Overleven in de woestijn

2000-12-08
  • Jaargang 44
  • nummer 25
Openbaring 12: 6, 14

In Openbaring 12 wordt de camera verplaatst. Opnieuw krijgen we een overzicht van de geschiedenis te zien.
Nu vanuit het gezichtspunt van de eeuwenoude vijandschap die God zelf uitgeroepen heeft. De HERE God zei tegen de slang: ‘vijandschap bewerk ik tussen jou en de vrouw, tussen jouw nageslacht en het hare.’ (Genesis 3:15 )

Voortvarend en beslist.
Johannes ziet een groot teken aan de hemel. Een zwangere vrouw en een draak. ‘De draak ging voor de vrouw staan, die op het punt stond haar kind te baren, om het te verslinden zodra ze bevallen was’ (vs 4) Dat is in één zin de geschiedenis van Gods volk vóór de geboorte van Christus.
‘Maar toen ze het kind gebaard gehad… werd het dadelijk weggevoerd naar God en zijn troon’.
Dat is kerst en hemelvaart in één adem.
Ook de geschiedenis van de Zoon van Israel, de Messias, wordt in één zin samengevat. Nog even en het einde is daar. Dat hoef je de draak niet te vertellen.
Hij weet dat zijn dagen geteld zijn (vs 12) Hij heeft verloren en overleeft het niet. Dat maakt hem helemaal hels. Zoals een paling waarvan de kop wordt afgesneden pas goed wild wordt. Daarom wordt gezegd: ‘Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u neergedaald in grote grimmigheid.’ (vs 12) (Lees ipv wee liever: ach. . . het is geen dreigement, maar een klacht, een kreet van mededogen met wat er op aarde gebeurt)

Láng wachten in de woestijn.
De draak weet dat de dagen van de strijd geteld zijn. Maar de vrouw moet dat ook horen en weten!.
Zij is de woestijn ingevlucht. De woestijn: brandhaard en schroeiplek op de aardbodem. Het heeft alles te maken met die slang in Genesis 3. De mens is weg uit het paradijs. De aarde is vervloekt en brengt dorens en distels voort: het begin van het woestijnlandschap.
Hoe overleef je daar. 1260 dagen maar liefst! (vs 6) 3 1/2 jaar. 1+2+ 1/2 : (vs 14) ‘een tijd’: het duurt lang; ‘tijden’: het duurt nog langer; ‘en een halve tijd’: plotseling is het over en uit.
1260 dagen, de tijd tussen de eerste en tweede komst van Christus.
Maar 3 1/2 jaar is ook slechts de helft.
De draak komt nooit verder dan halverwege.
Hij komt nooit tot 7, tot de voltooiing van zijn plannen.
De 'draken' van machthebbers leggen halverwege of al eerder het loodje.
Farao, Haman, Herodes, Nero, Hitler en vele anderen. Psalm 2, de kerstpsalm, zegt van die machthebbers dat ze ‘onderweg te gronde zullen gaan’.
Onderweg: ze hebben hun einddoel nog lang niet bereikt. Ze halen het niet.

De woestijn als overlevingsoord.
Gods volk onderweg overleeft wel!
De woestijn is niet alleen een brandhaard op aarde, maar ook doorgang naar het beloofde land.
Het laatste deel van Openbaring 12 herinnert aan het verblijf van Israël in de woestijn. ‘Aan de vrouw werden de 2 vleugels van de grote arend gegeven om naar de woestijn te vliegen.’ Zo zorgde God voor zijn volk in de woestijn: ‘Ik heb u op arendsvleugelen gedragen’ (Exodus 19:4, vgl Deut 32:11) Ook het water in vs 15 herinnert aan de woestijnreis. ‘En de slang wierp uit haar bek water achter de vrouw als een stroom, om haar door de stroom te laten meesleuren. De aarde kwam haar te hulp.’ Het doet denken aan de Israëlieten die veilig door de Schelfzee konden trekken, toen de Farao, de draak Egypte hen op de hielen zat.
(vgl Exodus 15 met Ezechiël 32:2 en Psalm 74:13) De vrouw wordt niet de woestijn ingestuurd in de betekenis van ‘red je maar’. Ze wordt niet aan haar lot overgelaten, maar ze wordt machtig onderhouden.
Met water uit de rots en brood uit de hemel.

Niet weerloos, maar weerbaar
Zo krijgt de woestijn een ongekende meerwaarde. Ze is ook oefenplaats waar 'recruten' hun training ontvangen.
Plek waar ze leren om van niets te leven. Alleen de hand ophouden om te leven van Gods gunst. Vele groten van Israël hebben hun recrutentijd in de woestijn doorgebracht: de aartsvaders, Mozes, David, Elia, Joahnnes de Doper en, niet te vergeten!, Jezus.
Wanneer de christelijke gemeente werkelijk leert leven van genade, is er voor de duivel weinig eer meer te behalen.
Daar in de woestijn wordt de vrouw ‘onderhouden buiten het gezicht van de slang’ (vs 14) Wat de duivel beslist niet kan aanzien, waar hij zijn tronie voor weg draait dat is de gemeente van Christus, die overleeft en zingt: In het hart van de woestijn verkwikken en laven zijn hemelse gaven. Hij wil mij versterken met brood en wijn.
Zij hebben de draak overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis. (vs 11).
Weerbaar, in de barre woestijn Nee, dat maakt van de woestijn nog niet direct het paradijs.
Maar er is brood voor onderweg, genoeg voor elke dag! Het levende Brood En de wijn doet ons verlangend uitzien naar het beloofde land.
Het is hier een aflopende, een aftellende zaak. God telt naar zijn nieuw begin toe. 1258, 1259, 1260!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief