Over de kloof (3)

2000-10-13
  • Jaargang 44
  • nummer 21
‘Maar wat gelooft u zelf’?
Dr. W.J. Ouweneel was er even door verrast, zo vertelde hij op de conferentie ‘De Boodschap en de kloof’ van 1997. Het was hem overkomen tijdens een toelatingsgesprek met een aankomend EH-student. Op een goed moment speelde de 18-jarige de bal gewoon maar eens terug naar de hoogleraar en dat was Ouweneel in al die jaren nog nooit gebeurd. Maar wat wás dat een goed moment.

Die simpele vraag van een jongere uit de negentiger jaren aan zijn 30 jaar oudere mede-christen: ‘Wat gelooft u eigenlijk zelf?’ Ofwel, wat leeft er op de bodem van úw hart - wat leeft er écht? Een beetje Wittewierum in Amersfoort. Met een vraag, die niet bedoeld is voor voor de ringwegen van ons geloof, maar voor die plekken in ons christen-zijn, waar het hart van het evangelie klopt. Alleen, klopt het daar écht?
Na twee artikelen, waarbij de tweede generatie van na de oorlog alle aandacht kreeg - met vooral de vraag, waar bij hen de openingen voor het evangelie zitten - wil ik in dit derde artikel terugkomen bij onszelf en uw en mijn weg in geloof. Ik maak daarmee een wending, zoals je die ook wel vindt in het Nieuwe Testament. Ik denk dan aan een passage waar Petrus - met de buitenwacht voor ogen - zegt: ‘weest altijd bereid tot verantwoording van de hoop, die in u is’ (1 Petrus 3:15). Bij het eerste stukje van dat zinnetje kun je nog denken aan buren en vrienden, maar dan loopt Petrus je hart binnen en heeft het over de hoop, die ín je is.
Daarmee brengt de apostel je bij de bijna noodzakelijke voorwaarde, dat het evangelie eerst door jezelf moet zijn heengegaan, wil het getuigenis werkelijk overkomen. Hoe zou je ook de boodschap van hoop en perspectief overtuigend aan een ander kunnen overbrengen, zonder zelf geraakt te zijn. Daarom beklopt de apostel nadrukkelijk onze binnenkant - de hoop die ín ons is.

Het zal wel waar zijn (1) ...
Dat brengt je bij vragen als ‘wat geloof ík nu echt’ en ‘wat ervaar ík van de werkelijkheid van God’. Ik trek er opnieuw een recent boekje bij, dat zulke vragen niet uit de weg gaat.
Het is geschreven door Wim Dekker en heeft als titel ‘Langs de rand’. Ik neem mijn vertrekpunt in een hoofdstuk dat je ook meteen bij een kernpunt van het christelijke geloof brengt: ‘Komt de boodschap van de verzoening nog over?’.
Als voorganger uit de orthodoxe hoek van de hervormde kerk viel het ds Dekker namelijk op, dat de meeste reacties kwamen, als zijn preken een praktische inslag hadden.
Bijvoorbeeld als het ging over Gods leiding in je leven of over de concrete handel en wandel op dit of dat punt.
Vergeleken daarmee, kreeg hij op preken over bijvoorbeeld het plaatsvervangend lijden van Christus veel minder respons. Ik vond dat een boeiende waarneming, die ik maar meteen in de vraag vertaal of we daar als nederlands gereformeerden iets van herkennen. Misschien mag ik u en jou zelfs wel uitnodigen om in de laatste twee maanden van dit jaar eens na te gaan, door welke preken u écht geraakt wordt. Overweeg daarbij wat dat zegt over de preek en over u (jou). Maar ook het tegendeel, waar je - misschien alleen al vanwege je kinderen - niet teveel over moppert, namelijk als een preek je weinig of niets zei en nauwelijks iets deed.
Zodat je maximaal haalbare reactie is ‘het zal wel waar zijn, maar het raakte me niet’. Herkent u daarin iets van de indruk van ds. Dekker, dat dat minder vaak gebeurt bij een preek over praktische zaken? Als u me op dit punt iets meldt van uw bevindingen, zal ik daar zeker (anoniem) op terugkomen in Opbouw.

Het zal wel waar zijn (2) ...
Laat ík in ieder geval zeggen, dat ík wel degelijk iets herken in wat Dekker schrijft. Neem bijvoorbeeld de diensten voor Goede Vrijdag, waarvan ik er nu zo’n tien heb mogen (of moeten) voorbereiden. Ik vond dat meestal een zware opgave. Je weet, dat je op die dag in de binnenste cirkel van het evangelie verkeert. Maar om dan dat binnenste zo te verkondigen, dat het ook helemaal een boodschap wordt voor hier en nu en niet een vrij abstracte, theologisch getinte bespiegeling, dat vond ik vaak veel moeilijker dan in de aanloop naar een ‘gewone’ zondag. Waar ligt dat aan, denk je dan. Hoe kan het dat een preek (ook voor de man op de kansel) wel tintelt als het gaat over de handen en voeten van het evangelie, maar zoveel minder wanneer het hart van de boodschap in geding is. Als het érgens gaat over de boodschap en de kloof, dan toch hier wel. Dekker komt in zijn boek met het beeld van een ton met bodem en spanten. Het plaatje kwam uit een bijeenkomst over gemeenteopbouw, waar ds Dekker goede dingen hoorde over vernieuwing van alle mogelijke spanten.
Maar hij kwam zelf niet los van de macabere gedachte, dat ook de bodem wel eens lek zou kunnen zijn.
Zodat in een proces van misschien wel jaren de vertrouwde geloofsvoorstellingen wegsijpelen. Met als gevolg, dat bij menige preek - ook (of juist?) als die het hart van het evangelie raakt - het gevoel overheerst: ‘het zal wel waar zijn, maar het doet me niet veel’.

Aan de kloof voorbij
Ook in Amersfoort ben ik er weer helemaal van overtuigd geraakt, dat het met ons vergaderwerk als nederlands gereformeerden wel goed zit.
Ook landelijk gaan we er over een half jaar weer tegenaan, in Amersfoort nog wel! Maar als ik dan zo’n hoofdstukje lees uit het boek van Dekker - ‘Komt de boodschap van de verzoening nog over’ - zou het kunnen dat we ons misschien aan de kloof voorbij vergaderen en voorbij preken en voorbij kerken? Aan die kloof, die doorloopt tot in ons eigen hart, zoals ik in het eerste artikel schreef. Dekker prikkelt je in zijn boekje om de vragen rond de boodschap en de kloof onder ogen te zien.
Vragen als ‘waarom zei me dat vroeger zoveel en nu zo weinig’ en ‘wat geloof ik nu echt’. Want het is voor je geloof uiterst ongezond om te blijven doorlopen met een sluimerend ongeloof en knagende twijfel, om op een gegeven moment tot de ontdekking te komen dat je geloof een zachte dood is gestorven en de fundering van je leven weggevreten. Loop er dus niet vergaderend, prekend en kerkend aan voorbij - aan vragen als: wat geloof ik eigenlijk zelf? Juist ook als het gaat over verzoening tussen God en mensen. Als deze boodschap klinkt als een verre echo, is het zoeken geblazen naar nieuwe of oude ingangen, om daardoor weer dichterbij dat centrale te komen.

De leer als ingang
Ik las onlangs vanwege een regionaal examen onze drie belijdenisgeschriften weer eens door. Dat ik ze zo integraal achter elkaar tot me nam, was lang geleden. Ik heb als eerste mezelf voorgenomen om dat eens vaker te doen, al is het voor één dag wel een beetje een overdosis.
Ik voeg er als tweede aan toe, dat ik het al lezend vooral als een samenvatting van de christelijke boodschap heb ervaren, zodat je het weer eens op een rijtje krijgt. Dat klinkt eigenlijk wat te droog als je bedenkt dat je in de belijdenisgeschriften toch werkelijk door de kernpunten van het christelijk geloof wordt heengeleid. Toch kan ik er niet veel meer van maken, omdat ik merk dat langs deze weg van de confessie mijn geloof maar af en toe wordt opgewarmd. Een koppel als zondag 5 en 6 bijvoorbeeld brengt me niet dichter bij het geheimenis van de menswording van onze Heer en zijn vernedering tot in de dood. Ik zal toch niet vervreemd zijn van de inhoud van het evangelie van Jezus’ lijden in onze plaats, denk je dan? Of is het toch de taal en de opzet die blokkeren, als een stalen plaat, waardoor je de warmte en de uitstraling van het evangelie niet voelt. Wim Dekker schrijft in zijn boekje: ‘Abstracte taal, leerstellige taal roept bij mij al snel weerstand of verveling op. Taal waarin existentiële ervaring tintelt neemt mij mee en wint mij ook weer in voor de zaak waar het om gaat.’ Dat was precies mijn ervaring bij dat dagtochtje door de drie formulieren van enigheid. Wim Dekker komt op diezelfde pagina (28) met een gedicht van Gerrit Achterberg, dat u ergens op deze pagina’s terugvindt.
Apart om te merken, dat je door zo’n gedicht wél dichterbij het geheimenis van Gods verzoenend werk in Jezus komt! Tenminste, zo verging het mij.

Een film en een kruis
Ik zet daar, als het gaat om het zoeken naar ingangen, nog een heel andere ervaring tegenaan. Onlangs hadden we in Amersfoort een laagdrempelige dienst met als thema ‘Create in me a clean heart’ (psalm 51). Ergens in de dienst kon ieder die wilde een papiertje met eigen tekorten en zonden prikken aan een houten kruis. Het sprak menigeen aan, omdat ze via dat gebaar tastbaar dicht bij het lijden van Jezus-voor-ons werden gebracht. Anderen vonden het volkomen overbodig of zelfs hinderlijk voor wie gelooft dat één vergevend woord van de Heer genoeg is.
Ik kan me, wonderlijk genoeg, bij beide reacties wel iets voorstellen. Na de dienst kregen we nog een fragment te zien uit een Jezus-film. Je zag de eigenlijke kruisiging en de bedoeling was dat je daardoor opnieuw onder de indruk kwam van het immense offer, dat Jezus voor ons heeft gebracht. Ik moet zeggen, dat ik door dat filmfragment geen millimeter opschoof in de richting van het geheimenis van Jezus’ lijden voor ons.
Hoe komt het in een mens op om zijn naaste zoiets aan te doen, dacht ik.
Hoe kun je zo afgestompt zijn, dat je een ander een spijker door zijn polsen jast. En het meest trieste is, dat er ook in 2000 kinderen geboren worden, die vergelijkbare dingen bedenken en doen. En dat ik ook niet goed weet waarom ik zo’n gezegend mens ben dat ik van zulke gruwelijkheden vreselijk boos en verdrietig wordt. Dit soort gedachten kwamen bij me op bij dat filmfragment. Ik proefde er eigenlijk alleen de gruwelijke marteling in en al zou ik het honderd keer herhaald zien, het zou me niet bij mijn zonden en Gods vergeving brengen.
Hoewel, doordenkend over zulke gruwelijkheden en hoe dat in de wereld mogelijk is, kom ik misschien via een achteringang toch weer uit bij dat grote geheimenis van de liefde van God in Jezus voor deze wereld en voor ons. Dat wel.

De stilte als opmaat
Bij het zoeken naar ingangen tot het hart van het evangelie, dacht ik ook aan een gebruik dat in de laatste decennia is opgekomen in de SOW kerken en ook in sommige van onze gemeenten praktijk werd. Ik bedoel, dat er in de week rond Goede Vrijdag (m.n. witte donderdag en stille zaterdag) gelegenheid is om als gemeente samen te komen. Ik vond dat altijd wat veel van het goede, maar mijn sympathie voor zulke momenten met minder preek en meer lied en stilte is de laatste tijd gegroeid. Het hoeft van mij nog niet eens breed gemeentelijk te gebeuren - in huiselijke kring of als deel van een wijk, zou me geloof ik nog liever zijn. Om dan iets te ervaren van wat in een psalm als de 65e aan de orde is. Een lied, dat begint met ‘de stilte zingt u toe o Here’. Stilte.
Zoals die keer in Oost-Berlijn, toen ik de Mariënkirche binnenwandelde.
Een vreemd overblijfsel uit de ruïnes van een nietsontziende oorlog, ingeklemd tussen vierbaans ringwegen en moderne winkelcentra. De koelte kwam je tegemoet op die warme zomermiddag. En de stilte. De stilte, die je kon horen, zoals ik het de psychiater J.H.van den Berg wel eens heb horen zeggen. De stilte van psalm 65, die de weg effent naar het evangelie voor al wat leeft: ‘onze overtredingen Gij verzoent ze’.

Een Woord van de Heer
Of onlangs, toen we in een middagdienst een overbekende gelijkenis van Jezus lazen. Over een slaaf, die een vermogen verspeeld had.
Onvermurwbaar is zijn heer, want gedane zaken nemen geen keer. Dan komt de grote wending - volkomen onverwacht - en je ziet dat de heer omgaat, medelijden krijgt en geen uitstel, maar afstel van betaling geeft.
Waarom gaat de heer om, denk je dan, en hoe kan het dat hij zoveel meer omgaat, dan zijn slaaf ooit voor mogelijk had gehouden? En aan de andere kant, hoe kan het zijn dat Jezus u, jou en mij in de hoek zet van iemand met een miljoenenschuld. Zijn er dan misschien toch gedane zaken in mijn leven, die zonder God geen keer nemen? Iets van ‘wat gebeurd is, is gebeurd’? Zo ontmoette ik in een fragment van een gelijkenis God, die vergeeft en vergeet op een manier, die bij mensen onmogelijk is. In datzelfde stukje kom ik mezelf tegen met mijn gedane zaken en zie ik Jezus opstaan in zijn eigen woorden, ergens in die seconden, waarin de heer omgaat.

Echt open!
Hoe was het ook weer? Die Busters, zo schreef Kevin Ford, zitten niet te wachten op een doorwrochte leer, maar zijn open voor zomaar een woord van de Heer. Ben ik en zijn wij misschien dan toch allemaal een beetje Buster geworden in de loop van de negentiger jaren?
Hoe dat ook zij, zo’n gelijkenis kan gaan vonken, waardoor ik iets zie oplichten van het geheimenis van het evangelie. Al lezend in de drie formulieren van enigheid is me dat niet gebeurd. Is het dan toch de taal en bij tijden de opzet, waardoor ze nog wel een krachtige samenvatting van het evangelie zijn (vooral de catechismus en de geloofsbelijdenis), maar veel minder ingang tot het evangelie. Dat prikkelt om te zoeken of er misschien andere deuren zijn, die de weg openen naar het hart van de boodschap.
Bruggetjes over de kloof voor die momenten, waarop je denkt ‘het zal wel waar zijn’. Dan hoop ik op een gedicht, een lied of verwachtingsvolle stilte, waardoor de weg naar het hart van het evangelie weer open komt te liggen. Echt open!
Drs. W. Dekker is hervormd predikant en de laatste jaren als stafmedewerker verbonden aan de Inwendige ZendingsBond (IZB). In zijn boekje ‘Langs de rand’ doorkruist Dekker de wereld van evangelische, gereformeerde en katholieke christenen, met steeds weer die onderliggende vraag van de boodschap en de kloof. Op tal van momenten komt dat terug: als het gaat over opstanding en hemelvaart, over struikelblokken in de overdracht van het evangelie, maar ook over de obstakels in het evangelie zelf. Het speelt bij de waardering van opwekkingsliederen en psalmen, klinkt door in thema’s als ballingschap en verkiezing en nog veel meer. Ik kan lezing en overdenking van het boekje van harte aanbevelen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief