De Vrije Kerk

1998-05-01
  • Jaargang 42
  • nummer 9
De schrijver van het hierna te bespreken boek, drs. J.C. Schaeffer, moge ons (ook) bekend zijn als voorzitter van de Commissie voor Contact en Samenspreking met andere Kerken (CCS). Dit vermeld ik omdat het boek, een kerkhistorische studie, aan de intentie van kerkelijke eenheid dienstbaar wil zijn en die intentie aan de opdracht van de CCS ten grondslag ligt.

De verwijzing naar het CCS-lidmaatschap staat niet in het boek, daar het oorspronkelijk is geschreven als doctoraalscriptie en zo'n mededeling daarin geen functie heeft. In een bespreking heeft ze dat wel, omdat ze ons aller betrokkenheid bij het werk van de Commissie kan versterken. Uit het Woord Vooraf citeer ik ter verduidelijking de motieven van de auteur voor de bredere publicatie, voorafgegaan door wat hij vertelt over zijn studiegang.
Dit inclusief wat daarin voor hem (en lotgenoten) wel zeer pijnlijk was en dat zal blijven, juist in het licht van zijn aandeel in de CCS van nu: "Ik heb het heel bijzonder gevonden mijn doctoraalstudie te kunnen afronden in Apeldoorn. Mijn studiegang is gestempeld door de realiteit van de verdeelde gereformeerde gezindte van vandaag. Het propaedeutisch examen legde ik af aan de Theologische Universiteit (toen nog Hogeschool) van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) te Kampen. Mijn kandidaatsbul behaalde ik aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, na een gedwongen vertrek uit Kampen in de donkere jaren van de breuk in de vrijgemaakte kerken". En wat de motieven voor de publicatie betreft: "Ik zou de resultaten van mijn onderzoek graag als een bijdrage willen zien in het verstaan van de gemeenschappelijke voorgeschiedenis van hen die werkelijk gereformeerd willen heten en zijn en als een stimulans voor het verlangen samen een plaats te vinden in een door Christus vrij gemaakte kerk". (Helaas is het veelbetekenend dat de woorden 'vrij' en 'gemaakt' hier los van elkaar moesten worden geschreven - MS). Bij deze vermelding van de motieven hoort ook wat ik overneem uit de omslagtekst:

"Het maandblad De Vrije Kerk verscheen van 1875 tot 1898, eerst binnen de Christelijke Gereformeerde Kerk (toen nog enkelvoud - MS), later, na de Vereniging in 1892, in de Gereformeerde Kerken in Nederland. Dit blad is vooral verbonden geweest met de beweging van de Afscheiding van 1834.

Drs. J.C. Schaeffer heeft door de bestudering van de jaargangen van dit maandblad als het ware gekeken door de ogen van de toen representatieve figuren uit de Christelijke Gereformeerde Kerk. Hij heeft gelet op hun houding ten aanzien van Kuypers visie op de kerk en zijn opvattingen over de orde des heiis, met name zijn gedachten over de wedergeboorte. Hij constateert een kritische, maar bovenal broederlijke houding en wijst op de zegen die verwacht mag worden wanneer in samensprekingen in dezelfde geest gesproken werd als de medewerkers van De Vrije Kerk deden."

Moeizaam en vermoeiend
In de Slotbeschouwing typeert drs. (ds.) Schaeffer de samensprekingen in onze dagen als "zo vaak moeizaam en vermoeiend".
Tot een weinig bemoedigender oordeel leiden ook de verslagen in ons Informatieboekje van de laatste jaren. Daarentegen zijn de rapportages daarin over de situatie op wat ik bij voorkeur noem het hoogste niveau, de plaatselijke kerken, per saldo substantieel positiever. Graag had ik de waarneming van deze nuance in de Slotbeschouwing opgenomen, althans aangeduid gezien. De reden ontleen ik aan het boek zelf. Immers stelt de auteur in die beschouwing vast dat vanaf het allereerste verschijnen van De Vrije Kerk, redactie en medewerkers zich met hart en ziel hebben ingezet (nu volgt een citaat van grote principieelprogrammatische betekenis uit het eerste nummer - p. 13/14 en 198 bij JCS): "om samen te brengen wat naar den aard van zijn leven, belijdenis en roeping bij elkander behoort, doch door bijzaken en menschelijke vonden en wetten gescheiden is, tot eene vrije kerk, zoals Gods Woord ze vertangd'.
Ik meen nu dat deze majeure doelstelling van DVK, geheel in de geest van de Afscheiding, principieel gevolgd werd en wordt in de meer moedgevende plaatselijke contacten en resultaten. "Ook al moet daar wel bij worden gezegd" (aldus drs. Schaeffer als redacteur van het l.b. 1997 over het voorafgaande jaar) "dat er niet altijd iets positiefs te melden valt". Maar wel geven de contacten volgens hem aan, dat "ze eenvoudig niet meer uit het kerkelijk leven zijn weg te denken" (p. 171). Maar ook afgezien van deze suggestie tot signalering blijft de aansporing aan het slot van zijn boek meer dan vrijblijvend legitiem, dus meer dan welbeschouwd overbodig. De meerwaarde is mijns inziens dat zijn studie niet alleen geschiedenis documenteert, maar ook een daarin aan de dag getreden vorm van een even beginselvaste als volhardend broederlijke omgangswijze. En daarom apart belicht en per conclusie bepleit als een voorbeeld voor onze samensprekingen.

Kuyper
Heeft de houding van Kuyper daartoe ook bijgedragen? Het lijkt mij veelzeggend dat ds. Schaeffer daarover geen eindoordeel geeft. Het antwoord moeten wij daarom vinden in het beschreven proces zelf en helaas komt daaruit niet een even navolgenswaard beeld naar voren. Het beste kan dit worden beoordeeld in samenhang met de omslag in Kuypers positiekeuze jegens de Christelijke Gereformeerde Kerk, die zijnerzijds aanvankelijk van een bepaalde onderwaardering of miskenning uitging. Deze golden de Afscheiding als ware zij geen juiste vorm van reformatie en derhalve de daaruit voortgekomen C.G. Kerk als ware zij geen juist geformeerde institutie. De strijd van Kuyper en de zijnen voor kerkherstel binnen de Hervormde Kerk is dan ook, zoals de Inleiding het formuleert, "lange tijd gevoerd met de rug naar de 'gescheidenen', die in de ogen van tallozen die bleven deserteurs waren die hen in dat noodzakelijke gevecht in de steek hadden gelaten". 'Lange tijd' nu is dezelfde periode waarin DVK op grond van haar doelstelling onafgebroken gepoogd heeft broeder Kuyper, in weerwil van zijn miskennende houding, voor het in de doelstelling neergelegde, waarlijk katholieke beginsel te winnen.
Maar het heeft geduurd tot de Vereniging eer de omslag zich via de Doleantie voorgoed heeft voltrokken. Dit - en het moet voluit worden gehonoreerdniet zonder erkentenis van nalatigheid door de dolerenden en Kuyper zelf als "de laatste ontkomenen", "het langst volhard hebbende in de verkeerde weg", "de grootste schuldenaars", "de mindere(n) in getrouwheid" (p. 172, 173). AI in 1887 werd dit op hun Synodaal Convent ingezien! Karakteristiek voor DVK en in nauwe relatie daarmee de gedragswijze van de C.G. Kerk in haar vertegenwoordiging in de kerkverbandelijke gremia was de afwezigheid van rancune hetzij van triomfalisme in de reacties op de vroegere diskwalificatie respectievelijk de latere blijken van schuldbewustheid. Wat hierbij ook sterk opvalt is een niet-kerkistisch toenaderingsbeleid.
Illustratief hiervoor is dat "meer dan eens is uitgesproken dat men zich niet per se zou moeten aansluiten bij de C.G. Kerk. Ook al begon men maar met een eigen Gereformeerde Kerk te stichten naar een eigen methode van reformatie, dan zou wel blijken dat men nooit lang van elkaar gescheiden zou kunnen leven" (p. 198).
In de Vereniging is die verwachting bewaarheid, waarbij Kuyper mede een beslissende rol heeft vervuld. Toch mag hem niet, zoals vaak gebeurt, de voorste plaats worden toegekend.
Chronologisch blijkt uit het onderzoek dat DVK het eerst de voedingsbodem heeft bewerkt die in de Vereniging tot gemeenschappelijk grond- en draagvlak kon worden ontwikkeld. Zij en de C.G. Kerk waren niet de eersten in rangorde (maar dat wilde niemand toen zijn, ook Kuyper zelf niet!) maar wel in volgorde. Terwille van de objectiviteit is ook deze constatering uit ds. Schaeffers analyse van belang. Het wetenschappelijk inhoudelijke, uiteraard hoofdzakelijke deel van de studie (de beoordeling van Kuypers theologische gedachtenwereld) wordt uit een grote verscheidenheid van invalshoeken weergegeven. Dit gebeurt aan de hand van zeer ruim citatenmateriaal en daarop betrekking hebbende samenvattingen van artikelen en van complete verhandelingen uit de jaargangen van DVK. Deze stof is ondergebracht in een boeiend gehouden en adequaat verbindende tekst die, niet onbegrijpelijk, ook van ontstane sympathie van auteurskant jegens DVK getuigt. Niettegenstaande dit laatste, misschien subjectief te achten element, dunkt mij dat de scriptie van drs.
Schaeffer kan dienen als een specimen van betrouwbare standaard informatie en als zodanig kan worden toegevoegd aan de bestaande literatuur inzake de intergereformeerde voorgeschiedenis van de vorige eeuw. Als detail in de sfeer van personen geeft het voldoening dat naam en werk van redacteur ds. H. Beuker, "de man die als sterkste motor achter DVK kan worden beschouwd" (p. 14) meer bekendheid krijgen. Van hem ook is afkomstig de doelstelling in het eerste nummer, aan welk adagium hij met beslistheid en waardigheid vasthield, maar het tevens als zelfstandig denker en competent polemist veelzijdig wist te belichten. De geestverwantschap met de andere scribenten berustte op dezelfde doelstelling en heeft door de decennia van het bestaan van DVK heen de identiteit van de C.G. Kerk tot 1892 het duidelijkst bepaald. Te denken valt hierbij aan schrijvers/woordvoerders, in deze studie prominent optredend, als Van Andel, Bavinck, Bos, Gispen, Lindeboom, Ten Hoor en Wielenga, om de bekendsten te noemen.

Christelijke Gereformeerde Kerken
Hun 'opgaan' in de Gereformeerde Kerken in Nederland betekende dat er een ingrijpende identiteitsverandering plaats vond in ... de C.G. Kerk. Om deze raadselachtige zin te begrijpen (die Kerk bestond door de Vereniging toch niet meer?) moet men weten dat een kleine groep niet met de fusie is meegegaan, maar zich in hetzelfde jaar formeerde als de enige wettige voortzetting van de C.G. Kerk en zulks onder de aloude naam. Het is dit sinds 1892 veranderde instituut - alleen de naam werd in 1947 door de toen gekozen meervoudsvorm gewijzigd - dat wij nu kennen en ontmoeten als de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland. Over die afsplitsing schrijft ds. Schaeffer in de Inleiding: "De keuze om ook aandacht te geven aan de beoordeling van Kuypers gedachten over de orde des heils is in de eerste plaats bepaald door het feit, dat juist op dit punt een klein smaldeel uit de Christelijke Gereformeerde Kerk de stap naar de Vereniging op zijn minst te voorbarig vond". Wat nu in deze nadrukkelijke keuzebepaling en vervolgens in het boek negatief opvalt is dat in beide die daad van voortzetting van de C.G. Kerk niet wordt vermeid. Wel worden de reacties van diepe teleurstelling aan DVK-zijde gedocumenteerd weergegeven, maar niet wat het 'kleine smaldeel' bewoog een eigen koers te varen. Dat was immers niet alleen het bezwaar van voorbarigheid en overhaasting, maar in zijn totaliteit het bezwaar van onwettigheid van de Vereniging. Een bezwaar dat binnen de C.G. Kerken onweersproken wordt gehandhaafd, omdat zij daarop hun bestaansrecht in de zin van enig wettig voortbestaansrecht van de kerken uit de Afscheiding baseren. Het onbelicht laten van deze complexiteit van gegevens uit 1892, die de eerste scheuring van zich 'Gereformeerd' noemende 'Kerken in Nederland' markeren, beneemt mijns inziens het volle dige zicht op de problematiek van de samensprekingen van vandaag. Deze kan men naar mijn mening niet beperkt zien tot theologische, confessionele en afgeleide kerkrechtelijke verschillen van nu. Het zwaartepunt zal dunkt mij (moeten) komen te liggen in de beantwoording van de vraag naar het bestaansrecht van elk dier Kerkenformaties.
Zolang daaraan nog wordt voorbijgegaan kan ook niet gezamenlijk worden teruggegaan naar de geest van ware katholiciteit die in de C.G. Kerk van voor 1892 heerste. Alvorens op deze problematiek eens verder in te gaan wacht ik graag de reactie, direct of indirect, van ds. Schaeffer af op mijn kritiek. Ze betreft dus kort gezegd de geschiedschrijving na 1892, niet die van de voorgeschiedenis van dat cruciale jaar - waarvan ik graag herhaal dat ze waardevolle historicale informatie toevoegt. Nu is het vanuit zijn boek gezien alsof er geen C.G. Kerk(en) zijn ontstaan en zelfs bestaan, of in de geest van zijn beeldspraak: of het kleine smaldeel niet is gegroeid tot een flottielje, "dat er toe doet'!
De omslagillustratie, een tekening van H.J. Haverman, is even fraai als symbolisch treffend: de 'kop' van Kuyper, over het hele oppervlak als 'de man op de achtergrond' gedempt geportretteerd achter een heldere afbeelding van De Vrije Kerk, het geheel in historiserende tinten. Jammer van de misdruk op p. 157 en van enkele vervelende (zet- ?)foutjes!

Drs. J.C. Schaeffer: De plaats van Abraham Kuyper in 'De Vrije Kerk'.
Buijten & SchipperheijnAmsterdam 1997.
ISBN 90 6064 941-pr.f 39,50

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief