Velen geroepen, weinigen uitverkoren? (1)
2000-10-27
(Verslag van een exegetische zoektocht) De tekst waarover ik in dit artikel iets wil schrijven, heeft me altijd dwars gezeten. Dat had niets te maken met het feit, dat er iets over verkiezing gezegd wordt. De bijbel staat boordevol uitspraken en aanwijzingen die duidelijk maken, dat God een verkiezend God is en ik heb er nooit moeite mee gehad dat te aanvaarden of de neiging gevoeld me daartegen af te zetten. Tenslotte ligt aan elke volwassen menselijke relatie een keuze ten grondslag. Waarom zou dat in de relatie met God anders zijn?- Jaargang 44
- nummer 22
In de loop van de kerkgeschiedenis zijn er, helaas, allerlei theorieën en constructies over die verkiezing heen gebouwd. Daar heb ik wel problemen mee. Maar het bijbelse spreken over verkiezing roept geen weerstanden bij me op.
Alarmbelletje
Toch ging er bij mij ten aanzien van Matth. 22:14 altijd een alarmbelletje rinkelen. Ik begreep dat niet goed, want wat er staat is duidelijk genoeg en ogenschijnlijk kan over de bedoeling ervan geen enkel misverstand bestaan: velen zijn door God geroepen om deel te nemen aan het koninklijk bruiloftsmaal, maar slechts een klein aantal mensen is daar daadwerkelijk toe uitverkoren. Iets anders kon je in deze tekst toch niet lezen?
Waarom bleef ik, hoewel ik geen moeite heb met de realiteit van de uitverkiezing, daar dan toch over struikelen?
Uiteraard heb ik in de loop van de jaren wel eens over de gelijkenis van het koninklijk bruiloftsmaal gepreekt.
Dan kon je vers 14 natuurlijk niet buiten beschouwing laten. Bij gebrek aan beter gaf ik dan maar de gangbare verklaring door, maar het bevredigde me niet en ik had het gevoel dat ik niet alleen zelf met een mes in mijn buik bleef zitten, maar ook mijn gehoor met zo’n ding opzadelde.
Sinds enige tijd is echter tot me doorgedrongen wat de oorzaak was van mijn moeite met deze tekst en ik wil dat hier graag uit de doeken doen.
Het werd me duidelijk, dat de vertaling en de daarop gebaseerde gangbare verklaring niet correspondeerden met de gelijkenis en er zelfs mee in conflict kwamen. Op de een of andere manier had ik dat altijd onbewust aangevoeld en dat veroorzaakte mijn onvrede met deze tekst.
Oorzaak van onvrede
Vers 14 presenteert zich blijkens het voegwoord ‘want’ als een gevolgtrekking uit of een samenvatting van de voorafgaande gelijkenis. De inhoud van dit vers moet derhalve in de gelijkenis terug te vinden zijn. Toen ik dat ging napluizen, stuitte ik echter op problemen. De congruentie tussen gelijkenis en samenvatting bleek niet te bestaan. Bij mijn naspeuringen ging ik ervan uit, dat het ‘geroepen zijn’ correspondeert met het ontvangen van de uitnodiging voor de koninklijke maaltijd door de oorspronkelijk genodigden. Daarbij deed zich geen moeilijkheid voor. De uitnodiging was inderdaad tot velen uitgegaan.
Er waren zoveel gasten uitgenodigd, dat de hele feestzaal met hen gevuld had kunnen worden. De ‘uitverkorenen’ konden geen anderen zijn dan degenen die uiteindelijk de bruiloftszaal vullen. Maar kun je van hen zeggen, dat het er slechts weinigen waren?
Geen sprake van. In de gelijkenis wordt nadrukkelijk vermeld, dat de bruiloftszaal vol werd (vs. 10). Er is niemand die bij een stampvolle zaal aan weinig mensen denkt. Het tweede deel van de samenvatting in vers 14 correspondeert dus niet met de gelijkenis zelf. Eindelijk had ik het gevoel de oorzaak van mijn onvrede met deze tekst op het spoor te komen. Nu zijn er in een dergelijk geval twee manieren om te pogen een oplossing voor zo’n probleem te vinden. In de eerste plaats moet je nagaan of er in de tekst misschien toch elementen te vinden zijn, die je over het hoofd gezien hebt en die een opening bieden om gelijkenis en samenvatting met elkaar in overeenstemming te brengen. Als dat niet het geval blijkt, kun je overstappen op de tweede mogelijkheid: nagaan of in de gangbare vertaling en interpretatie van de samenvatting misschien fouten geslopen zijn.
Weinigen in de bruiloftszaal?
Het eerste onderzoek richt zich dus op de vraag: zijn de ‘weinigen’ uit de samenvatting toch op de een of andere manier in overeenstemming te brengen met de gegevens uit de gelijkenis?
Is er, ondanks alle schijn van het tegendeel, toch een interpretatie mogelijk, die de conflicterende gegevens met elkaar verzoent?
