Geen vervluchting of vervaging
2000-11-10
Het Nederlands Dagblad publiceerde in het nummer van donderdag 19 oktober een artikel van de hand van de hoofdredacteur van het blad 'Christenen voor Israël', de heer Pee Koelewijn, getiteld 'Jeruzalem is voor het volk van God bestemd'. De strekking van wat hij te zeggen heeft wordt door deze titel uitstekend tot uitdrukking gebracht, de auteur kiest er duidelijk partij mee in het conflict dat dezer dagen tussen Joden en Palestijnen weer opnieuw in alle hevigheid is uitgebroken.- Jaargang 44
- nummer 23
Er staat in dit artikel veel dat mij tot tegenspraak prikkelt, want de heer Koelewijn weet het puntig te zeggen, maar ik laat het bij slechts één zaak die hij aansnijdt. De gedreven auteur verwijt namelijk het Nederlands Dagblad dat het in z'n meningsvorming over de plaats van Jeruzalem in bijbels licht bijbelteksten vergeestelijkt.
Hij voegt daar de opmerking aan toe dat dit vergeestelijken van bijbelteksten aangaande Israël de kerk in de loop der tijden enorme schade heeft toegebracht. Dit verwijt klinkt mij bekend in de oren, het is mijzelf ook wel eens gemaakt. Ik grijp daarom deze gelegenheid aan om me over dat vergeestelijken eens wat nader te verklaren. Ik denk dat een discussie daarover nuttig is, omdat het onze hele wijze van Schriftlezen raakt. Om te beginnen: Als men met vergeestelijken bedoelt dat we het bijbelwoord niet mogen laten verdampen of vervluchtigen (vergeestelijken als het ijl en vaag laten worden van wat de bijbel zegt), dan kan ik in het protest daartegen helemaal meekomen. Dat staat immers haaks op het concrete spreken dat voor de bijbel zo kenmerkend is.
Voor mij betekent vergeestelijken evenwel iets anders. Voor mij is het het ultiem ter zake komen van de Heilige Geest met het bijbelwoord om er de uiteindelijke bedoeling van te laten zien. Dat gebeurt in een proces dat al in het Oude Testament begint. Gangbaar is de opvatting dat je voor dat vergeestelijken vooral in het Nieuwe Testament moet zijn en er zijn er die het Nieuwe Testament daarom wel met een scheef oog aankijken.
Anderen gunnen het het Nieuwe Testament om zo te werk te gaan, als het Oude Testament (en met name de profeten!) er maar van verschoond blijft. Ik wil nu aan de hand van enkele uitgewerkte voorbeelden laten zien dat ook het Oude Testament er bepaald niet vies van is. Degenen die mij op de TSB hebben meegemaakt zullen mij hierin gemakkelijk herkennen. Steeds heb ik daar willen laten zien dat het Nieuwe Testament op allerlei gebied in het Oude al begint.
Of het nu gaat om de uitbreiding van Gods volk tot de niet-Joden of om de ontoereikendheid van het dier-offer voor de verzoening van de zonde, gaandeweg zie je beseffen dienaangaande al in de loop van de oude bedeling ontstaan. Zodat we de twee testamenten niet van elkaar kun- nen scheiden, zeker niet met behulp van dit criterium. De twee delen van de bijbel zitten daarvoor veel te dicht in elkaar, waarvoor ik nog maar eens het oude woord van de piëtistische theoloog uit de achttiende eeuw Johann Albrecht Bengel voor de dag haal: Vetus Testamentum in Novo patet et Novum Testamentum in vetere latet.
Ik omschrijf: Gaat het Oude Testament in het Nieuwe open, dan is dat omdat het Nieuwe Testament al in het Oude verborgen aanwezig is. Verborgen, en soms niet eens zo diep verborgen.
Het erfdeel van Levi
Mijn eerste voorbeeld betreft het spreken van de Schrift over het land Kanaän als de erfenis die Israël van de Here God ontvangen had. Niet alle stammen in Israël hadden zo'n erfdeel gekregen. We lezen in Deuteronomium 18 : 1 en 2: 'De levitische priesters, de gehele stam Levi, zullen geen bezit of erfdeel hebben tezamen met Israël; van de vuuroffers des HEREN en diens erfdeel zullen zij eten, maar onder zijn broeders zal hij geen erfdeel hebben: de HERE is zijn erfdeel, zoals Hij beloofd heeft' (zie ook Num. 18 : 20 - 24; Dtr. 10 : 9; 14 : 29, Jozua 13 : 14 en 33; 18 : 7; Ez. 44 : 28 - 31).
