Zo zie ik het
2000-12-22
Vijftig jaar is hij en hij heeft veel te vertellen. Ab van Eijbergen is slechtziend en woont al vele jaren in instellingen voor verstandelijk gehandicapten.- Jaargang 44
- nummer 26
Hij heeft een fenomenaal geheugen.
Zijn vroegere begeleider John Sijnke luisterde naar de verhalen van Ab en samen hebben ze een boekje samengesteld.
In de tekst in het boek zitten enkele kleine schoonheidsfoutjes (de vroegere voorzitter van de EO wordt dominee Doorenbosch genoemd, er wordt gesproken over bijzonder onderwijs in plaats van over –destijds- buitengewoon onderwijs).Wat echter vooral opvalt is de grote mate van zorgvuldigheid waarmee John het levensverhaal van Ab heeft opgetekend.
Hij nam de gesprekken op op cassette.
Daarna werden ze bewerkt, waarbij de inhoud zoveel mogelijk intact bleef. Vervolgens sprak hij de teksten weer in op de cassette en liet ze door Ab beluisteren en van commentaar voorzien. Op die manier groeide er een boek waar Ab als hoofdpersoon helemaal achter kon staan.
Straf
Vijf jaar was Ab toen hij naar Bartimeüs in Zeist ging. ‘In die tijd werd er goed voor je gezorgd. Maar de opvoeding ging heel anders. Er werd nooit om je mening gevraagd, wat je zelf ergens van vond, echt nooit! Je moest gewoon luisteren.’ Dat luisteren moest ook in de kerk. Twee keer per zondag moest Ab naar de kerk en vooraf moest hij ook nog eens beloven dat hij stil zou zitten. Ab: ‘Soms vergat ik dat of ik zat met iemand te praten. Dan moest ik voor straf naar bed toe. Ik moest ook wel eens voor straf op de zolder staan. De groepsleidsters zeiden dat er ratten op zolder zaten. Ik was heel bang. Het was pikdonker. En de meiden gooiden ook pap over mijn aardappelen als ik niet snel genoeg door at. Dan moest ik net zo lang aan tafel zitten tot ik het opat. Dat waren heel vervelende dingen.
Ik begrijp nog steeds niet hoe die meiden dat nou konden doen bij zulke kleine kindertjes.’
Regels
Toen hij 7 jaar oud was kwam Ab weer thuis. Hij werd op de toenmalige BLOschool veel gepest omdat hij slechtziend was. Omdat het op school niet goed ging, kwam Ab weer in een instelling terecht. Aan dat internaat was een school voor blinden en slechtzienden verbonden. Ab verbaast zich nog steeds over de regels van het huis, zoals alleen door de achterdeur naar binnen, verplicht iedere zondag een brief naar huis sturen, alleen met koud water wassen, alleen het personeel kreeg een tweede kopje koffie.
Van die regels mocht je nooit afwijken.
Ab had moeite met die regels, maar hij heeft er vooral moeite mee dat hem nooit is uitgelegd waaróm die regels er waren.
In de stad
In de jaren ’70 liet de NCRV een documentaire zien over een particulier huis in Amsterdam. Het zag er mooi uit en de mevrouw die leiding gaf aan het huis leek een warm hart te hebben voor mensen met een verstandelijke beperking. Daar wilde Ab dus wel wonen, niet meer van die vreemde regels en midden in de stad.
De praktijk viel helaas erg tegen, de mooie verhalen op de televisie bleken een façade te zijn. Ook het wonen in Amsterdam was niet ideaal. Ab: ‘Ik had er niet veel aan, want ik kon nooit alleen naar buiten toe. Omdat het te gevaarlijk was, met al dat verkeer en zo. Ik heb een enkele keer een blokje om gelopen, maar het was veel te druk. Meestal zat
ik binnen, ook in het weekend.’
Mij is niets gevraagd
In 1983 verhuisde Ab, opnieuw op eigen verzoek, naar een grote instelling voor mensen met een verstandelijke beperking. Hij vindt het wonen daar een hele vooruitgang vergeleken met het particuliere tehuis in de stad.
