Als een leerling leren spreken

1998-05-01
  • Jaargang 42
  • nummer 9
Nog niet zo lang geleden heb ik een cursus Klinische Pastorale Vorming gevolgd en wel de drie-maanden-training die jaarlijks plaatsvindt in het Academisch Ziekenhuis Sint Radboud in Nijmegen. Wanneer ik hieronder iets van mijn bevindingen doorgeef, heb ik daarvoor twee redenen. Ten eerste staat op de agenda van de lopende Landelijke Vergadering een voorstel van de kerk van Culemborg om te komen tot aanbevelingen voor de voortgaande vorming van predikanten. Deze bijdrage biedt de mogelijkheid voor een bredere kring van kerkelijk betrokkenen wat meer inhoud te geven aan de term ‘voortgaande vorming’.

Het is wellicht ook niet geheel willekeurig dat het genoemde voorstel afkomstig is van een kerk waaraan twee predikanten verbonden zijn die reeds ervaring met de Klinische Pastorale Vorming hebben opgedaan: behalve ondergetekende ook Kees Smit, die als predikant voor het werk in de krijgsmacht aan de kerk van Culemborg verbonden is en in dat kader al eerder de zes-weken-training in Amsterdam volgde.
In de tweede plaats ben ik gedurende de training tijdelijk als pastor aan het Radboud Ziekenhuis verbonden geweest en heb ik er op grond van die ervaring behoefte aan nog eens aandacht te vragen voor het belang en de mogelijkheden van deze vorm van bijzonder pastoraat.

Ambt en ambacht
Predikanten worden de laatste jaren overspoeld met aanbiedingen van allerlei vaardigheidscursussen van instellingen als het Gereformeerd Vormings Instituut en de Christelijke Hogeschool De Vijverberg-Felua. Ook onze eigen Stichting Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg heeft zich sinds het jubileum-symposium in 1995 op die markt begeven.
Zijn onze predikanten dan niet reeds deugdelijk opgeleid voor ze tot het ambt werden toegelaten? Zonder ook maar iets af te doen van wat er in de opleiding van onze predikanten reeds geïnvesteerd wordt, lijkt een dergelijke vraag mij niet zonder belang. Tot op heden bestaat er in onze kerken immers (te) weinig eenduidigheid over de vraag welke vereisten aan de opleiding van predikanten gesteld mogen worden. Maar wat nog belangrijker is: onder invloed van allerlei maatschappelijke ontwikkelingen is de positie van predikanten, ook in onze kerken, steeds meer onder druk komen te staan. Om er slechts een paar te noemen: secularisatie, individualisering en pluralisering. Het ambt is gedevalueerd en de kerk ontkomt al evenmin aan de invloed van de consumptiemaatschappij en de beeldcultuur. Hoezeer dit ook te betreuren valt, het te ontkennen heeft geen zin. Meer dan ooit wordt de predikant geacht het befaamde schaap met vijf of meer poten te zijn. Maar hoe onwerkelijk en tegenstrijdig de gekoesterde verwachtingen niet zelden ook zijn - en veel collega's weten daarvan mee te praten - het zou naar mijn idee van weinig wijsheid getuigen daartegenover enkel het gezag van het ambt in de strijd te werpen en niet naar vermogen aan dacht te besteden aan wat ik voor het gemak maar even de ambachtelijke aspecten van het predikantswerk noem. En hoewel de allerlaatste tijd voor aankomende predikanten een stage van drie maanden in een kerkelijke gemeente verplicht gesteld is, voorzien de theologische opleidingen nog amper of in het geheel niet in vaardigheidstrainingen en persoonlijke vorming. Een gegeven waarover ik me gedurende mijn jaren in de pastorie steeds sterker ben gaan verbazen.
Want de praktijk van het predikantswerk vereist in de huidige samenleving heel wat meer kwaliteiten dan enkel de theologische deskundigheid waaraan in de opleiding gewerkt wordt.

Meer dan vaardigheden
Een Klinische Pastorale Vorming - om daar nu naar terug te keren - biedt aanmerkelijk meer dan een vaardigheidstraining.
De persoonlijke vorming staat hier zeer centraal. Klinische pastorale vorming is in de jaren twintig van deze eeuw in de Verenigde Staten tot ontwikkeling gekomen en in 1963 door de vorig jaar overleden hoogleraar Wiebe Zijlstra in Nederland geïntroduceerd. Het uitgangspunt is 'Iearning by doing', leren aan ervaring: je wordt pastor door pastor te zijn. De cursisten verrichten daarom gedurende de training pastoraal werk in een klinische setting: een algemeen ziekenhuis of een psychiatrische inrichting. In mijn geval dus het Radboud Ziekenhuis. Essentieel is verder dat het leerproces zich voltrekt onder supervisie en in groepsverband.
Een geschoolde en volledig bevoegde pastoraal supervisor stimuleert een proces van voortdurend gericht leren aan ervaring en de groep is gedurende de training zowel leefgemeenschap als werkgemeenschap: niet alleen wat je doet, maar ook wie je bent komt in de groep naar voren.
De training wordt op een aantal plaatsen in Nederland georganiseerd. In Nijmegen wordt nog gewerkt met het klassieke recept van een training gedurende twaalf opeenvolgende weken. Elders worden ook zogenaamde gebroken trainingen verzorgd, waarbij de twaalf trainingsweken in een aantal blokken over meerdere jaren uitgesmeerd worden. Het oogmerk daarbij is dat tussentijds het geleerde in de eigen werksituatie kan worden beproefd. Daar staat in mijn ervaring tegenover dat in de ongebroken training gedurende de twaalf weken een intensivering van het proces optreedt die mij onbereikbaar lijkt wanneer de groep zich een aantal keren na maanden of zelfs meer dan een half jaar moet herformeren.
Voor ik wat nader op mijn bevindingen inga nog het volgende: de Klinische Pastorale Vorming is een post-doctorale opleiding die voor een aanstelling in het categoriale pastoraat (pastoraat in bijvoorbeeld de krijgsmacht, inrichtingen van justitie, ziekenhuizen en verpleeghuizen) inmiddels bijna standaard gevraagd wordt en in toenemende mate ook gevolgd wordt door wie werkzaam zijn in het zogenaamde basispastoraat (in protestantse kring gemeentepredikanten en op het katholieke erf pastoraal werkers). Tenminste enkele jaren zelfstandige ervaring als pastor vormt een voorwaarde voor deelname. Bovendien gaat aan de toelating een screening op geschiktheid vooraf. Het zal duidelijk zijn dat de training een forse investering vergt, aan tijd, aan energie en aan geld. Ik ben dan ook dankbaar dat mijn kerkenraad mij alleszins in de gelegenheid stelde de training te volgen.

De mens in de pastor
Het wordt wel eens vergeten, maar ook de pastor is een mens van vlees en bloed. Met zijn mogelijkheden en onmogelijkheden, hebbelijkheden en onhebbelijkheden. En of hij wil of niet, en of hij het weet of niet, hij brengt zichzelf mee in alles wat hij doet (voor 'hij' mag uiteraard desgewenst ook 'zij' gelezen worden). In de Klinische Pastorale Vorming staat dan ook het instrument dat de pastor in eigen persoon is centraal. Aan dat instrument wordt geslepen om het optimaal bruikbaar te maken voor de gestelde taak. Juist deze centrale aandacht voor de persoonlijke vorming (die in allerlei vaardigheidstrainingen buiten schot blijft) maakt de training van onschatbare waarde. Er worden weliswaar ruimschoots vaardigheden geoefend, maar centraal staat de bedding waarin deze tot ontwikkeling komen en dat is de bedding van de persoonlijkheid van de pastor en zijn verhouding tot God, de Schrift, de gemeente, de mens en niet in de laatste plaats zichzelf. Leren aan ervaring betekent in de training meer concreet in het verband van de groep en onder leiding van de supervisor zelf ontdekken waar je in de communicatie faalt. Dat is uiteraard een pijnlijk proces - al heb ik de onderlinge nabijheid en warmte gevoeld zo vaak een van ons door zijn of haar vloer zakte. Je komt tot de ontdekking dat de problemen waartegen je in je werk aanloopt en waarvoor je het liefst maar technische oplossingen aangereikt zou krijgen, in de regel toch te maken hebben met blokkades in jezelf. Doordat het proces van communicatie onder de kundige leiding van de supervisor gestimuleerd en waar nodig geforceerd wordt, kom je je eigen blinde vlekken op het spoor en wordt het je ook duidelijk hoe die blinde vlekken te maken hebben met je eigen levensgeschiedenis en geloofsgeschiedenis.
Deze opzet brengt met zich mee dat iedere deelnemer binnen de training zijn of haar eigen weg aflegt en ook zijn of haar eigen wijze van leren en zich de dingen eigen maken leert ontdekken.
Dat laatste is erg belangrijk. Want als het goed is wordt met de training slechts een ontwikkelingsproces in gang gezet dat na afloop voortgaat, levenslang. Wiebe Zijlstra bestempelt dit proces - met de ervaring van de training achter me naar ik denk niet ten onrechte - als een proces van menswording: "In dit leerproces ontdekt de leerling óók zijn gaven en mogelijkheden, want het blijkt dat de meeste mensen nauwelijks beseffen welke mogelijkheden en gaven zij hebben meegekregen. In ieder geval gaan wij mensen er 'slordig' mee om. Gaven en moeilijkheden kunnen door oefening geactualiseerd en ontwikkeld worden. Dit is evenzeer een aspect van dát leren, dat zich oriënteert op de menswording van de mens. Wie een zieleherder wil zijn, zal eerst zélf de weg naar de menswording, de weg van bewustwording en groei, moeten gaan. Het wordt niet voor niets 'het leerproces van de pijn' genoemd. Bijbels gesproken is het de weg van 'het stervende tarwegraan. Jezus zelf kan onze grote Herder zijn, omdat hij zelf die weg door alle verzoekingen heen, als evenzovele vluchtwegen, tot het einde toe is gegaan."
De titel van dit artikel bevat niet voor niets een toespeling op een bijbelplaats die mij in de weken van de training vaak in gedachten kwam: "De Here HERE heeft mij als een leerling leren spreken om met het woord de moede te kunnen ondersteunen. Hij wekt elke morgen, Hij wekt mij het oor, opdat ik hore zoals leerlingen doen" (Jesaja 50,4).

Beroepsvaardigheden
Het geschetste proces krijgt gestalte in een welgekozen samenstel van werkvormen, waarvan vrij groepsgesprek, verbatimanalyse, preekanalyse, gesprekspracticum en bibliodrama de belangrijkste zijn. Binnen de bedding van de persoonlijke vorming wordt er dus ook wel degelijk gewerkt aan de ontwikkeling van beroepsvaardigheden.
Daarbij mag u bijvoorbeeld denken aan verdieping van de luistervaardigheid (tussen de woorden door horen, onderliggende gevoelens verstaan en merkbare blokkades verkennen), maar ook aan het structureren van het predikantswerk in het algemeen en van pastorale gesprekken in het bijzonder. Mij werd al vaak een grote luistervaardigheid toegedicht. Des temeer verrassend was het te ervaren hoeveel er op dat vlak nog meer te ontwikkelen valt. In het gesprekspracticum is aandacht besteed aan verschillende typen gesprekken en aan de verschillende fasen van het hulpverlenende gesprek met de bijbehorende mogelijkheden, middelen en valkuilen. Regelmatig kwamen mij daarbij in het verleden gevoerde gesprekken spontaan in herinnering, waarvan het ineens helder werd waar precies de schoen wrong of waarom ze juist zo goed verliepen.
Zeer verhelderend. Toch blijft bij alle scholing in vaardigheden de persoonlijke vorming als hart van de training voortdurend in het vizier. Het was steeds opnieuw onthullend te ontdekken hoe alle deelnemers in een preek of een verbatim (een zo woordelijk mogelijk verslag van een gevoerd pastoraal gesprek) zichzelf op dezelfde manier tegenkwamen als in het vrije groepsgesprek. Zo leer je met vallen en opstaan je eigen mogelijkheden ontdekken en, minstens zo belangrijk, je eigen grenzen in acht te nemen. Wat dat laatste betreft was het bijvoorbeeld duidelijk dat perfectionisme en onbegrensde beschikbaarheid de gereformeerde deelnemers aanzienlijk meer parten speelden dan de katholieke confraters.

