Nietzsches eye-opener

1998-02-20
  • Jaargang 42
  • nummer 4
Volgens Nietzsche zijn christenen te zwak om JA te zeggen tegen de werkelijkheid zoals zij is: hun geloof in God is puur vluchtgedrag. In het vorige artikel werd die stelling in twijfel getrokken. Doet de Here Jezus niet een appèl op onze moed en onze zin voor realiteit, wanneer hij ons uitdaagt te geloven in God en zijn Koninkrijk?
En in het verlengde daarvan: is het niet de Geest van God die het christelijk leven tot bruisende vitaliteit wil brengen? Daarover zal het in dit derde artikel gaan.


De Geest die levend maakt
Veel christenen die door de reformatorische traditie gevormd zijn, hebben moeite om zich bij de Heilige Geest iets concreets voor te stellen. Mij dunkt: juist het bezig zijn met Nietzsche kan hen daarbij helpen. Hij vestigt namelijk de aandacht op dingen die, bijbels gesproken, alles met de Geest van God te maken hebben.
Want waar is het hem om te doen? Dat mensen niet angstig wegduiken voor het leven, maar uit hun schuilhoekje te voorschijn komen en de frisse buitenlucht met volle teugen inademen. Nietzsche port mensen op om de levenskracht die vaak zo diep in hen verborgen is, naar boven te laten komen. Hij constateert, dat mensen zich vaak in hun levensdrift laten beknotten; dat velen weifelend in het leven staan, bevangen als zij zijn door angst; dat maar weinigen het avontuur aandurven, en het vermogen ontwikkelen om creatief om te gaan met de beperkingen waarop zij stuiten; dat bijna niemand de kracht heeft om zich te ontworstelen aan de conventies van de massa en te leren zichzelf te zijn.
En zo roept Nietzsche mensen met hartstocht en overtuiging op, om nu eindelijk eens echt te gaan leven, en zich open te stellen voor die tintelende bestaansvreugde die voor het ware leven zo kenmerkend is. Het is een appèl dat tot de verbeelding spreekt, doordat de diagnose zo raak is. Inderdaad: wat leeft een mens vaak geremd, getemperd, ingesnoerd. Maar wat een misverstand om te denken dat dat hoort bij christen zijn! Want als het gaat om het losmaken van levensdrift, zijn wij bij het evangelie juist aan het goede adres. Wanneer het ons de gave van de Geest belooft, doelt het namelijk onder andere op die dingen die Nietzsche - terecht - zo belangrijk vindt. Niet voor niets typeert de geloofsbelijdenis van Nicea en Constantinopel de Geest als degene die levend maakt. Dat slaat op de herschepping: de Geest schenkt mensen nieuw leven, zie Romeinen 8:2 en 11, maar ook 11Corinthiërs 3:6. Het slaat ook op de schepping: de Geest doet de natuur tot leven komen, psalm 104:30. Verder - Calvijn wijst daarop - wordt kunstzinnigheid in de bijbel toegeschreven aan de Heilige Geest, zie Exodus 31 :3-5. Treffend is ook dat het de Geest is die de richters steeds weer de 'power' geeft om de strijd met de. vijand aan te binden, zie bijvoorbeeld Richteren 6:34 en 14: 19. Als er dan ook één trefwoord is dat het werk van de Heilige Geest kan karakteriseren, dan is het het woord 'vitaliteit'.

