Van moeten naar mogen
2000-09-29
Jaren geleden tekende ‘Trouw’-tekenaar Molenaar een gezin dat naar de kerk ging. Tussen de beide ouders een tegenstribbelend jongetje.- Jaargang 44
- nummer 20
De ondertitel luidde: ‘Heus Henkie, je moet niet naar de kerk, je mag…."
Moeten en mogen, beide werkwoorden komen voor in de titel van het boek ‘Van moeten naar mogen’ door Nancy Groom, waarvan de inhoud in de vorige twee nummers van ‘Opbouw’ beschreven werd.
Na een aantal bladzijden begint het te irriteren….. Weer zo’n ik-gerichte publicatie. Kennelijk is het in de Amerikaanse cultuur heel gewoon dat lezingen, publicaties en zelfs (televisie-) preken worden doorspekt met persoonlijke ervaringen. Nancy Groom is 5 jaar getrouwd met Bill, ze heeft een 3-jarig zoontje, Christopher, en dan dringt de realiteit tot haar door: Bill is alcoholist. Verder heeft ze allerlei vrienden en vooral vriendinnen met eveneens veel problemen en ook zij komen in het boek ter sprake…..
Maar als we nu eens over onze irritatie heen stappen en verder lezen…..
Er staan namelijk ook veel waardevolle zaken in het boek.
Drie elementen
De visie van Nancy Groom is niet nieuw. Het boek past in een rij van christelijke pastorale publicaties die in de jaren ’90 is verschenen. In die boeken komt een aantal thema’s naar voren. Zo wordt vrij algemeen benadrukt dat onze vroegere levensgeschiedenis van grote invloed op ons huidige functioneren is 1). .. Die visie was in de psychologie al lang bekend; veel hulpverleners baseren zich daarbij op het werk van Erik Erikson. Ook in het pastoraat is het idee dat het heden niet los gezien kan worden van het verleden gemeengoed geworden.
Te denken valt aan een publicatie die wordt gebruikt bij de ‘Netwerk-cursussen’.
Overigens is er ook een tegenovergestelde therapeutische tendens, waarbij het verleden in de behandeling een ondergeschikte rol speelt 2). Ook het gevoel dat veel christenen hebben dat ze nooit kunnen voldoen aan de vragen die anderen hen stellen komt veel ter sprake 3).
Daarmee samenhangend is de noodzaak om los te komen van de dwang van het verleden. Een afgeleid aspect in sommige publicaties is dat het bieden van hulp niet is voorbehouden aan professionals, maar dat de gehele christelijke gemeente een helende gemeenschap kan zijn 4).
Relationele gebondenheid
Nancy Groom ziet een verband tussen de manier waarop familieleden omgaan met verslaafd gezinslid én de wijze waarop veel christenen functioneren.
Om conflicten te vermijden, om pijn te voorkomen, lopen ze om de problemen heen. Ze willen zichzelf mooier voor doen dan ze zijn.
Daarom worden problemen toegedekt en conflicten vermeden ("de schone schijn"). "Boosheid is de meest ontkende emotie" schreef dr. R. Diekstra onlangs. Christenen doen daar hard aan mee: nog altijd kun je in preken en gesprekken horen dat ze niet boos mogen worden. Hoe je die boosheid verantwoord uit is een ander verhaal, maar een christen mag wel boos zijn. Groom schrijft ter relativering dat iedereen in meerdere of mindere mate relationeel gebonden is. Een beperking is dat ze deze gebondenheid niet plaatst in het kader van de ontwikkeling van mensen.
Een puber is doorgaans meer aan zijn ouders gebonden dan volwassenen mensen: hij moet zijn eigen weg nog vinden. Overigens is ‘relationele gebondenheid’ slechts één van de (vele) manieren om het psychologisch functioneren van mensen in kaart te brengen. Soms doen de ‘stappen’ die Groom beschrijft denken aan de fasen die Prof. dr. H.C. Rümke ruim een halve eeuw geleden benoemde 5).
Vanuit een pedagogische hoek kan men bij de kenmerken die Groom noemt denken aan mensen die zich als kind niet veilig hebben kunnen hechten.
In de kerk
Ook binnen kerkelijke gemeenten worden conflicten toegedekt (vgl. de Ouderlingenconferentie 1999; Opbouw 1999/25 en 1999/26). Uiterlijk lijkt alles pais en vree, onderhuids loopt de spanning voortdurend op.
"We moeten dat niet doen, want dan loopt broeder X. de kerk uit." De kerkelijke omgeving past zich dus aan en wordt daardoor mede-afhankelijk van broeder X……. Er is geen sprake van verbondenheid, maar van gespannen gebondenheid. Broeder X leert niets van deze situatie die gebaseerd is op vermijding, maar ook de kerkelijke gemeente loopt vast in een patroon van gebondenheid.
Toegepast in breder kerkelijk verband zou men ook daar relationeel gebonden patronen kunnen onderkennen, vooral in relatie tot kerkelijke conflicten.
In de jaren na 1968 waren veel Nederlands Gereformeerden zeer gevoelig over het ‘oordeel’ vanuit vrijgemaakte kring: ‘wat zouden ze ervan denken?’ De wonden van de scheuring waren te vers, verdere pijn –intern en extern- moest vermeden worden. Ook de positie van de vrijgemaakt-
Gereformeerde kerken liet (door Groom beschreven) kenmerkende aspecten van relationele gebondenheid zien, zoals activisme (eigen organisaties), de neiging tot isolement en een sterke behoefte aan controle op de omgeving, waarbij iedere afwijking verdacht was.
Disfunctionele gezinnen?
Volgens Nancy Groom komen problemen bij volwassenen voort uit het feit dat ze in disfunctionele gezinnen opgroeiden. Helaas werkt ze dit thema onvoldoende uit. Ze is ook te stellig in haar idee dat disfunctionaliteit leidt tot relationele gebondenheid.
Kinderen uit disfunctionele gezinnen groeien soms (toch) uit tot harmonieuze volwassenen. Ze is trots op haar zoon Christopher, maar hij groeide in een zeer disfunctioneel gezin op. Omgekeerd kunnen kinderen uit harmonieuze gezinnen toch beschadigd raken. We kunnen niet alles uit de opvoeding verklaren, veel verschillen tussen kinderen zijn aangeboren.
Ieder kind heeft zijn eigen temperament en reageert daarmee anders op omgevingsomstandigheden.
God vraagt wel van ouders dat ze hun kinderen naar vermogen zullen beschermen, koesteren en stimuleren.
Hoe kinderen later als volwassene zullen functioneren is echter geen rechtstreeks product van onze opvoeding.
Dit maakt dat we (des te) voorzichtiger moeten zijn met de schuldvraag.
Een puber die in ernstige psychische problemen raakt komt dan ook niet per definitie uit een disfunctioneel gezin.
Hard werken?
Verslaving aan alcohol, drugs, seks en sport heeft vaak met vermijding te maken. Nancy Groom schrijft ook dat veel gedrag dat christenen vertonen vermijdingsgedrag is. Ze willen niet geconfronteerd worden met onze oude pijnplekken uit het verleden.
Eén van de manieren is: hard werken.
Dat kan ook in de kerk. Die ambtsdrager die altijd maar bezig is in de kerk, die zuster in de kerkelijke gemeente die zich het vuur uit de sloffen loopt….. Doen ze dat omdat ze pijn willen vermijden? Het is één van de meest confronterende delen uit het boek…..
Is christelijke hulp aan anderen dan in wezen zelfhaat? Zit Groom hier op het spoor van Nietschze? Door haar stellige manier van schrijven zou je het soms gaan denken. Aan het slot van haar boek wordt echter meer duidelijk wat ze in wezen bedoelt. Ze bepleit daar juist de volledige inzet van onze talenten in de kerkelijke gemeente. Dat kan echter pas na een proces van genezing, van herstel, van bekering. We zijn niet in actie om pijn te vermijden, maar omdat we ons aanvaard weten.
Loslaten of weglopen?
Een ander thema is het ‘loslaten’.
Groom schrijft dat de veranderingen bij Bill pas plaats konden vinden toen zij hem niet meer probeerde te veranderen.
In háár gezin werd de situatie beter leefbaar, maar als het nu eens anders was uitgepakt en Bill helemaal in de goot terecht was gekomen?
Loslaten is een buitengewoon moeilijk proces, vooral voor ouders, maar ook voor echtgenoten. Soms zien kinderen of partners geen andere mogelijkheid dan van elkaar weg te lopen.
Nancy Groom is er bijzonder duidelijk in: weglopen helpt niets. In feite is het zelfs de ultieme vorm van vermijding.
Ik vraag me af of ze de ellende van sommige mensen wel voldoende beseft. Je zult maar een mishandelende echtgenoot hebben…. Wél heeft ze gelijk dat weglopen alléén niet helpt en zelfs geestelijke groei blokkeert.
Soms zien we dat als mensen de kerk de rug toekeren. Ze geven aanvankelijk aan dat ze zich bevrijd voelen. Waarvan? Van menselijke druk….maar zijn ze ook echt emotioneel bevrijd? Later blijkt vaak dat er bij de persoon niets wezenlijks is veranderd en dat de problemen zich herhalen.
Het weglopen was slechts vermijding, de dieperliggende emotionele problemen zijn gebleven.
Hulpverlening
Nancy Groom baseert haar denken op een beperkt aantal auteurs. Ze lijkt onvoldoende op de hoogte van de breedte van de professionele hulpverlening.
In dat opzicht is verklaarbaarmaar ook verontrustend- dat ze slechts één maal aanstipt dat soms professionele hulp nodig is. Evenals Larry Crabb in zijn boek ‘Verbondenheid’ vindt ze het verlenen van psychische hulp vooral een taak van de christelijke gemeente. Er is echter diep verstopte pijn die niet (alleen) door een gemeente gedragen kan worden. Soms hebben mensen dringend medicijnen en specialistische psychotherapeutische hulp nodig. Dan is het zeer riskant als gemeenteleden proberen om iemand emotioneel weer op de been te krijgen. Niet voor niets ondersteunen we in onze kerken de STAGG en zijn er ook contacten met andere hulpverleners. In november zal in ‘Opbouw’ nader aandacht aan dit onderwerp worden besteed.
Er moet veel
Nancy Groom verzet zich tegen het ‘moeten’. We gaan niet aan het werk omdat we –op basis van onze levensgeschiedenis- vinden dat het moet.
Pas als we de pijn in ons leven toelaten zijn we ook in staat om te beseffen hoe diep de genade van Christus is. Dan kunnen we ook (als vanzelf) onze talenten laten groeien.
Groom schrijft stellig, in de ‘wij-vorm’, er is bijna geen ontkomen aan. We moeten niets, maar we moeten ons leven wel (laten) veranderen. Ze ontkomt hiermee niet aan het spanningsveld van de tekening van Molenaar (zie de inleiding): we zeggen ‘mogen’, maar het is eigenlijk ‘moeten’. De auteur is er zó van overtuigd dat relationeel gebonden mensen zichzelf en God tekort doen, dat ze haar boodschap dwingend op wil leggen. Al snel in het boek noemt ze relationele gebondenheid rebellie tegen God. Er wordt daarmee een zware last op de schouders gelegd: er moet al zoveel en nu moet ik ook nog veranderen omdat ik helemaal verkeerd bezig ben.
Het is niet denkbeeldig dat lezers dit boek dan al opzij leggen, want opnieuw hebben ze gefaald…. En dat terwijl er veel lezenswaardigs en herkenbaars in het boek staat. Zou het niet beter zijn geweest als Nancy Groom deze emotionele druk -zeker in de eerste delen van het boek- achterwege had gelaten? Als mensen zelf ontdekken hoe zwaar het is om ‘relationeel gebonden’ te zijn staan ze als vanzelf ook gemakkelijker open voor de mogelijkheden van emotionele bevrijding. En uiteindelijk komt dan vanzelf de ontdekking dat de last van Jezus geen zwaar juk is.
Tenslotte
Er kunnen meer kritische kanttekeningen geplaatst worden bij het boek van Nancy Groom. Aan de andere kant valt er ook veel meer te ontdekken.
Het is een boek dat weerstand oproept, maar dat ook veel mogelijkheden tot overdenking biedt. Van het begin tot het eind wordt de Bijbel er bij gehaald. Groom wil voluit christelijke hulpverlening –zelfs vanuit een reformatorische achtergrond- bieden (zoals de nadruk op het verbond en voorbeelden uit de Heidelbergse Catechismus). Soms leggen al die bijbelse voorbeelden een te zware claim op de lezer. Ook lijkt ze mij vaak te stellig in haar conclusies, de werkelijkheid is meer genuanceerd ("Voor de hedendaagse mens zijn gebed en meditatie weerzinwekkend"). Aan de andere kant biedt het boek veel voorbeelden die weliswaar confronterend maar ook zeer verhelderend zijn.
Waarom ben ik altijd zo druk bezig?
Waarom word ik daar zo moe van?
Waarom moet ik mijn wereld altijd zo onder controle houden? Waarom wil ik altijd eerst weten wat de ander er van denkt? Waarom ben ik zo bang voor kritiek? Al die vragen komen aan de orde in dit boek.
Het boek is helder geschreven en daarmee toegankelijk voor veel gemeenteleden. Aan het eind van ieder hoofdstuk staan gespreksvragen die individueel of in collectief verband besproken kunnen worden.
Noten:
(1) Een voorbeeld is: ‘Leven in het heden met je verleden’ van Marleen Ramaker (Barnabas, 1996), een publicatie die gebruikt wordt bij de zgn. Netwerk-cursussen.
(2) ‘Niets moet, alles mag’ door Kees Roest (Boekencentrum, 1999)
(3) ‘Waarom moet ik altijd helpen?’ door Nico van der Voet (Boekencentrum, 1997).
(4) Larry Crabb heeft dat thema uitgewerkt in zijn boek ‘Verbondenheid’ (Medema, 1998).
(5) In: ‘Karakter en aanleg in verband met het ongeloof’ (Ten Have, 1939).
Naar aanleiding van: Nancy Groom, Van moeten naar mogen, Navigator Boeken, 2000, 256 blz., ƒ 29,95