Geloof in de wereld van vandaag
Naast de persoonlijke vorming en de vergroting van de beroepsvaardigheden wil ik nog op een derde dimensie van de Klinische Pastorale Vorming ingaan: de bezinning op de eigen identiteit van de pastor en de plaats van geloof en kerk in onze geseculariseerde samenleving. De werkzaamheid voor drie maanden in een ziekenhuis heb ik reeds als zodanig ervaren als een enorme impuls voor die bezinning. Hoezeer ook de pastorale dienst een goede ingang heeft op de meeste afdelingen van het ziekenhuis waarin ik werkte, de positie van de pastor is in het ziekenhuis veel minder vanzelfsprekend dan in de kerkelijke gemeente. De samenwerking en het overleg met andere disciplines dwingt voortdurend - en meer dan in de context van het gemeentewerk - tot bezinning op het eigene van wat de pastor aan te bieden heeft. Daar staat tegenover dat de pastor temidden van de andere deskundigen een eigen plaats inneemt.
De mens in bed is tegenover de pastor immers niets verplicht, maar vindt - als het goed is - bij hem of haar wel een oor voor wat hij of zij maar bij weinigen en soms zelfs bij niemand anders kwijt kan.
Juist vanwege het sterk persoonsvormende karakter van de training is het een misvatting dat de Klinische Pastorale Vorming een scholing tot ziekenhuispastor zou zijn en voor het gemeentewerk niet zo erg van belang.
Wel ben ik me door de training en het werken in die geheel andere context sterk bewust geworden van het verschil in kleur van het pastoraat in het ziekenhuis en in de kerkelijke gemeente. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de betrekkelijkheid van veel binnenkerkelijke discussies en scherpslijperijen.
Verdoet een predikant in de gemeente niet (te) veel tijd aan het blussen van onbenullige brandjes? In het ziekenhuis valt al die ballast vaak (zeker, niet altijd) zomaar weg en liggen de grote levensvragen veel en veel dichter onder bereik.
Dat brengt mij op het tweede motief van mijn schrijfsel. Zonder iets ten nadele te willen zeggen van de vele vacante gemeenten kent ons kerkverband als geheel toch een graad van dominee-dichtheid die zeer luxe mag heten. Als ik daarnaast het gegeven zet dat onze kerken tot op heden nauwelijks of in het geheel geen bijdrage leveren aan het ziekenhuispastoraat, dan ben ik geneigd te denken in termen van een gemiste kans. Want als de kerken ergens kansen hebben op een zinvolle wijze in gesprek te raken met mensen die veelal van kerk en geloof zijn vervreemd, dan wel in het ziekenhuis en in andere vormen van bijzonder pastoraat. Ik ben daar zeer van onder de indruk gekomen.

Pastoraat en liturgie
Eén facet wil ik nog apart kort noemen. Het werk in een ziekenhuis met een - zeker van oorsprong - katholiek stempel heeft mij ook indringender dan tevoren in aanraking gebracht met het grensvlak van pastoraat en liturgie.
De rooms-katholieke traditie is rijker aan ritueel op cruciale levensmomenten. Het meest bekend is wellicht de ziekenzalving, die lange tijd enkel gezien is als het sacrament der stervenden, maar sinds het Tweede Vaticaans Concilie het karakter van bemoediging in dagen van ziekte meer en meer teruggekregen heeft. Een gebruik dat onder inspiratie van een passage uit de brief van Jacobus (5,13-18) al in de vroege kerk ontstond.
Ik heb in het ziekenhuis de pastorale waarde van deze en dergelijke vormen voor de naaste kring van familie leren ervaren en heb de indruk dat we daar als protestanten in onze verzakelijkende samenleving nog wel iets van zouden kunnen leren.
Pastoraat en liturgie: het hoeft wat het ritueel betreft niet allemaal zo groots.
Maar met een grote mate van souplesse gehanteerd kunnen sobere en zorgvuldige vormen een bedding verschaffen aan gevoelens die er zijn op ingrijpende levensmomenten en zonder zulke vormen moeilijker geuit worden of een plaats krijgen. Mijn eigen ervaringen ermee variëren van een eenvoudig gebed met een wandelende patiënt in een welgekozen hoekje van het stiltecentrum tot een doopviering voor een niet levensvatbaar kindje op de couveusekamer.
Dan gaat er wel wat door je heen.

Noten:
1. Kees Smit vroeg in dit blad al eens aandacht voor het categoriale pastoraat meer in het algemeen (Opbouw 40 (1994) 194).
2. Zie bijvoorbeeld het boek Een nieuwe eenvoud. Ervaringen in de Klinische Pastorale Vonning (Praktisch Theologische Handboeken 56; 's-Gravenhage 1987).
3. Een nieuwe eenvoud 76-77.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief