Sinear, wereld zonder God
1998-05-01
Het zou best aan mijn leeftijd kunnen liggen dat ik zo getroffen word door de raakpunten tussen het begin van het boek Daniël en de tijd waarin wij leven. Wat een enorme kloof moet er zijn ontstaan tussen die vier jonge mannen die als eersten naar het hart van het rijk van de goddeloze Nebukadnezar en de achtergeblevenen. Daniël en zijn vrienden gaan een weg, die de anderen nog niet kenden.- Jaargang 42
- nummer 9
Ter bemoediging verteld
Ook al weer zo'n sterk raakvlak. Ik laat de exegetische argumenten in de keuken, maar van het boek Daniël kan vrij nauwkeurig worden vastgesteld wanneer het geschreven werd. Dat moet geweest zijn in de tijd waarin Jeruzalem getiranniseerd wordt door de Syrische koning Antiochus IV. De dienst van God is in verval en de weinige vromen zijn de wanhoop nabij. Het boek Daniël komt hen vertellen: hoor, hoe dit eerder gebeurde, eeuwen geleden al, en hoe God trouw bleef aan hen die Hem vasthielden.
Het land Sinear
Het boek Daniël begint met te vertellen hoe Nebukadnezar, de koning van Babel, koning Jojakim wegvoert, een deel van de tempelschatten rooft en onderbrengt in de tempel van zijn eigen god. Er zit iets merkwaardigs in het feit dat zo nadrukkelijk gezegd wordt dat Nebukadnezar daarvoor het land Sinear kiest. Hier had ook Babel kunnen staan of Mesopotamië of het land der Chaldeeëen. Dat waren allemaal gangbare benamingen. Maar de bijbelschrijver zegt: het was Sinear. Die naam komt in de Bijbel maar enkele keren voor en is veelzeggend. Want Sinear is het jachtgebied van Nimrod, een groot jager voor Gods aangezicht. In het verhaal van de torenbouw van Babel speelt Sinear een rol. De naam Sinear staat voor het land waar de mens zichzelf kan redden en de Here God kan missen.
Zo'n mens is Nimrod geweest, zo waren de bouwers van de toren van Babel en onder hen behoort ook Nebukadnezar.
Koning van Baoel, maar religieus gezegd: heer van het gebied waar de Here God is uitgeschakeld.
Om nu zijn aanzien en macht helemaal te completeren, laat hij onder de Israëlieten een viertal jonge mannen uitkiezen die tot de bloem der natie gerekend mogen worden: "zonder enig gebrek, schoon van uiterlijk, ervaren in allerlei wijsheid, in het bezit van kennis, met inzicht in wetenschap om dienst te doen in het paleis des konings". Kan het indrukwekkender? En deze vier worden naar het paleis van de koning gebracht om daar dienstbaar te worden aan het goddeloze rijk van die dagen. Ze gaan de anderen voor. En bovendien worden de namen van de jongelingen vervangen.
Dat is erg geweest voor mannen uit Israël: met je naam verlies je je bestemming, want een naam is zoiets als een programma. Het is je identiteit, en verwijst ook naar God.
Kind van God temidden
van de goden En nu is de assimilatie bijna volledig, Voor deze jongemannen is elke verwijzing naar Israëls God doorgesneden. In hun harten is het geloof in God bewaard, maar van God merken zij niets. Is God er wel en waarin zullen we Hem vinden? De eerste lezers van het boek Daniël, eeuwen na dit gebeuren dus, volgen het verhaal met grote spanning.
De dienst van God verdwijnt. Joodse wetten en gebruiken worden opzij gezet, wetsrollen verbrand, de sabbat niet meer gehouden en ook de besnijdenis wordt nog maar zelden toegepast. En de weinige getrouwen vragen zich angstig af: is dit het einde van de dienst aan de Here? Zal Israël ophouden volk Gods te zijn? Nu al in Nacht und Nebel verdwijnen? Komt nu de grote holocaust al? In die benauwdheid wil het boek Daniël bemoedigen. Ik probeer mij in te denken hoe sterk het isolement van die jongemannen geweest. moet zijn. Op deze eenzaamheld is bij hun opvoeding niet gerekend. Er is geen oud patroon voor hun leven waarop ze terug kunnen vallen. Jeruzalem en de andere weggevoerden zijn geen steun in de rug voor hen, die zo in hart van Nebukadnezars rijk vertoeven.
Een raakvlak. met onze tijd?
Ik kan niet los komen van de gedachte dat hier een raakvlak bestaat met onze tijd. AI zullen ouderen zich op dit punt sterker aangesproken voelen dan jongeren. Mij intrigeert en beangst ook zo sterk die afstand die er geweest moet zijn tussen de achtergeblevenen en die vier die gedwongen werden zich zo radicaal te laten betrekken zelfs in de leiding van dit godevijandige rijk. Sinear, het land zonder God is er nog. Ik woon zelf in een nette laan met nette mensen en alleen maar nette zonden; temidden van veel christenen zelfs, maar Sinear is er: in grote stukken van het onderwiis, in de media, in de cultuur, in kunst waarin de laatste banden met God al zijn doorgesneden. Sinear groeit zelfs. Neemt steeds meer gebieden in.
En weer zijn veel jongeren ons stukken vooruit, ze zijn al heel diep in Sinear of brengen er veel tijd door. Ze weten welke vragen daar leven. Ik weet ook van alle pogingen om vooral de jeugd bij Sinear vandaan te halen. Ik weet van allerlei liturgische ijver en probeersels. Dat ik sceptisch sta tegenover veel van die zaken is niet zo gewichtig. Maar ik zou willen weten wat de jongeren die al helemaal of part-time in Sinear leven nu vinden van wat wij in de kerk met zoveel ijver uitproberen. Of zij niet zuIlen zeggen: wij prijzen u daarin, maar het heeft niets te maken met de wereld waarin wij leven. Daar zijn wij aan uw vragen voorbij, daar spreekt uw geestdrift ons niet aan; wij willen horen of God nog bestaat en waar Hij dan is. Als u daarover ons iets te zeggen hebt, willen wij luisteren. Voor u is Sinear blijkbaar ver weg en wij hebben de indruk dat u er wel eens over gehoord hebt maar dat u er nooit was. Misschien klinkt het bovenstaande niet genoeg vragenderwijs, maar zo is het . wel bedoeld. Hoe doe je dat vandaag: die enorme afstand tussen Jeruzalem en Sinear voorkomen of wegwerken, de afstand tussen de kerk en het Sinear van nu. Denkend aan de jongeren die ons voor zijn. Ik hoop zo dat het boek Daniël ook ons bemoedigt, zoals het troost gaf aan de getrouwen die eeuwen na Daniël leefden.