In memoriam ds. Jan van Katwijk
1998-02-20
“Ik hoop dat ik nooit begraven hoef te worden’’, vertrouwde ds. van Katwijk mij eens toe. Zo sterk leefde hij vanuit de elk moment te verwachten wederkomst van onze Heer Jezus Christus. Wie die Dag beleven, zullen immers in een ogenblik veranderd worden in heerlijke, onsterfelijke mensen, 1 Kor. 15. Deze gemakkelijkste overgang was hem echter niet beschoren. Op 31 januari jl. ontsliep hij en op 5 februari moest hij wel begraven worden. Onder grote belangstelling werd hij die dag op de dodenakker achter de rooms-katholieke kerk te Rijsbergen ‘gezaaid’ , om daar straks bij de laatste bazuin onvergankelijk te worden opgewekt. - Jaargang 42
- nummer 4
Jan van Katwijk was "dominee op artikel 8". De Dordtse Kerkenordening biedt daarin broeders met singuliere gaven de mogelijkheid om zonder universitaire studie het predikambt te ontvangen. Van jongs af bezat hij opmerkelijke liefde voor het Woord en de dienst van God. Toen hij amper acht jaar was, "profeteerde" zijn vrome grootmoeder: "Jantje gaat later het evangelie verkondigen". Dit kwam uit, al zou het inderdaad pas "later' gebeuren. Aanvankelijk koos de jonge Van Katwijk namelijk voor een militaire loopbaan. Een auto-ongeluk maakte daaraan voortijdig een einde, maar de Here keerde dit kwaad ten goede. Zijn gaven voor de evangelieverkondiging waren onmiskenbaar. Het genoemde artikel 8 verstaat daaronder: godzaligheid, ootmoedigheid, zedigheid, goed verstand en discretie (geesten onderscheiden) alsmede gaven van welsprekendheid. De laatste ontbraken hem evenmin. Begiftigd met een prachtige, warme stem was hij een originele (s)preker, die zijn zaken helder en boeiend voor kon dragen.
Gods verbond
Van Katwijk had dus weliswaar geen universitaire, theologische opleiding gevolgd, maar wel aan de voeten van uitnemende Schriftgeleerden gezeten. Van hen had hij geleerd de Bijbel te lezen als het Boek van Gods verbond met zijn volk. Met die sleutel der kennis wist hij de Schrift te openen en jong en oud op het hart te binden. Tot zijn tachtigste jaar gaf "oom Jan" nog bijbelles aan jonge mensen. Gods verbond was voor hem geen stuk theologische theorie, een van de vele onderdelen van de dogmatiek, maar de levende realiteit van Gods verbondenheid met ons door de Here Jezus Christus. Hij kon de beloften en bevelen ervan lokkend verkondigen, maar was ook bang voor Gods toorn over de hedendaagse christenheid vanwege haar massale verachting van het bloed en de Geest van Zijn Zoon. Anderzijds gaf datzelfde verbond stuur aan zijn omgang met zijn vele roomse dorpsgenoten. Hij besefte dat hun doop ook hen hoofd voor hoofd stempelde als kinderen van dezelfde hemelse Vader en dragers van dezelfde beloften. Daardoor verstond hij de kunst hartelijk en ontspannen met hen om te gaan, zonder daarbij met de Waarheid te marchanderen. Zodoende waren hij en zijn vrouw ook in de burgerlijke gemeente van het rooms-katholieke Rijsbergen algemeen gerespecteerd en gewaardeerd. buurman in het voorbijgaan toevoegde: "Man als ik die prachtige tuin van jou zie, denk ik altijd: Wat moet de nieuwe aarde dan mooi worden! Nou, ajuus, hoor!" Hij presteerde het om met wat bijbels naar Loenhout in België te fietsen om daar in een café het gesprek op het evangelie te brengen en bijbels uit te delen. Op 29 maart 1959 werd hij tegelijk met de instituering van de toen nog Gereformeerde kerk (vrijg.) door ds. B. Telder in het ambt bevestigd. Het betekende voor Van Katwijk pionierswerk op een geïsoleerde post in het roomse
Evangelist
Hij was ook een begaafde evangelist. Hij zag de nood van minderbedeelden en lenigde die waar hij kon. Maar als de gelegenheid zich voordeed iets uit het evangelie door te geven, dan verzuimde hij die niet. Hij kon dat op zijn originele wijze doen, zoals toen hij een buurman in het voorbijgaan toevoegde: "Man als ik die prachtige tuin van jou zie, denk ik altijd: Wat moet de nieuwe aarde dan mooi worden! Nou, ajuus, hoor!" Hij presteerde het om met wat bijbels naar Loenhout in België te fietsen om daar in een café het gesprek op het evangelie te brengen en bijbels uit te delen.
