijke kerk heeft die visie overgenomen.
De verbondenheid van schepselen die bedoeld was tussen mens en dier is verworden tot een relatie van uitbuiting en angst. De dieren zijn door de mens gejaagd, geslacht en opgegeten. Of om ivoor, hoorn of pels wreed vermoord, opgezet, verne derd, in ‘onmenselijke’ tredmolens te werk gezet en wat al niet. Er is gewelddadigheid in de relatie binnengeslopen, die door dieren getoond is naar de mensen en naar elkaar toe. Waar vrede en harmonie door God de Schepper waren bedoeld is die relatie op de meest ontzettende manier fout gegaan en scheef gegroeid. In plaats van door mensen te worden beheerst, beheersen de wilde dieren soms de mensen. In plaats van dieren verantwoorde zorg te geven, is de mens ten opzichte van de dierenwereld uitbuiter en uitzuiger geworden.
Maar in de toekomst, zo melden de profeten, zal de harmonieuze relatie van weleer worden hersteld! God zal een nieuw verbond sluiten met de dieren, kondigt Hosea aan. (2:18) Voorschriften die dieren (en bijvoorbeeld ook vruchtbomen) tegen menselijke oorlog, uitbuiting en willekeur beschermen, moeten zullen dan overbodig worden. (Leviticus 26:6; Deuteronomium 20:19,20; Ezechiël 34: 25-29) Een nog kostbaarder belofte is te vinden in Jesaja 11: 6-9. Harmonie wordt in het vooruitzicht gesteld, niets minder dan herstel van de verhoudingen na de zondeval. Iets van dat grootse perspectief wordt al aangeduid in die vier Griekse, en zeven Nederlandse, woorden: ‘En Jezus was bij de wilde dieren’.

De komende verzoening
Als we niet beter wisten, zouden we de Here Jezus hier gewoon kunnen zien als een rechtvaardige in joodse zin: Hij leeft in een relatie van vrede en harmonie met de dierenwereld.
Echter, Hij is wel een echt mens, maar geen gewoon mens! Hier zien we de Zoon van God die aan onze kant wil staan, die voor ons zijn Rijk gaat stichten.
De messiaanse vrede die Hij gaat brengen strekt zich ook tot de wilde dieren uit, zoals ze kennelijk ook de bomen en de bladeren omvatten, die dienen tot genezing van volkeren.
En dat nog voor Hij zich daadwerkelijk in zijn bediening onder de mensen begeeft, is Hij bij de wilde dieren. De vrede die Hij gaat herstellen gaat voorlopig alleen nog maar Hem Zelf aan, nog niet de rest van de mensheid.
Genezen paradijsverhoudingen zijn nog niet voor ons aangebroken; niettemin, er is er al Een die verzoening wil bewerken, ook in de dierenwereld.
De vrede van de mensenwereld met het dierenrijk zal een van de kenmerken zijn van het Rijk dat komt; als de vloek van de zondeval wordt tenietgedaan, zal ook de angst voor de mensen die op de dieren gevallen is weer verdwijnen, net als de angst van mensen voor de wilde dieren.
‘Hij was bij de wilde dieren’ is een aanduiding van een leven in vrede. Er wordt niets gesuggereerd van Jezus' heerschappij over hen, laat staan dat er wordt gezegd dat de mens weer over de dieren regeren zal. We lezen zelfs niet dat de dieren Hem vrezen of dienen; dat doen de engelen. Maar de dieren zijn er, zoals Hij er is. Hij behandelt hen niet als knuffeldier, lastdier of trekdier. Ze zijn gewoon bij Hem, zoals Hij bij hen is en dat is het teken, want daarin doet Hij ook iets van de vervreemding van mens en wild dier te niet; ook deze scheidsmuur moet blijkbaar doorbroken worden.
De dieren zijn er niet in de eerste plaats voor de mens, maar kennelijk voor zichzelf en vooral, voor God.
Dat moeten zij en ook wij opmerken, als de Here Jezus Christus bij hen is.

Jezus laat hen ook in de woestijn! Hij voert ze niet gevangen mee. Hij is geen slangenbezweerder of leeuwentemmer, dompteur. Hij neemt hen niet mee de mensenwereld in. Hij bevestigt hen als schepselen die tot Gods wonderbaarlijke schepping horen, als mede-erfgenamen, op hun manier, van de Werkelijkheid die komt. Hij rept nergens over ‘het nut van dieren voor mensen’. Hij geeft geen enkele steun aan de neiging van ons mensen om de natuur te verwoesten.
Hij verblijft bij de dieren en geeft ons een glimp van de werkelijkheid, die komen gaat.

1) Met dank aan Richard Bauckham, Jesus and the Wild Animals. Grand Rapids, 1994

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief