Zo goed en zo kwaad... (2)
2000-11-24
Hoe kunnen wij met een open vizier ingaan op de kwesties van goed en kwaad van deze tijd, terwijl we tegelijk trouw blijven aan het Woord dat ons is toevertrouwd? Gods woord, geschreven in een nog-niet-christelijke tijd, dat wij vandaag lezen in een niet-meer-christelijke tijd. Dat is de vraag die dr. Bert Loonstra in Zijn nieuwste boek, Zo goed en zo kwaad, opwerpt.- Jaargang 44
- nummer 24
In mijn vorige artikel heb ik het projectmatig karakter van dit boek onderstreept. De ondertitel luidt immers: Naar een ethiek van de christelijke gemeente. Een boek dat uitnodigt tot kritisch meedenken.
Niet rechtstreeks putten uit de bron?
Eerst moet me iets van het hart. Op pagina 44 schrijft Loonstra: ‘Het is onmogelijk voor de gemeente van vandaag om rechtstreeks uit de bron te putten. De inhoud van de Bijbel komt tot ons via een stroom, de traditie’.
Hier begin ik te steigeren. De diepste intentie van de Reformatie was toch om Gods Woord in al zijn directheid terug te geven aan de gemeente? Ieder gemeentelid heeft dan ook het reformatorische grondrecht om zich rechtstreeks op de Bijbel te beroepen. Iets anders is - en ik begrijp echt wel dat Loonstra daar de vinger bij wil leggen - dat er op een schijnbaar rechtstreeks Schriftberoep vaak veel valt af te dingen. Laten we elkaar op dat punt a.u.b. scherp houden!
En laten we vooral in rekening brengen de historische context waarvoor een Schriftgedeelte in eerste instantie was bedoeld.
Wanneer we als theologen echter gaan stellen dat het voor de gemeente onmogelijk is om rechtstreeks uit de bron te putten, dan manoeuvreren we onszelf in een - bijbels gezienonmogelijke positie. We gaan dan tussen de gemeente en het woord in staan. En worden zo de bemiddelende instantie tussen Bijbel en gemeente.
In die positie moeten we nooit terechtkomen.
Wel kunnen we de gemeente dienen door - desnoods tegen de gevestigde mening in - kritisch op te komen voor het eigene van Gods woord, en er de vinger bij leggen wanneer iemand met een schijn van recht de Bijbel laat buikspreken.
Koninkrijk v..r schepping en verbond?
Loonstra laat ons zien dat het gebod in Gods woord functioneert binnen het krachtenveld van ruwweg drie kringen: de kring van de schepping, die van het verbond (met Israël) en die van het koninkrijk. Tussen die kringen treedt regelmatig een zekere spanning op. Bij Jezus zien we dat Hij achter de verbondsbepalingen betreffende de sabbat teruggrijpt op Gods oorspronkelijk bedoeling met de rustdag. Schepping en koninkrijk gaan dan vóór de bepalingen van het verbond met Israël.
In een andere situatie kan het koninkrijk ook voorrang krijgen boven de schepping. Loonstra wijst dan op Kolossenzen 2:17, ‘waar de sabbat gerekend (wordt) tot de schaduwen, die met de komst van de werkelijkheid, Christus, geen bindende betekenis meer hebben. Dat de sabbat een instelling bij de schepping is, legt hier geen gewicht in de schaal’ (95). Ook wijst Loonstra in dit verband op het huwelijk. Omwille van het koninkrijk kan een discipel van Christus afzien van het bij de schepping ingestelde huwelijk.
Loonstra trekt daaruit voor de ethiek de conclusie dat binnen de gemeente ‘een beroep op de schepping nooit voldoende kan zijn om het morele gedrag te verantwoorden of te veroordelen.
Binnen de gemeenschap van de kerk dient men zich te laten bepalen door het evangelie van het koninkrijk met zijn morele implicaties.
Daarbinnen worden tal van scheppingsnoties en ook verbondsnoties bevestigd, maar het belang van het koninkrijk verbiedt een slaafse onderwerping daaraan’ (96). Een gedachte die in het ontwerp van Loonstra een sleutelpositie inneemt.
De prioriteit van de liefde
Binnen de kring van het koninkrijk gaat het uiteindelijk om de liefde.
Daarom kan een christen zich naar Loonstra's overtuiging niet beperken tot slaafse navolging van de letter van het gebod, maar moet het hem te doen zijn om de bedoeling ervan. Die bedoeling vat hij aldus samen: ‘bij te dragen aan de vormgeving van het leven in de liefde van de Here, en, als keerzijde daarvan, ons verre te houden van een leefwijze die de vrijheid in Christus bedreigt’ (108). Wij moeten in de geboden zoeken naar de verbinding met de liefde van het koninkrijk van God.
Het valt me op dat Loonstra in dit verband nogal wat verwacht van de kracht van het redelijke denken. Hij zoekt steeds naar een aantoonbare relatie van een regel met de liefde van het koninkrijk (106). Om in de paulijnse vrijheid (zie Gal. 5) te kunnen gehoorzamen aan de geboden ‘is het nodig dat hun bedoeling om de liefde te dienen door de gelovige wordt begrepen’ (107).
Intussen is de kritiek op Loonstra's standpuntbepaling betreffende de voorrang van de liefde voorspelbaar.
Als de liefde de prioriteit heeft, gaat dan niet al gauw de doorslag geven wat ons het beste uitkomt?
Ik denk dat Loonstra zich tegen die kritiek op de enig juiste wijze gewapend heeft. Over de liefde van het koninkrijk zegt hij, dat die niet moet worden opgevat als ‘onvoorwaardelijk op de wensen van de ander ingaan, maar veeleer als: onvoorwaardelijk het goede voor de ander zoeken’ (108). Dat goede is dus niet wat wij goed vinden voor de ander, maar wat goed voor hem is in Gods ogen.
De plaats van de vrouw
Een voorbeeld van de manier waarop Loonstra het principe van de prioriteit van de liefde toepast, vormen zijn gedachten over de plaats van de vrouw. Met name betreffende de onderdanigheid van de vrouw ten opzichte van haar echtgenoot. In Paulus' tijd had deze regel een duidelijke functie die ook landde in de culturele context van die eeuw. Maar, zegt Loonstra, de tijden zijn ingrijpend veranderd.
‘Destijds functioneerde voor vrouwen de dienende liefde binnen de gegeven structuur van ondergeschiktheid, in de context van onze sociale verhoudingen zou deze eis van ondergeschiktheid tot een juk kunnen worden dat de vrijheid-tot-liefde juist in de weg staat’ (115). Zo komt Loonstra tot de volgende conclusie: ‘Indien de gemeente niet in staat is de zin van de onderdanigheid in onze maatschappelijke context te verklaren vanuit de evangelische eis van de liefde, vervalt de basis om de eis van onderdanigheid te handhaven’ (115).
Gezag in de gemeente
In een tijd anti-autoritaire tijd is het gezag van een kerkraad problematisch geworden. De kerkraad zegt A, een gemeentelid zegt B. En in een gesprek komt het gemeentelid al gauw tot de uitspraak: dat is uw mening, ik denk daar anders over. Een standpunt, ook als dat bijbels onderbouwd is, wordt heel gemakkelijk herleid tot een particuliere zienswijze.
Een typisch symptoom van het postmodernisme: omdat men niet meer gelooft in dé waarheid, gunt ieder de ander z'n eigen waarheid, mits hij mij in naam van zijn waarheid maar niet te na komt.
Een machtswoord van de kant van de kerkraad dat in een patriarchale context zou werken, mist vandaag in veel gevallen zijn uitwerking. Vandaar de aanbeveling van Loonstra om door middel van een geduldige, pastorale benadering het autonomie-denken dat zich ook binnen de gemeente manifesteert, niet te breken, maar te buigen (164).
Een welgemeend advies, dat alle overweging waard is. Maar de eerlijkheid gebiedt me daar wel bij aan te tekenen dat een dergelijk optreden van de kerkraad ongewild toch een zekere vervaging met zich meebrengt.
Wandelen door de Geest
Naar mijn overtuiging kan hier geen risicoloze weg gewezen worden. En we helpen elkaar al helemaal niet door de problemen die Loonstra schetst te ontkennen of uit de weg te gaan.
Ik denk aan de gelijkenis waarmee ik mijn bespreking begon. 'Zoals iemand die naar het buitenland ging, zijn huis overliet aan zijn slaven en hun volmacht gaf, ieder zijn werk, en de deurwachter opdroeg te waken' (Mrk 13,34). Voor de tijd dat de Heer van het huis afwezig is, verleent Hij zijn slaven volmacht en geeft Hij de deurwachter de opdracht om waakzaam te zijn.
Als slaven van Christus moeten wij in de Geest (hier bewust met hoofdletter geschreven) van de Heer beslissingen nemen die op de situatie van vandaag zijn toegesneden. Niet op een eigenmachtige wijze, maar in de lijn van het gegeven Woord.
De geboden doen vanuit de inwoning van de heilige Geest. Die ons brengt, níet bij wat goed is in eigen ogen, maar bij Christus!