Maar ook hier heeft hij zijn eigen mening en die steekt hij bepaald niet onder stoelen of banken. Het valt hem vooral tegen dat er zo vaak óver hem beslist wordt. Op een gegeven ogenblik wordt zijn baan (het ophalen van vuilniszakken) opgeheven omdat er een ander systeem komt. Ab: ‘Ik had die baan willen houden, maar het kon blijkbaar niet. Maar niemand van de mensen die er over gingen heeft er ooit met mij over gepraat.
Het was al besloten. Mij is niets gevraagd.’
Als ik minister was
Ab heeft –ondanks zijn handicap- veel van de wereld gezien. Zijn broer is sterk op hem betrokken en samen zijn ze naar de Noordkaap geweest, naar Lapland en zelfs naar Spitsbergen. Hij bezocht ook het eerste wereldcongres over de rechten van mensen met een verstandelijke beperking.
Geen wonder dat Ab ook veel breder denkt en kijkt dan alleen de gang van zaken op zijn eigen instelling. En dus komt hij ook in aanraking met het overheidsbeleid. De beleidsmakers bedenken van alles, maar hem wordt wéér niets gevraagd. Hij is het zeer oneens met het beleid dat alle grote instellingen zouden moeten verdwijnen.
‘Voor sommige mensen is het wel goed dat ze in de stad kunnen wonen. Maar het is niet goed als ze worden gedwongen. Mensen moeten kunnen kiezen, dus mogen ze ook kiezen dat ze in een instelling willen blijven wonen. Dat zou ik regelen als ik minister was. Ikzelf heb midden in de stad gewoond, maar daar kon ik de deur niet uit. Ik zou met een busje naar mijn werk moeten. Hier kan ik het zelf bepalen. Dat vind ik veel prettiger.’
Verbeteringen
In de loop der jaren is er binnen de instelling veel verbeterd. Dat is ook aan Ab te danken. Hij was jarenlang voorzitter van de bewonersraad.
‘Vroeger moest je je eten opeten en als je het niet opat kreeg je straf.
Tegenwoordig kun je zelf kiezen. En als je het toch niet lust eet je het niet op. Nou, dat hoefde je vroeger niet te proberen. En vroeger moest je allemaal tegelijk vroeg naar bed. Ook als je geen slaap had moest je toch gaan slapen. Vroeger moest je verplicht buiten spelen. Nu mag ik op mijn eigen kamer blijven zitten. Vroeger kreeg je nooit ontbijt op bed. Nu word ik af en toe een beetje verwend.’ Ab vergelijkt zijn positie vaak met die van het personeel. Zij kunnen van alles regelen, maar de bewoners dan?
Waarom krijgt een personeelslid geen straf als hij de bus heeft gemist en waarom krijgt een bewoner dan wél straf? Ab vindt wel dat er veel verbeterd is, maar het hangt er ook van af wie er werkt. Mensen zijn verschillend, de één gaat wat meer op je wensen in dan de ander. Hij vindt het nog steeds hard nodig dat de bewoners (cliënten) wat van zich laten horen, voor hun rechten opkomen.
Want nog altijd wordt er teveel over hen beslist in plaats van mét hen. En hij heeft ook nog een lijst met wensen voor de toekomst.
Zorgen heeft Ab over het beleid van de overheid. Die zorg geldt niet alleen de positie van de grote instellingen, maar ook het tekort aan personeel.
Soms moet hij naar zijn kamer omdat er geen personeel is. En een vakantie moest worden afgezegd, er was geen geld voor.
Doet gij hen evenzo…
Aan het slot van het boek geeft John Sijnke nog een aantal tips hoe de inhoud van deze publicatie in het dagelijks werk gebruikt zou kunnen worden.
Krijgen mensen met een verstandelijke beperking de kans om hun leven zo in te richten zoals ze zelf zouden willen? Die vraag valt ook te verwoorden met de bijbelse opdracht die Jezus ons mee heeft gegeven: ‘En gelijk gij wilt dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo’ (Lucas 6 : 31).
Naar aanleiding van: Ab van Eijbergen en John Sijnke: Zo zie ik het; Elsevier Gezondheidszorg, 2000; 80 bladzijden + veel foto’s, ; ƒ 25,=