Op 29 maart 1959 werd hij tegelijk met de instituering van de toen nog Gereformeerde kerk (vrijg.) door ds. B. Telder in het ambt bevestigd. Het betekende voor Van Katwijk pionierswerk op een geïsoleerde post in het roomse zuiden. Door de sympathie die hij ook bij mijnheer pastoor had weten te verwerven, mocht de gemeente - de enige protestantse kerk in het hele dorp - vergaderen in het klaslokaal van een rooms-katholieke meisjesschool. Ik heb er zelf ook nog onder het Mariabeeld aan de wand gepreekt. Hij mocht zelfs bijbelkringen houden in het klooster Bethanië!
Kinderen aan het avondmaal
De kerkdiensten begonnen inmiddels ook enkele rooms-katholieke dorpsgenoten te trekken, onder wie een vrouw met haar dochter van dertien jaar. En toen gebeurde het op zekere zondag.
Voor iedereen onverwachts stapte deze zuster mèt haar dochter naar de avondmaalstafel. Voor beiden iets heel gewoons: het meisje had haar eerste communie al gedaan. En mijnheer Van Katwijk zei altijd: 'Het is voor u en uw zaad.' Dus wat hinderde haar hier het avondmaal mee te vieren? Maar voor gereformeerde kerkgangers gebeurde er op dat moment iets zeer ongewoons. Het stelde de gemeente van Rijsbergen uiteraard voor de vraag: Verbiedt de Here dit of staat Hij dit toe? Het is tenslotte zijn tafel. Voor Van Katwijk werd de zaak duidelijk. Met dezelfde argumenten voor het recht van de kinderen op de doop verdedigde hij hun recht op de maaltijd van de Heer. Men voerde deze praktijk dus niet in als een nieuwigheid terwille van de nieuwigheid, maar uit oprechte eerbied voor de rechtspositie van de kinderen der gemeente in Gods verbond.
De zaak baarde veel opzien in protestants Nederland, dat deze praktijk destijds nog nergens kende. Ds. G. Visee oordeelde dat hierover een broederlijk gesprek op gang diende te komen. Hij gaf hiervoor een prachtige aanzet in een serie artikelen in Opbouw onder de titel: Mogen en moeten onze kinderen deelnemen aan het avondmaal des Heren, Opbouw, 8e jrg. nrs. 46-
49; ge jrg. nrs. 1-4. Later verzameld in: G. Visee, Onderwezen in het koninkrijk der hemelen (11),Kampen, 1979, 226-264.
Hij stelde daarin dat reeds Ursinus en Olevianus, de mannen van de HeideIbergse Catechismus kinderen tot het avondmaal toelieten. En nog wel met een minimale kennis: de geloofsartikelen, de tien geboden en het Onze Vader. En als het kind bij het opzeggen van 'die grote stukken' struikelde, dan was dit geen bezwaar. Dan zei de dominee het toch gewoon nog even voor. Dat men thans veelal tot z'n achttiende, twintigste jaar of nog ouder wacht voordat men aan het avondmaal deelneemt, is volgens G. Visee doorwerking van een diepere, doperse onderstroom in ons gereformeerde leven, a.w. 231. Zelf wees Van Katwijk, die veel van kerkgeschiedenis hield, mij voor deze kwestie indertijd op W. MolI, Geschiedenis van het kerkelijke leven der christenen gedurende de zes eerste eeuwen, deel 2, Amsterdam, 1846, blz. 317v: waar staat dat kinderen "reeds in de dagen van Cyprianus" en Augustinus het avondmaal meevierden.
De goedertierenheid des Heren
De gemeenten van Rijsbergen (1959-1977) en Wolvega (1977-1983) verloren een geliefde voorganger en ik zelf een goede vriend die meer dan vijftig jaar in mijn leven was. Zoals alle gestorvenen zal ook hij in bredere kring spoedig vergeten worden. "Want er is nimmer enige heugenis van de wijze, zomin als van de dwaas, omdat in de komende dagen alles reeds lang vergeten is, en ach, hoe sterft de wijze evenzeer als de dwaas!", Pred. 2:16.
We waren ons dat bij zijn begrafenis bewust, toen we ons op zijn verzoek bezonnen op Psalm 103 die zo eerlijk spreekt over onze vergankelijkheid. "Maar de goedertierenheid des Heren is van eeuwigheid tot eeuwigheid over wie Hem vrezen en zijn gerechtigheid over kindskinderen ...", verkondigt diezelfde Psalm.
Dit In Memoriam Jan van Katwijk zal hem dus ook slechts kort in herinnering houden. Maar hij rust, verzoend door het bloed van de Here Jezus, onder Gods goedertierenheid. Daarom is zijn zalige wederopstanding zeker. Zo geldt nu van hemzelf het grafschrift dat hem eens trof en dat hij aan mij doorvertelde:
"Hier lig ik in mijn houten huis.
Ontslagen van veel zorg en kruis.
Totdat ik eenmaal op mag staan
om met mijn Meester mee te gaan."