'De Here God is zijn erfdeel', als dat geen vorm van vergeestelijking is! En dan geen vergeestelijking in de betekenis van verdamping of vervaging.
Dat blijkt duidelijk uit het feit dat de vuuroffers die Israël bracht Levi's bron van inkomsten waren, alsook de tienden, die in Num. 18 : 21 zelfs Levi's erfdeel heten. 'De HERE is je erfdeel' en 'De tienden zijn je erfdeel', dit allebei werd tegen de leviet gezegd.
Uit het feit dat de Here God zijn erfdeel was volgde dus volstrekt niet dat de leviet maar in een vrome trance op een houtje moest bijten om aan de kost te komen en zijn maag te vullen.
Hem was in tegendeel een behoorlijk inkomen gegarandeerd. De Here God als erfdeel, aan die geestelijke volzin zat dus een materieel aspect. Maar tegelijk werd dat materiële door deze belijdenis gesublimeerd en op een hoger plan gebracht. Zeker de levieten hij was daarin een voorbeeld voor zijn volksgenoten - kon van zijn erfdeel niet buiten de Here God om genieten. Bovendien kon Israël zo, aan de hand van dit voorbeeld van Levi, al vroeg leren dat het bezit van een land niet strikt nodig was om door de Here God onderhouden te worden. Zoals God dat wat Levi nodig had van andermans akkers kon halen, zo kon Hij ook voor heel zijn volk op andere dan normale wijze in de levensbehoeften voorzien. Ging immers aan het landbezit voor Israël niet de woestijntijd vooraf waarin God zijn volk met het hemels brood (het manna) had gevoed? Dat liet al duidelijk zien dat God om te voeden niet van een land afhankelijk was, zomin als Israël om gevoed te worden.
’O Here, mijn erfdeel...’
De les van Levi is onder de overige stammen van Israël niet zonder gevolg gebleven. Er zijn er geweest, in de oude bedeling al, die hun landbezit met behulp van dit voorbeeld, net als de vrome levieten, wisten te relativeren. We lezen in Psalm 16 : 5 en 6: 'O HERE, mijn erfdeel en mijn beker, Gij-zelf bestendigt wat het lot mij toewees. De meetsnoeren vielen mij in liefelijke dreven, ja, mijn erfdeel bekoort mij'. Hier zegt een nietleviet het de leden van de priesterstam na dat de Here God zijn erfdeel is. Het gezegde hoeft niet te betekenen dat deze dichter zonder landbezit in Kanaän woonde, het een kon met het ander goed samengaan, zoals ik hierboven eigenlijk al liet zien.
Hoewel, als inderdaad David de dichter van dit lied is, zoals het opschrift zegt, dan zou de exclamatie kunnen slaan op de tijd dat 'David moeste vluchten voor Sa'uul den tyran'. Je kon hem toen zeker geen gezeten burger noemen, meer iemand die zijn voeten stak onder de tafel van een andere mogendheid (koning Achis van Gat) en in verleiding verkeerde om 'te dingen naar de gunst van een andere god' (vers 4 in vergelijking met I Sam. 26 : 19). Hoe dat ook zij, we hebben hier een getuigenis voor ons van iemand die van de gave van het land wist op te klimmen tot de Gever. Dat gaat dan zelfs zover dat de Gever met de naam van de gave wordt aangeduid: erfdeel. Dat noem ik opnieuw een vergeestelijking. En die dan ook hier verstaan als een ter zake komen, want met al zijn gaven bedoelt de Here God de mens aan zich te binden zodat hij leert zeggen: 'Ik heb geen goed buiten U' (Ps. 16 : 2b). Het gaat in de godsdienst niet om iets van God, hoe groot en veel ook, maar om Hemzelf. Maar ook nu betekende dit niet dat de dichter vanwege deze belijdenis van al het stoffelijke voor zijn levensonder-houd moest afzien. Integendeel, wie van de gave opklimt naar de Gever krijgt van de Gever zoveel terug als Hij vindt dat we nodig hebben.