Er blijken inderdaad door sommigen pogingen in het werk gesteld te zijn een dergelijke oplossing te vinden. Zo zijn er uitleggers die het volgende stellen: als je de groep oorspronkelijk genodigden optelt bij de man die uiteindelijk uit de zaal gezet wordt, is dat een grotere groep dan de achterblijvers en is het spreken over ‘velen’ en ‘weinigen’ gerechtvaardigd. Het verschil tussen beide groepen is dan weliswaar minimaal, maar volgens hen toch groot genoeg om er de termen ‘velen’ en ‘weinigen’ op toe te passen. Anderen die de ontoereikendheid van deze oplossing wel aanvoelen, wijzen erop dat de man die uit de bruiloftszaal verwijderd wordt, representant van een grotere groep geweest kan zijn, zodat er in dat geval dus heel wat mensen uit de zaal gezet kunnen zijn. Taalkundig gezien kan ‘iemand’ inderdaad in deze betekenis worden opgevat, zodat dan met meer recht van ‘velen’ en ‘weinigen’ gesproken kan worden. Theoretisch gezien kan men dan zelfs zover gaan, dat er nauwelijks nog mensen in de zaal overblijven en dan is de samenvatting zoals we die nu in vers 14 vinden, veilig gesteld.
De grote vraag is natuurlijk of deze oplossing aannemelijk is. Krijg je bij deze uitleg het gevoel: nu weet ik hoe de vork in de steel zit? Bij mij is dat niet het geval. De overeenstemming tussen gelijkenis en samenvatting wordt hier bereikt via een omslachtige redenering, die m.i. niet logisch uit de tekst zelf voortvloeit, maar er met enig, niet aan de tekst zelf ontleend kunst- en vliegwerk aan toegevoegd wordt. Zelfs met deze uitleg in je achterhoofd doet niets in de gelijkenis zelf je denken aan ‘velen’ en ‘weinigen’. Integendeel, ook dan blijft het beeld van een overvolle zaal je bij. Als de samenvatting in vers 14 ontbrak, zouden de woorden ‘velen’ en ‘weinigen’ bij de lezing van de gelijkenis bij niemand opkomen. Er is in de gelijkenis zelf niets dat op deze tegenstelling wijst. Niemand zou uit de gelijkenis de conclusie trekken: wat zitten er, in tegenstelling tot het aantal oorspronkelijke genodigden, uiteindelijk slechts weinig mensen in die bruiloftszaal.
Context
Voor mij is dat doorslaggevend en dat heeft consequenties voor de benadering van het probleem. Als er discrepantie bestaat tussen een tekst en de samenvatting ervan, moet de samenvatting verklaard worden vanuit de gelijkenis en niet omgekeerd.
Methodisch is het onjuist de tekst te injecteren met begrippen of betekenissen die er niet in voorkomen. In bovengenoemde oplossing gebeurt dat.
Datzelfde geldt met betrekking tot de interpretatie die ‘weinigen uitverkoren’ als volgt verklaart: van de uiteindelijke gasten maakten slechts weinigen deel uit van de oorspronkelijke genodigden. Deze verklaring kán niet juist zijn, want volgens de gelijkenis hebben alle oorspronkelijk genodigden de oproep afgewezen! Sommigen van hen via de samenvatting toch de bruiloftszaal binnensmokkelen is exegetisch gezien onverantwoord.
Als een samenvatting van een tekst iets anders zegt dan die tekst zelf, wordt de vraag onvermijdelijk: zegt de samenvatting wel wat wij erin horen? Lezen wij er misschien iets anders in dan de schrijver zelf bedoeld heeft? We mogen niet bij voorbaat de mogelijkheid uitsluiten, dat we de samenvatting altijd verkeerd gelezen en geïnterpreteerd hebben.
Eenmaal op dit punt aangekomen begon ik de ruimere context van de gelijkenis van het koninklijk bruiloftsmaal erbij te betrekken. Het viel me op dat ze deel uitmaakt en de afsluiting vormt van een reeks van drie gelijkenissen, die elk voor zich duidelijk maken dat het koninkrijk van God uiteindelijk niet toevalt aan degenen voor wie het oorspronkelijk bestemd was, maar aan anderen. In de gelijkenis van de twee zonen (Matth. 21:28-32) gaat de tweede zoon (die verwijst naar de tollenaars en hoeren) de oudste zoon (representant van degenen die zichzelf rechtvaardig achtten) voor in het koninkrijk van God. In de gelijkenis van de onrechtvaardige pachters (Matth. 21:33-46) wordt het koninkrijk van God van de oorspronkelijke pachters (dat wil zeggen: de Farizeeën) weggenomen en gegeven aan een ander volk. En in de gelijkenis van het koninklijk bruiloftsmaal wordt de feestzaal niet door de oorspronkelijk genodigden bevolkt, maar door het rapaille van de straat. Met andere woorden: het zijn gelijkenissen met dezelfde strekking. Dat punt is van wezenlijk belang voor het goede verstaan ervan.
Volgende keer verder.