Wenkend perspectief
Daarom is het geschenk dat God ons in zijn Geest gegeven heeft, zo veel waardevoller dan vaak wordt beseft.
De uitstorting van de Geest houdt niets minder in, dan dat de Almachtige ons zijn eigen vitaliteit gunt. Ja, want de Heilige Geest is niet maar een schepsel, een kracht die van de schepping deel uit maakt. Volgens de christelijke belijdenis drukt God zelf zich in Hem uit: scheppend, leven makend, vreugde gevend. De Geest, dat is God, in zijn onuitputtelijke levenskracht die alles voortbrengt, in zijn machtige effectuering van zijn goddelijke wil, in zijn majestueuze, overstromende volheid. En het is dus een hoogtepunt van zijn genade en goedheid, als Hij door die Geest vaardig over ons mensen wil worden. Voor de bijbel is dat allerminst een vanzelfsprekendheid. Wie zijn wij, dat God zijn volheid van leven met ons zou delen? Het is een wonder van goddelijke liefde dat Hij de Geest niet voor zich alleen houdt maar tot bron van vitaliteit maakt voor heel de schepping.
Nog groter is het wonder, dat Hij zijn Geest zelfs schenkt aan zondige mensen, vervreemd van Hem en van het leven. Niet voor niets wordt in het Nieuwe Testament het geschenk van de Geest in verband gebracht met de verzoening door het bloed van Christus (zie bijvoorbeeld Galaten 3: 13, 14).
Alleen waar de mens in Christus teruggebracht is in de gemeenschap met God, wordt hij gezegend met de Geest die onvergankelijk en eeuwig leven doet. Zeker, ook de natuurlijke vitaliteit maakt deel uit van de werking van de Geest. Die gunt God aan heel de schepping (psalm 104), aan bozen en goeden (vergelijk Mattheüs 5:45).
Maar in zoverre de Geest het volle, verloste leven tot ontplooiing laat komen en uiteindelijk zelfs boven de dood uit tilt, wordt Hij ons slechts geschonken in Christus. De Geest die levend maakt is een genadegave.
Nooit kunnen wij mensen, vervreemd van God als wij zijn, aanspraak op Hem maken en over Hem beschikken.
In die zin is de God en Vader vanJezus Christus inderdaad een God voor zwakke mensen, die vanuit zichzelf niets zijn - I Corinthiërs 1:28. Een gelovig mens zal Paulus bijvallen: "Wat hebben wij dat wij niet ontvangen hebben?" (I Corinthiërs 4:7) Deze erkenning maakt het kardinale verschil uit tussen de atheïst Nietzsche en een christenmens. De eerste meent rechtstreeks de hand te kunnen leggen op de verwerkelijking en ontplooiing van het mens-zijn. De tweede zoekt zijn mens-wording buiten zichzelf, in Christus. Maar dat betekent niet dat een mens zichzelf daarmee kwijt raakt.
Wie het verwacht van de verkiezing van dat wat 'niets' is, veroordeelt zich er daarmee niet toe om 'niets' te blijven!
Het bijzondere van Gods verkiezing is, dat Hij zijn uitverkorenen wil doen delen in zijn eigen glorie en kracht. Deze onaanzienlijke, lege vaten worden vervuld met zijn Geest!
En zo ziet het Nieuwe Testament het perspectief wenken van een christelijk leven dat gekarakteriseerd wordt door aanstekelijke vitaliteit, tomeloze energie, vurigheid, niet te doven vreugde, levensmoed, edelmoedigheid, aanvaarding van lijden, kortom: van kracht. Het is een perspectief dat voor ons nog vaak ver weg lijkt. Maar Nietzsche kan ons doen beseffen hoezeer het behoort tot het ware leven. Zijn pleidooi voor levenslust, dat ook bij christenen zoveel intense herkenning oproept, werkt wat dat betreft als een eye-opener. Omgekeerd rijst de vraag, of hij het evangelie niet aanmerkelijk positiever had beoordeeld, wanneer hij meer oog had gehad voor de centrale plaats die het toekent aan de Heilige Geest.

De vrucht van de Geest
Hoe zeer het leven door de Geest overeenkomt met het betrekken van een positie van kracht, kan ook blijken uit de bekende woorden over 'de vrucht van de Geest' in Galaten 5:22.
Het eerste woord dat in dat verband valt, is 'liefde'. Ook hier weer is het de gedachtegang van Nietzsche die ons meer gevoel kan doen krijgen voor de betekenis daarvan. Op het eerste gezicht lijkt hij korte metten te maken met een levenshouding van liefde. Hij heeft zich namelijk fel, met snerende woorden, gekeerd tegen de christelijke naastenliefde, en daartegenover uitdagend bepleit dat mensen voor zichzelf zouden kiezen. Bij velen is dan ook de indruk ontstaan dat hij mensen tot egoïsme aanspoorde. Maar wat men ook op hem tegen kan hebben - voor zulke platvloersheden was hij toch echt een te hoogstaand mens. Wat hem bracht tot zijn heftige afwijzing van een altruïstische levenshouding, was zijn waarneming dat een dergelijke naastenliefde vaak minder fraai is dan zij eruit ziet. Hij ontdekte, dat mensen er heel zelfzuchtige motieven voor kunnen hebben om hun naaste te omarmen. Zo wijst hij erop, dat mensen soms alleen maar aan een ander hangen, omdat ze het met zichzelf alleen niet uithouden. Heel wat aanhankelijkheid ziet hij alleen maar voortkomen uit zwakheid: echt sterke mensen hebben de ander immers niet nodig om hun gevoelens van eenzaamheid te verdrijven ... Verder wantrouwt Nietzsche de ogenschijnlijke deemoed waarmee de naastenliefde vaak beoefend wordt. Hij stelt vast, dat veel mensen zich wel heel dienstbaar opstellen, maar dat zij daarmee intussen draden spinnen om een zekere macht uit te oefenen. Zoals een slaaf het zijn meester perfect naar de zin maakt, om hem op die manier enigszins aan zichzelf te verplichten, zo putten zij zich uit in goede daden voor een ander om zekere rechten op te bouwen. Uiteindelijk gaat het hun er dan om, die ander als het ware in te kapselen en pressie op hem te kunnen uitoefenen. Vroeg of laat komt die aap uit de mouw, zo van "Heb eens niet zo'n grote mond tegen je moeder - wat heb ik allemaal wel niet voor je over gehad ..." Eigenlijk ziet Nietzsche zulke 'naastenliefde' ook weer als een manier van overleven voor zwakke naturen: mensen die geen klauwen hebben houden anderen onder de duim door goed voor ze te zijn ... Zelf wijst hij dan ook in de tegenovergestelde richting. Hij moedigt mensen aan om aan zichzelf genoeg te hebben, en zich niet zo slaafs en onderworpen te gedragen. Vlucht niet van jezelf weg als je je onbehaaglijk en eenzaam voelt, maar doorsta je angsten en groei daardoor! Stel je tegenover je naaste niet op als de zwakkere partij, maar wees trouw aan jezelf en durf als dat nodig is NEE tegen hem te zeggen! Dan zal, tot je verrassing wellicht, ruimte vrijkomen voor de ware liefde. Want alleen vanuit een positie van kracht zul je je naaste werkelijk kunnen weldoen. De echte weldoener heeft klauwen, maar ziet er bewust van af ze te gebruiken. Liefde komt, met andere woorden, niet voort uit een tekort, maar uit volheid. Zij heeft naar haar aard iets overstromends - lees in I Corinthiërs 13 hoe royaal (ekoninkliikl) zij is, niet berekenend maar gul, niet afgunstig maar schenkend. De mens die lief heeft is als een gentleman die het breed heeft en het daarom breed kan laten hangen.
Ziedaar wat Paulus bedoelt met de 'vrucht van de Geest'. Waar een mens van Hem vervuld is, hoeft niet geduwd en getrokken te worden om het goede van de grond te krijgen, maar rijpt het eenvoudigweg, vanuit innerlijke kracht en volheid. De ware christen is geen kruiperige ja-knikker, die van de nood van zijn ondergeschoven positie een deugd maakt, maar een mens in wie God een bron ontsluit van overstromend leven (vgl. Johannes 7:38). Het rancuneuze en kleingeestige, waar Nietzsche zo hard tegen uitvalt, is niets anders dan wat Paulus 'het vlees' noemt. De Geest daarentegen schenkt vrijheid en stralende levenskracht; Hij wil Gods kinderen laten uitgroeien tot nobele en vreugdevolle mensen.

Moedgevende signalen
Wie aandachtig stil staat bij deze kant van het evangelie, komt altijd weer onder de indruk van de tegenvallende praktijk. Wat blijven wij christenen vaak ver, ver onder het niveau van het ware geestelijk leven. Ook Nietzsche is daar tegen op gelopen. Alles wat hij verfoeide: het kleinburgerlijke, het benepene, het truttige, het doodse, kwam hij in de kerk tegen. Hij stikte erin. Zou hij op ons christelijk en kerkelijk leven anders reageren? Het mag te denken geven, dat het door buitenstaanders zo vaak als slaapverwekkend wordt ervaren. Hebben ze niet enig recht van spreken? De bijbel reikt opwindende woorden aan als 'vrijheid', 'leven', 'vreugde', 'Geest', maar als wij die in de kerk in de mond nemen worden zij voor je het weet als dode sintels waaruit alle gloed verdwenen is. Terwijl het christelijk leven zo iets stoutmoedigs zou kunnen hebben (lees eens 11Corinthiërs 11:23-27), overheerst in allerlei discussies binnen de orthodoxie de angst: "Pas op ... Het gevaar dreigt... We moeten uitkijken voor ..." 'Rechtzinnig' is niet zelden hetzelfde als 'oersaai'. Of het moderne christendom het beter doet? Wie de waarde ontdekt heeft van een positie van kracht, kan ook daar bepaald niet gemakkelijk terecht. Hoe weinig raad weet men daar met de ruige kanten van het evangelie. Wat is het gangbare Godsbeeld 'soft' en week geworden, en de moderne christelijke moraal tot vervelends toe lievig en begrijpend ... Maar genoeg geklaagd. Want wat zijn er ook veel tekenen van een kerngezond en stevig christendom.
Lees de bulletins van Open Doors over de lijdende kerk, en kom onder de indruk van de Geestkracht en de moed die daar te vinden is. Ontmoet gemeenteleden, die gehandicapt zijn, of chronisch ziek, of zware verliezen lijden, en die in een wonderlijke vitaliteit JA blijven zeggen tegen het leven. Geniet van jongeren, die niet de weg van de minste weerstand kiezen, maar vrolijk en uit één stuk christen willen zijn. Laat de erfenis van theologen op je inwerken die door Nietzsche zijn heengegaan en het geloof hebben behouden; tot hen behoort in de eerste plaats Bonhoeffer, maar ook Van Ruler kan tot hen gerekend worden. Sta open voor artistieke en creatieve talenten die steeds weer opduiken in de kerk: waarom zou kunst alleen buiten de kerkmuren kunnen gedijen? Verheug je over onstuitbare oecumenische krachten, die zich noch van eeuwenoude controverses, noch van slepende synode-besprekingen iets aantrekken. Werkelijk, er zijn signalen te over dat God in zijn goedheid zijn Geest niet van ons af neemt, ook al stuit Hij voortdurend op de barrières van het vlees. Laat dat ons stimuleren om hartstochtelijker te bidden: Veni Creator Spiritus - Kom, Schepper, Geest. Want het vlees, rancuneus en vreesachtig als het is, is door allen die Christus Jezus toebehoren gekruisigd. Leven is daarentegen voor ons weggelegd in de Geest. Laten wij dan ook door de Geest het spoor houden (Galaten 5:24,25).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief