Abrahams pleidooi om een plaats voor Gods volk in de wereld

2000-11-24
  • Jaargang 44
  • nummer 24
(Bijbellezing voor de gemeente over Genesis 18 : 16 - 33)

‘Wat nu nog volgt in deze kleine reeks, dat zijn twee bijbellezingen voor de gemeente (door mij ook wel als preek gebruikt), waarin ik volgens dezelfde hermeneutiek (= wijze van Schrift-lezen) te werk ga. De eerste gaat in twee delen over Abrahams voorbede voor Sodom (Genesis 18 : 16 - 33) en de tweede, ook in twee delen, over Psalm 105. Alles om te laten zien dat reeds in het Oude Testament het proces van vergeestelijking valt waar te nemen. Steeds duidelijker wordt Gods volk voor zijn bestaan in de wereld op zijn Schepper en Weldoener
geworpen. Hij is het erfdeel van allen die waar ook maar geloven.’

Zo besloten we de vorige keer de eerste bijdrage van ds H. de Jong in zijn serie ‘Over het vergeestelijken van bijbelteksten’.
In deze Opbouw deel twee van de zesdelige serie.

Het opschrift
'Abrahams voorbede voor Sodom', dat is wat onze vertaling boven het tweede gedeelte van Genesis 18 zet.
De geschiedenis is bekend genoeg.
Bekend en ook wel geliefd. Wat sympathiek, nietwaar, dat Abraham in de bres gesprongen is voor die deugnieten daar in die slechte stad! En hoe gedurfd van hem om zo gewiekst en toch vol eerbied met God in onderhandeling te treden! Vijftig, vijfenveertig, veertig, dertig enzovoortswe maken het gespannen mee. En we zijn geneigd er een voorbeeld aan te nemen. Moeten ook wij niet met dezelfde barmhartigheid in onze wereld staan? Biddend, voorbiddend en onszelf in de waagschaal stellend voor de slechte wereld? Heeft ook Christus niet voor de overtreders gebeden? En toch vraag ik me afonze neiging om Abraham na te volgen even latende voor wat ze is - of wij het opschrift van onze vertaling zo wel goed verstaan. Is het wel juist aan een voorbede voor de mensen van Sodom en Gomorra te denken?
Zijn we hier echt in dezelfde sfeer als op Golgota, waar Christus bad: 'Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen'? Of in hetzelfde geestelijke klimaat als voor het sanhedrin waar Stefanus bad: 'Here, reken hun deze zonde niet toe'? Dat zijn echte voorbedes geweest, nietwaar, een aanvoeren van verzachtende omstandigheden en een op grond daarvan smeken om genade en vergiffenis voor vijandig-slechte mensen. Ligt dat hier ook zo? Ik wijs op vers 23: 'Zult Gij dan de rechtvaardige met de goddeloze verdelgen?', horen we Abraham vragen. Je kunt met dit woord vóór je toch niet goed beweren dat de aartsvader voor de overtreders van Sodom gebeden heeft? Met de ondergang van de goddelozen daar heeft hij juist vrede, zo blijkt hier. Althans, hij spreekt God daarop niet aan. Maar wat dan? Daar wil ik het met u over hebben en dat wil ik u gaan laten zien.

Omwegje
Daarvoor moet ik een omwegje maken, maar dat zal niet langer duren dan nodig. Toen de Here God met Abraham in zee ging, deed Hij hem de belofte: Ik zal uw God zijn. En dat de Here zijn God zou zijn, zou concreet uit twee dingen blijken.
Abraham zou tot een groot volk worden en Abraham zou voor dat volk dat uit hem zou voortkomen een land krijgen. Dat waren de twee toespitsingen van de grote belofte, die trouwens op het nauwst met elkaar samenhingen. Zonder volk had de belofte van het land geen zin en zonder land kon het volk zich niet ontplooien.
Je ziet die twee beloften dan ook steeds in elkaars nabijheid opduiken in de aartsvadergeschiedenis.
Meteen bij de roeping van Abraham in Genesis 12 merk je dat al. Eerst heet het: 'Ik zal u tot een groot volk maken' (vers 2), en vervolgens: 'Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven' (vers 7). In het tweede deel van hoofdstuk 12 zie je dan dat Sara in de harem van de farao wordt opgeno-
men. Daarmee komt de belofte van het nageslacht in het nauw. En in hoofdstuk 13 kaapt Lot het mooiste gedeelte van Kanaän voor Abrahams neus weg. Dat raakt de belofte van het land. En zo zie je steeds in de aartsvadergeschiedenis dat het òf over het een òf over het ander gaat, òf over beide. Kijk ook nog maar naar hoofdstuk 15, waar ze weer alle twee voorkomen. Eerst zegt de Here: 'Als de sterren des hemels, zo talrijk zal uw nageslacht zijn' (vers 5) en dan: 'Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven, maar niet eerder dan dat de maat van de ongerechtigheid der Amorieten vol is' (de verzen 18 en 16).
Die twee beloften, het zijn de twee benen waarop in die eerste tijd van Israël het heil naar de vervulling toeloopt.
Wij mogen trouwens op het spoor van die twee beloften verder doordenken, de toekomst in. Op de lijn van de belofte aan Abraham van het nageslacht ontmoeten we uiteindelijk de Christus en, als resultaat op zijn arbeid, de nieuwe mensheid en in de belofte van het land gaat het uiteindelijk om het dierbaarst plekje grond Golgota als de plaats van de verzoening, vanwaaruit zich het perspectief opent op de nieuwe aarde. De nieuwe mensheid op de nieuwe aarde, daar gaat het de Here God uiteindelijk om als Hij Abraham die dubbele belofte doet. De dubbele belofte, die zich eerst vernauwt en daarna verbreedt.
Ik mag hiervoor verder wel verwijzen naar mijn artikel in Opbouw van 4 augustus jl ‘Het zandlopermodel van de Heilige Schrift’. Einde omweg.

De verborgen achtergrond
En nu naar ons hoofdstuk dat, zoals u duidelijk kunt zien, in twee stukken uiteen valt. Kijk maar naar de twee opschriften: 'God belooft Abraham opnieuw een zoon' en 'Abrahams voorbede voor Sodom'. Het is eigenlijk één geschiedenis daar in dat hoofdstuk, het gaat over één en dezelfde verschijning van de Here aan Abraham. Dat laat al zien dat je die twee gedeeltes van Genesis 18 niet van elkaar mag scheiden. En dit is wat ik nu opper: Zou het in heel Genesis 18 niet om de bekende dubbele belofte kunnen gaan? Die van een nageslacht (wat in het eerste gedeelte natuurlijk op het eerste oog al te zien is) en die van een land voor dat nageslacht?
Het land voor het nageslacht, is dat niet de verborgen achtergrond van het gedurfde gesprek dat Abraham met God voert? En ziehier dan Abrahams overweging op grond waarvan hij dit gesprek met God aangaat: Er komt nu echt schot in de belofte van de zoon, de erfgenaam, het nageslacht; over een jaar zal Sara een zoon hebben. Maar waar zal dat nageslacht moeten wonen, als God, zoals Hij nu aankondigt, Sodom gaat verwoesten. Want Sodom en Gomorra en de streek eromheen - zeg maar: de randstad Sodom - zij maakten deel uit van het land van de Kanaänieten. In de rest van het land was de maat van de ongerechtigheid nog niet vol, maar in Sodom blijkbaar wel. In het verlengde van Sodoms vernietiging ziet Abraham nu het hele land in gevaar. Want de Sodomieten en de rest van de Kanaänieten verschilden slechts van elkaar in de graad van het kwaad. En als God straks heel Kanaän moest gaan straffen met ondergang, wat zou er dan terecht komen van de belofte van het land?

Het gaat om de plaats
Het is waar, het gaat in het tweede deel van Genesis 18 enkel om een deel van het land, namelijk om de steden Sodom en Gomorra. Maar wat de Here God daarmee gaat doen is rechtsreeks bedreigend voor heel het beloofde land, is Abrahams gedachte.
Want nog eens, zou met heel Kanaän niet hetzelfde moeten gebeuren als wat Sodom en Gomorra overkwam, wanneer de maat van de ongerechtigheid der Amorieten vol geworden was? Nu wordt het gesprek veel duidelijker.
'En Abraham trad nader en zeide: Zult Gij dan de rechtvaardige met de goddeloze verdelgen?
Misschien zullen er vijftig rechtvaardigen in de stad zijn; zult Gij haar dan verdelgen en aan de plaats geen vergiffenis schenken terwille van de vijftig rechtvaardigen die in haar zijn?' (de verzen 23 en 24). Merkt u dat?
Het gaat over de stad, de plaats. Het is natuurlijk wat typisch gezegd: 'aan de plaats vergiffenis schenken', maar het betekent niets anders dan: de plaats sparen. De plaats moet gespaard worden, niet in de eerste plaats de plaatsgenoten maar de plaats zelf. Ook bij vers 26 wordt dat nog eens duidelijk, waar de Here God zegt: 'Indien Ik te Sodom vijftig rechtvaardigen in de stad vind' (opvallend, hè, dat dubbele van 'te Sodom' en 'in de stad'!), dan zal Ik de gehele plaats vergiffenis schenken om hunnentwil.
Opnieuw: De plaats die gespaard moet worden. Niet natuurlijk de plaats met aftrek van de mensen die er wonen, maar toch is het de plaats en zijn het niet de mensen daar die met name worden genoemd. De plaats. En op de achtergrond van die plaats staat het hele land. En niet alleen Abraham maar ook de Here God wil om Sodom te sparen tot het uiterste gaan: 'Al zou Ik er maar tien rechtvaardigen vinden, Ik zou de plaats om hunnentwil niet verdelgen' (vers 32). Abraham bidt niet voor de zondaars in Sodom, zomin als destijds Noach voor de goddeloze wereld gebeden had. Zomaar slordigweg bidden voor de goddelozen, niet eens dat ze zich mogen bekeren, maar enkel en alleen dat ze gespaard mogen worden, daar moeten we inderdaad voor oppassen, dat kan moreel onverschillig maken. Abraham ook, hij maakt er geen aanmerking op dat God de goddelozen met de ondergang bedreigt. 'Zou de rechter der ganse aarde geen recht doen?' (vers 25), vraagt hij juist. En een God die recht doet - dat ziet er voor de goddelozen slecht uit. Alleen, ziet God, zo vraagt Abraham nu, dan niet over het hoofd dat er in Sodom toch niet enkel goddelozen wonen? Laat ik dit even in een breder kader zetten: 'De aarde is om uwentwil vervloekt' zei God tegen Adam bij de val. Hoe lang moet het duren voordat Gods geduld waarmee Hij die vloek in z’n volle doorwerking nog tegenhoudt, op is? Hoeveel rechtvaardigen zijn er nodig om die vloek over de aarde nog op te houden? Over de aarde? En hier dus de vloek over dat deel van de aarde dat Sodom en Gomorra of Kanaän heet? Dat zijn - geëvolueerdde gedachten die Abraham bezighouden.
En laat het u niet ontgaan: God komt Abraham in zijn bezwaar verregaand tegemoet, want ook Hem staat het belang van de plaats voor ogen.
De plaats waar zijn volk in de wereld kan wonen en leven. Daar is God zuinig op, die verdelgt Hij zomaar niet.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief