‘Gemeente handicapt zichzelf’

2010-01-22
  • Jaargang 54
  • nummer 2
Margot staat dwingend voor hem en is slecht verstaanbaar. Ze is dovig, maar niettemin zeer overtuigend in woord en gebaar. Dominee Jan Kiers concludeert, dat ze zondag niet naar de dienst in Het Tij gaat, maar naar een andere kerk. ‘Is Het Tij te druk voor je?’ vraagt hij en zegt er gelijk achteraan: ‘Niet meer sinds ik hier dominee ben.’

Het Tij is de kerkzaal van zorginstelling ’s Heeren Loo Noord-Nederland in Julianadorp, waar Jan Kiers (51) werkt als categoriaal pastor. Na zijn jeugd in Enschede studeerde hij theologie in Apeldoorn en Utrecht, was godsdienstleraar en vervolgens predikant in Rijsbergen (1987-1992) en Den Helder (1992-2003). Aan die laatste gemeente is hij via AKS-artikel 11.2 verbonden. Zijn werk doet hij voor GGZ-NHN (psychiatrie) en ’s Heeren Loo (verstandelijk gehandicapten).

In de marge
Kiers vindt dat de kerken zichzelf door de ‘marginalisering’ van mensen met een verstandelijke beperking of psychiatrische achtergrond tekort doen. ‘Waarom zien we ze niet, komen ze niet in de kerk, participeren ze niet? Ze moeten meedoen, anders missen we een belangrijke bijdrage.’
Voor hem zijn belangrijke vragen wat een handicap doet met je leven. Wat meedoen van gehandicapten zal betekenen voor de kerkcultuur in een maatschappij, die het mooie lichaam verheerlijkt. Waarin een reclame onomwonden verkondigt: ‘Mooi zijn betekent zeker zijn.’
En is er een goed woord voor ouders, die een gehandicapt kind krijgen? Moet je daar iets van leren, zal dat later iets goeds brengen, is het een straf van God, lijdt God met je mee? Of is het gewoon domme pech?
En wat zijn trouwens de geestelijke behoeften van gehandicapten?
Hoe kun je in de gemeente een plaats geven aan lichamen en lichamelijkheid? Want wij zijn dan misschien bezig met ons uiterlijk, maar het lichaam en zeker de beperkingen ervan zijn voor gehandicapten nog veel bepalender.

Wat je terugkrijgt
We lopen naar een van de activiteitenplekken op het grote terrein. Actief is relatief, want hier liggen en zitten mensen met een meervoudige beperking. Ze kijken, maar je weet niet wat ze zien. Ze maken geluiden, maar je weet niet wat ze bedoelen.
Hoewel, daar denken de begeleidsters anders over. Een van hen geeft Linda wat koffie. Met het tuitje van de beker raakt ze zacht haar onderlip aan. Doet Linda haar mond open, dan lust ze nog wel een slokje. En als haar overbuurman kreunt, dan weten de begeleidsters dat er iets aan schort. Voor mijn idee kreunt hij nu ook, maar ze doen niets, dus blijkbaar mis ik een nuance.
Kiers houdt zich op de achtergrond, maar straalt uit, dat dit voor iedereen een leerzame ervaring zou zijn. Hij vraagt de begeleidsters of zij wat terugkrijgen van de bewoners. ‘Waardering voor de kleine dingen in het leven’ en ‘geduld’ noemen ze.

Welkom, maar…
Kiers is bevlogen, maar bij vlagen ook bitter. ‘Mijn drive is de barmhartigheid die je vindt in de zaligsprekingen, het visioen van het koninkrijk. Maar de praktijk in de kerk is vaak anders; een systeem van do’s en dont’s met een heilig sausje er overheen. Elke groep heeft natuurlijk eigen regels, maar het Evangelie bedoelt die regels juist te doorbreken. Het gaat om liefde, barmhartigheid en ruimte voor iedereen. Dus niet alleen voor de eigen groep. In onze kerken zeggen we wel dat iedereen welkom is, maar daaronder werken toch andere mechanismen. Veel kerkgebouwen zijn rolstoeltoegankelijk: alle drempels zijn weg. Maar je ziet er zelden een rolstoeler. Blijkbaar liggen er andere drempels. Iedereen is welkom in de kerk, maar mensen die wat al te spontaan geluidjes maken, of die een slab dragen vanwege hun speekselvloed, die zie je nooit. Welke boodschap heeft de kerk aan hen?’
Zorginstellingen en allerlei ‘logen’ hebben een groot probleem rond de opvang van verstandelijk gehandicapten opgelost, maar tegelijkertijd is daardoor een isolement geschapen. ‘Het is sinds 1880, toen de eerste gedachten hierover werden geformuleerd, één grote verlegenheid. Een constant heen en weer tussen heropvoeden, genezen en laten meedoen in de maatschappij. Op het ogenblik heerst het ondersteuningsmodel, waarbij we mensen helpen een gewoon leven te leiden. Daar hoort ook een eigen plek in de kerken bij.’

Wat we missen
En wat mist een christelijke gemeente aan die verstandelijk beperkte mensen? Hij noemt 1 Korintiërs 12: 22: ‘Integendeel, juist die delen van het lichaam die het zwakst lijken zijn het meest noodzakelijk.’ Of volgens NBG:‘Ja, veeleer zijn die leden van het lichaam, welke het zwakst schijnen, noodzakelijk.’
‘Mensen met een echt laag niveau, zeg van een kind van drie maanden, zijn erg gevoelig voor sfeer, aandacht, feestelijkheid. In de diensten hier draai het vooral om beleving, terwijl we in de eenvoudiger huisvieringen mensen ook aanraken. Waar de doorsnee gemeente vooral in de rationele hoek zit, daar draai het hier veel meer om het lichaam, het aanraken. Ik steek een kaars aan en raak ze aan in de naam van de Heer. Het gaat om gemeenschap en dat is veel meer dan alleen een kerkdienst.’
Hij weet dat zijn streven niet makkelijk is. Maar dat maakt hem niet minder strijdbaar. ‘Niet de hele gemeente hoeft zich opeens op gehandicapten te storten. Het gaat om een levende relatie met de medemens, dus ook met hen. Het minimum is een kaartje met Kerst, het maximum een plekje op of vlak naast de kansel.’
Hij haalt het Oude Testament aan, waar (delen van) de tempel verboden gebied waren. ‘De tempel weerde alles wat met imperfectie te maken heeft, maar later draait dat om. Jezus raakt lepralijders aan en een eunuch wordt gedoopt. De getrapte pikorde verandert in een puntenwolk, waarin iedereen elkaars gelijke is. Ik zoek naar één dienst voor allen, waar de liturgie vooral een viering van het heil is. En dan kun je ’s middags wel iets meer rationeels doen.’
Is zo’n viering niet een beetje te simpel? ‘Toen ik hier in Den Helder kwam, zeiden ze tegen me: “De zee is elke dag anders”. Dat zag ik pas na een paar jaar. De bewoners kunnen hier de viering dromen, maar toch is het elke keer anders.’

‘Ik heb je lief’
We bekijken de multifunctionele kerkzaal. Met het wat sneue pijporgeltje in een klankdodende kast. Achter het toneel de kleedkamer met toga’s. Hij pakt zijn elektrische gitaar en er breekt een glimlach door. ‘Mijn Fender’, zegt hij liefkozend.
Met zijn akoestische gitaar zit hij even later in de woonkamer van Margriet. Ze ligt op een bank en kijkt afwachtend. De deuren naar de tuin staan open en de zeewind speelt met de gordijnen. Hij tokkelt zachtjes en zingt met zijn bariton ‘Dit is de dag, dit is de dag…’
Ze maakt geluid, staat op en loopt door de kamer. Ze lijkt te dansen, lacht en zwaait met de arm. Loopt dan de tuin in. Hij speelt door en even later is ze terug, opmerkzaam kijkend naar haar beide gasten. Gaat weer liggen op de bank en beaamt het halleluja in een ander lied met ‘jah, jah’.
Van het voorlezen van een stuk uit de Bijbel wordt ze niet echt rustiger, maar wanneer gitaar en stem ‘zegen ons Algoede’ spelen, ligt en kijkt ze naar de hals van de gitaar. Kiers sluit zijn bezoek af met ‘Op een grote paddestoel’ en terwijl ze ‘pad, pad’ meezingt, gaat ze weer aan de wandel.
We weten niet wat ze ervan meekrijgt. Voor Kiers lijken de woorden van een van zijn liedjes voldoende: ‘Ik heb je lief met de liefde van de Heer, want ik zie in jou de grootheid van zijn naam…’ (jan.kiers@sheerenloo.nl)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief