Blaauwendraad
2000-11-10
De Gereformeerde Gemeenten (in Nederland en Noord Amerika) waren nooit wat je noemt het meest spannende kerkgenootschap in Nederland.- Jaargang 44
- nummer 23
Alles wat daar gezegd en geschreven werd kenmerkte zich in de regel door een grote uniformiteit en voorspelbaarheid.
Maar dat is intussen drastisch veranderd.
Verantwoordelijk daarvoor is niet een theoloog, een dominee of een professor, maar een natuurkundige (ook een professor trouwens), dr. ir. J.
Blaauwendraad. Deze man heeft het goud van de Schrift weer opgedolven, goud, dat in zijn kring verdonkerd was door vele lagen tradities. Een aantal jaren geleden schreef hij een boekje onder de titel ‘Het is ingewikkeld geworden’ (in Opbouw van 6 februari 1998 was de Persschouw daaraan gewijd). Nu heeft hij, naar aanleiding ook van de reacties op dat eerste boekje, een vervolgstudie gepubliceerd: ‘De leer tegen het licht’.
De oproep van Blaauwendraad is duidelijk: weg van de woekering van een traditie die uiteindelijk z’n wortels heeft in de Middeleeuwse mystiek, terug naar de eenvoud en de helderheid van de Schrift, zoals die met name in de Reformatie door mensen als Luther en Calvijn heerlijk is herontdekt.
Met een keur van citaten laat Blaauwendraad zien dat in zijn kring weliswaar Luther en Calvijn in hoog aanzien staan, maar dat de leer van de Gereformeerde Gemeenten zich desondanks een heel eind verwijderd heeft van het eenvoudige geloof van de Reformatoren.
Dit boekje is, net als het vorige, in de eerste plaats te beschouwen als een appèl, een hartenkreet, gericht tot de eigen geloofsgemeenschap. Een beetje triest, hoewel ook weer niet onverwacht, zijn de reacties die Blaauwendraad ten deel vallen: buiten de eigen kring enthousiasme, daarbinnen vooral afwijzing. Van beide een voorbeeld.
In De Wekker (13 oktober) heeft prof.
Maris erover geschreven. Nu zit er wat oud zeer tussen Christelijk Gereformeerd en Gereformeerde Gemeente: in de vijftiger jaren werd ds R. Kok door de Ger. Gem. geschorst, omdat hij een te ruim aanbod van genade voorstond.
Na een aantal jaren sloot hij zich met zijn gemeente aan bij de CGK (de huidige gemeente van Veenendaal-Pniël).
Begrijpelijk dus dat Maris (onder het opschrift ‘Noodzakelijk protest’) schrijft: Het is verleidelijk nog meer weer te geven uit het pleidooi van Blaauwendraad, dat ten diepste een hoogst ernstig protest is tegen een prediking die aan de HERE tekort doet. Het is bewonderenswaardig, dat hij steeds een nuchtere en broederlijke toon bewaart, al is de inhoud niet zelden vlijmscherp. Men zou op enkele punten nog wel willen doorpraten met de schrijver, maar in wezen kunnen we, bijvoorbeeld als christelijke gereformeerden die iets van de worsteling van ds. Kok hebben geproefd, alleen maar blij zijn met dit boek. () De Gereformeerde Gemeenten zullen deze zaken écht moeten gaan bespreken, en niet verdoezelend zoals tot nu toe. De predikanten die het in wezen met prof. Blaauwendraad eens zijn - en we weten dat die er zijn - zullen zich voor Gods aangezicht de vraag moeten stellen of ze een niet-theoloog nog langer mogen laten 'opdraaien' voor de dingen waar ze in hun eigen geweten ook niet vrij van komen. Er kunnen tijden zijn, dat men zich niet meer in de kring van de eigen gemeente kan opsluiten. Niet om strijd in de kerk te forceren, maar omdat aan een hongerende gemeente het brood van Gods genade onthouden wordt.
Vooralsnog ziet het er niet naar uit dat Maris (en dus ook Blaauwendraad) veel gehoor zal vinden binnen de Geref.
Gemeenten. De voorman in die kring, ds A. Moerkerken, is in zijn blad, De Saambinder, begonnen aan een serie van zeven artikelen over het boekje van Blaauwendraad. De toonzetting van het eerste (5 oktober) voorspelt niet veel goeds voor het vervolg: Ik weet dat sommigen van mening zijn dat het beter zou zijn erover te zwijgen.
Ik acht de dingen die erin aan de orde worden gesteld echter zo fundamenteel en de bezwaren tegen de onder ons gangbare prediking zo ingrijpend dat het niet goed zou zijn het boek onbesproken te laten in ons kerkelijk blad. Sommigen zullen zeven artikelen veel te veel vinden voor De Saambinder. Anderen zullen in elke reactie waarin de schrijver van het boek geen bijval krijgt teleurgesteld zijn. Dat zij dan maar zo. Wat mij betreft zijn er in ‘De leer tegen het licht’ enkele passages die men met instemming kan lezen, andere waarbij men de wenkbrauwen fronst en vele die men met kracht moet afwijzen. () Blaauwendraad heeft er () moeite mee dat men zijn vorige boekje eenzijdig heeft genoemd. Als men dat nu weer zou doen, zou hij dat als een zwaktebod ervaren, zo zei hij in het RD van 14 september j.l. () Ik wil Blaauwendraad beloven dat ik zijn tweede boekje niet eenzijdig zal noemen. Dat vind ik het ook niet. Het is in mijn ogen ongenuanceerd en soms gevaarlijk. Dat zijn scherpe woorden, ik geef het toe. Maar ik heb er grond voor.
Het lijkt me, na twee stemmen óver Blaauwendraad te hebben laten horen, niet meer dan fair om hem ook zelf aan het woord te laten. Ik citeer uit het ND van 16 september: Wat verwacht de hoogleraar nu van dit boek? ‘Niet dat het direct tot veel veranderingen zal leiden. Maar ik hoop wel dat het tot gesprekken leidt. Van de kerkelijke leiders hoef ik het niet te verwachten, maar ik hoop dat gewone kerkleden het op de agenda zetten. Als er een terugkeer zou komen naar een echt reformatorische prediking, waarin schriftuurlijk over beloften, verbond en doop wordt gesproken, is er hoop voor onze gemeenten’.
M.H.T. Biewenga, Emmeloord