Door ontwikkeling naar vervulling
Vergeestelijking van de landbelofte betekent dus niet dat de belofte vervluchtigt, wel dat zij tot haar uiteindelijke vervulling komt. Toen God met Abraham in zee ging gaf Hij hem de verzekering: 'Ik zal uw God zijn'.
Langs twee wegen zou de Here God naar de vervulling van die belofte toewerken. Abraham zou een nageslacht krijgen en voor dat nageslacht zou er een land zijn. Maar bij de vervulling van die twee beloften bleef de Here aan zijn zelftoezegging gedachtig.
Dat was zijn uiteindelijke doel.
God en zijn volk, zij zouden elkaar tot een eeuwige erfenis zijn. Wanneer de profeet Jeremia de nutteloosheid van de afgoden aan de kaak gesteld heeft, gaat hij zo verder: 'Maar Jakobs deel is niet als deze; Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de stam van zijn erfenis: HERE der heerscharen is zijn naam' (Jer. 10 : 16). Jakobs deel of erfenis is de Here God en het deel of erfbezit van de Here God is Israël, maak je hieruit op. Hier is het landbezit dat van oorsprong altijd aan het woord erfenis vastgezeten heeft helemaal buiten het beeld geraakt. Wel staat het feit dat de Here God Formeerder van alles is er borg voor dat het zijn volk aan niets zal ontbreken.
Bovendien, bij zijn zelftoezegging 'Ik zal uw God zijn' heeft de Here over Abraham heen, behalve aan Israël, ook aan de hele mensheid gedacht en over Kanaän heen aan de hele aarde.
'In u zullen alle geslachten der aarde gezegend worden', stond immers in Israëls geboortebrief (Gen. 12 : 3).
Ook op deze ontwikkeling was de oorspronkelijke belofte aangelegd.
De weg van de bijbel
Wanneer we de bijbel als weg afleggen (om zo te zeggen) zien we steeds duidelijker dat het deze richting uitgaat.
De richting dus van een vergeestelijking van het landbezit. Zo was het landbezit voor Israël in de tijd die volgde op de Babylonische ballingschap anders dan daarvoor. Anders, geestelijker. De brief van Jeremia, waarin hij de ballingen had opgewekt voor Babel te bidden en zich daar voorlopig thuis te voelen (Jer. 29) had zijn uitwerking niet gemist. Waren daarvoor Kanaän, Juda en Jeruzalem het min of meer vanzelfsprekende bezit van het volk geweest, de Schriftgeleerde Ezra heeft het in het tijdperk van de Perzische overheer-sing over een omtuining in Juda en Jeruzalem en hij noemt dat een tentpin in de heilige plaats (Ezra 9 : 9 en 8). Dat zijn ingehouden zegswijzen (niet meer Juda en Jeruzalem, maat iets in Juda en Jeruzalem) die bovendien iets voorlopigs (tentpin) hebben. En dan: Eigenlijk is vanaf deze tijd niet langer het gehele land, maar het heiligdom de plaats geworden waar Israël uit Babel mocht neerstrijken. In de bodem van het heiligdom sloeg men figuurlijk gesproken zijn pinnen.
Hierbij sluit aan dat als Nehemia, die andere geestelijke reus naast Ezra, de Here God herinnert aan zijn beloftewoord uit Deuteronomium 30 : 5 dat Hij zijn verbannen volk na bekering weer zou terugbrengen naar het land dat de vaderen bezeten hadden, hij dat doet met een opmerkelijke verandering van die tekst: '...Ik zal hen brengen naar de plaats die Ik verkoren heb om daar mijn naam te doen wonen' (Neh. 1 : 9). Dat is de deuteronomische aanduiding van het heiligdom.
Het heiligdom heeft hier de plaats ingenomen van het land. In dat heiligdom mocht Israël na de verschrikkingen van Babel zijn tentpin slaan. Dit was ten opzichte van vroeger een reuzestap voorwaarts op de weg van de vergeestelijking van het landbezit. Inderdaad in de rich-ting van - via het heiligdom - 'De HERE is mijn erfdeel'. Intussen hadden de profeten met hun beloften van herstel Israël al eeuwen lang geleerd over de eigen grenzen heen te kijken naar de volken der aarde. Dat hield na de ballingschap bepaald niet op. De profeet Zacharia (zo geliefd bij de Israël-theologen!) noemt de heidense stad Damascus als hoofdkwartier van een internationaal heilsoffensief van de Here God (waarvoor Hij Alexander de Grote gebruikte?) 'de rustplaats van de HERE' (9 : 1), een aanduiding die, zou je zeggen, uitsluitend aan Jeruzalem was voorbehouden (bijv. Ps. 132 : 14; Jes. 66 : 1). Hij verklaart zich dan ook over deze boude uitspraak met de woorden: 'Want de HERE slaat het oog op andere mensen zowel als op alle stammen van Israël'. Hier zie je in het Oude Testament onmiskenbaar het licht van het Nieuwe opgaan.
Nee, het was allemaal zo ver nog niet, maar het kwam eraan. Het wachten was op de Christus in wie dit alles z'n beslag zou krijgen.
De lijn doorgetrokken
Het is dan in het Nieuwe Testament de formidabele theoloog Stefanus geweest die deze lijnen in zijn toespraak tot het Sanhedrin heeft doorgetrokken, toen hij dat zo centrale heiligdom, waarin het landbezit zich had samengetrokken, nog weer relativeerde met behulp van het bekende woord van Jesaja (maar dat eigenlijk ook al geklonken had uit de mond van Salomo bij de inwijding van de tempel, I Kon. 8 : 27): 'De hemel is Mij ten troon en de aarde een voetbank mijner voeten. Wat voor huis zult gij Mij bouwen, zegt de Here, of wat is de plaats mijner rust? Heeft niet mijn hand dit alles gemaakt?' (Jes. 66 : 12; Hand. 7 : 49 en 50). Met deze aanhaling bereikte de rede van Stefanus in Handelingen 7 zijn climax. Er zitten twee richtingen in dit woord: een opwaartse, naar de Here God zelf, om te laten zien dat het van de gave van de erfenis nu naar de Gever terugging, en een zijwaartse, naar de hele wereld ('dit alles'), om zowel de volken der aarde voor het voetlicht te trekken als de onuitputtelijke voorraadschuur aan te duiden van waaruit de Here God zijn volk voortaan zou onderhouden. Het Sanhedrin had weliswaar geen gelijk toen het Stefanus beschuldigde dat hij voortdurend lasterlijke woorden tegen de heilige plaats sprak (Hand. 6 : 13), maar ze voelden wel heel goed aan dat het in de voorstelling van deze Geestvervulde man voortaan met het heilige land als verbondserf gedaan was. De landbelofte had haar dienst bewezen, van nu af aan stond de hele aarde in de glans van de toezegging 'Ik zal uw God zijn'. Om de bijbelse lijn even helemaal na te tekenen, van het begin af: de aarde had zich geconcentreerd in het land, het land in het heiligdom, van het heiligdom was Christus de vervulling en zo kon in Christus de lijn zich weer terugwenden naar de hele aarde, waarop God zijn volk overal onderhoudt en verzorgt: verwijzing naar de nieuwe mensheid op de nieuwe aarde. (Voor deze korte schetslijn verwijs ik naar mijn artikel Het
Zandlopermodel van de Heilige Schrift, in het nummer van 4 augustus jl.)
Nog twee voorbeelden
Wat nu nog volgt in deze kleine reeks, dat zijn twee bijbellezingen voor de gemeente (door mij ook wel als preek gebruikt), waarin ik volgens dezelfde hermeneutiek (= wijze van Schriftlezen) te werk ga. De eerste gaat in twee delen over Abrahams voorbede voor Sodom (Genesis 18 : 16 - 33) en de tweede, ook in twee delen, over Psalm 105. Alles om te laten zien dat reeds in het Oude Testament het proces van vergeestelijking valt waar te nemen. Steeds duidelijker wordt Gods volk voor zijn bestaan in de wereld op zijn Schepper en Weldoener geworpen.
Hij is het erfdeel van allen die waar ook maar geloven.