Ga desnoods op zoek naar Gods vriendelijke ogen

2000-10-13
  • Jaargang 44
  • nummer 21
Gods vriendelijke ogen… wanneer zag u die voor het laatst? Was het tijdens een boswandeling? Of verwachten we God niet eens in die kleine dingen? Kan het ook eigenlijk helemaal niet, want we schieten nog op zoveel fronten tekort. We moeten nog zoveel…. De 600 Nederlands Gereformeerde vrouwen kregen tijdens de vrouwencontactdag van ds. Ruard Ganzevoort een herkenbaar verhaal.

Over hoe we door onze eigen regels en vormen Gods genade inperken.
‘Waarom zeggen we niet wat vaker tegen elkaar: God houdt van ons. Klaar!’ Wie had gedacht dat ze gezellig een dagje kon gaan consumeren, kwam op alle fronten bedrogen uit. Behalve het feit dat ds. Ruard Ganzevoort direct maar meedeelde geen kant-en-klare preek te hebben, werden de bezoeksters al direct bij binnenkomst aan het werk gezet. ‘Ik ben nog niet eens aan de koffie toegekomen’, was een verzuchting die meerdere malen gehoord werd. Bij de ingang van de Apeldoornse Tabernakelkerk hing een zestal vragen om ‘er vast in te komen’. Vragen als ‘Waar staat u tegenover God op dit moment’, ‘Van welke eigenschap van u geniet God’ en ‘Met welke eigenschap van u is God niet blij’ scoorden het hoogst in moeilijkheid. Makkelijk was als er al een aantal kreten stonden waar je alleen maar een streepje achter hoefde te zetten. Een scherpe tong hebben en ongeduldig zijn, daar kunnen meer vrouwen zich in herkennen. En de stelling ‘U bent bij mij, naast mij, voor mij, achter mij, Uw hand rust op mij’ was favoriet omdat, zo wist een kritische man, die het grootste stond afgedrukt. ‘Als je er zo langs loopt, dan springt die gewoon het meest in het oog.’

Dunne stilte
Waar of niet, een groot aantal vrouwen nam de vragen ernstig. Zelfs bij de ‘geurtafel’ met de vraag ‘Bij welke geur voelt u zich veilig?’. Voor een oudere dame was dat wel duidelijk. In onvervalst achterhoeks accent: ‘Ik houd van dennengeur. Misschien omdat ik uit een beboste streek kom.’ Desondanks waren hier vooral de geur van lavendel en Zwitsal (babyzeep) ‘veilige geuren’. In de middagpauze waren interviewsters actief die onder de bezoeksters steekproefsgewijs nog wat dieper ingingen op de eerder gestelde vragen.
Ondertussen zat ds. Ruard Ganzevoort zich te beraden op de verdere aanpak van de dag. Die ochtend had hij gesproken over Gods vriendelijke ogen, over zelfaanvaarding en genade. ‘Als we daar iedere zondag over horen, dat God van ons houdt, waarom is het dan toch zo moeilijk om het echt tot ons door te laten dringen?’ zo vroeg hij zich af. En daar wilde hij nu wel eens bij stil staan. Geen preek dus over genade, over Gods liefde… maar een duiken in de praktijk van alle dag.
Een duik in het verhaal van Elia die teleurgesteld bij de berg Horeb aan komt en daar God ontmoet: ‘Elia wachtte op God. Die verscheen niet in de donder, de aardbeving of het vuur, maar in de stilte; de stem van een dunne stilte, zoals de letterlijke vertaling luidt. Dunne stilte: zo klein, aan de ondergrens van wat je waar kunt nemen, ongrijpbaar. Herkende Elia Gods stem niet omdat hij Hem op een andere manier verwachtte te horen?
Of werd Gods stem overdonderd door zoveel andere stemmen?’ Zoals bij ons ook vaak gebeurt: stemmen die zeggen dat er nog een ‘maar’ achteraan komt. Dat dit niet het enige kan zijn.
Het zijn de boodschappen die een kind te horen krijgt: Mama vind je lief, maar mama zal je nog veel liever vinden als…. Of: mama houdt van je, maar dan moet je wel gehoorzamen…

Angstig oog
Ganzevoort ziet en hoort die ‘jamaars’ ook in de Nederlands Gereformeerde Kerken. ‘We zijn dan wel niet zo bezig met Gods oordeel en we houden ook niet van donderpreken, maar ergens diep van binnen zit altijd het ‘ja maar’ van: Het is niet goed genoeg. We zouden meer….
Het zou beter zijn…. Je moet…. En daarmee staan we ver af van de genade van God. En dichtbij een leven uit oordeel en veroordeeld zijn. Dat doen we zelf. Jezus zegt dat hij niet is gekomen om te oordelen. ‘Ik ben gekomen omdat ik van je houd en niets liever wil dan die liefde met je te delen’, zegt hij. Wie dat afwijst, doordeelt zichzelf’, aldus Ganzevoort.
Die vriendelijke ogen van God krijgen we eigenlijk iedere zondag ‘mee’, zo zei de predikant. Als een zegen: De Here doe zijn aangezicht over u lichten… ‘God is niet doorlopend op zoek naar mankementen, de fouten, de dingen die nog niet goed zitten in ons leven. Ganzevoort: ‘Ik houd van mijn kinderen. Niet omdat ze doorlopend goede en leuke dingen doen, maar om wie ze zijn. Als ik mijn kinderen zie spelen en genieten, vind ik dat heerlijk. Ik moet er niet aan denken dat ze steeds met een angstig oog mijn kant uit zouden kijken om te zien of ik het allemaal nog wel goed vind, of ik nog wel van ze houd… Zou dat bij God anders zijn?
Hij heeft ons geschapen, wil dat we genieten; van het leven, van zijn schepping.’ De vraag is of we dat durven, om te leven uit die genade. ‘Er zijn zoveel andere sterkere stemmen die ons vragen of het wel echt zo gemakkelijk is… zit er echt geen addertje onder het gras? Een slang in de tuin, ja die wel. Die je vertelt dat het heel anders moet. Dat God ons niet zomaar lief kan hebben. Dat Hij erop uit is om ons klein te houden… het is de slang die ons ervan afhoud om genade te accepteren.’ Genade maakt je kwetsbaar, zo gaf Ganzevoort toe. ‘Je loopt het risico dat het misbruikt wordt. Maar als je het veilig probeert te stellen door muurtjes te bouwen, ben je het kwijt.
Het is de uitdaging om de stem van de dunne stilte op te merken, in de kleine dingen waar je makkelijk overheen loopt.’

Toch 'ja maar'
En toch kwamen die middag de ‘ja maars’ om de hoek kijken. Maar niet nadat de Schuyltamboers van zich hadden laten horen, een drumband van de instelling voor mensen met een verstandelijke beperking Groot Schuylenburg uit Apeldoorn. De enthousiaste groep kreeg het Nederlands Gereformeerde publiek snel mee: er werd gezongen, geklapt, nog weer geklapt en gezongen. Van ‘Piet Hein’ tot ‘Lang zal hij leven’.
Ganzevoort: ‘Heb je het over de stem van de dunne stilte als tegenwicht van het dondere/nd geluid, krijg je de Schuyltamboers.’ Maar daarna werd het toch weer stil.
Ganzevoort onderscheidde twee soorten ‘ja-maars’: die van de weerstand tegen gehoorzaamheid en die van een teleurgesteld vertrouwen in God.
Over de eerste: ‘Ja, God houdt van ons. Maar God is ook een heilige God die gehoorzaamheid vraagt. De Here vraagt ons zijn geboden te houden, om op Hem gericht te zijn. Dat is een oproep, een uitnodiging om die genade van Hem toe te laten en te laten doorwerken in ons leven. Weerstand tegen gehoorzaamheid is daarom misschien ook weerstand tegen genade.
En dat kan God boos maken. Maar die boosheid is dan vaak meer gericht op de machtigen die zijn kinderen kapot maken, dan op hen die Hem wel willen dienen, maar een misstap maken.’

Tekortschieten
Want er zullen ook mensen zijn die wel willen, maar niet weten hoe.
Omdat ze aanlopen tegen hun eigen tekortschieten. Misschien omdat ze te weinig momenten hebben gekend waarop ze Gods vriendelijke ogen konden ervaren. Een tekort dat ze met zich mee blijven dragen. Of omdat ze teleurgesteld zijn. Of beschadigd. Of… Ganzevoort onderkende dat hier niet zomaar een antwoord voor is, in de vorm van een 3-stappenplan waarna het ‘over’ is. Wel gaf hij een aantal tips om de weg naar genezing, heling op te draaien.
Hij gaf aan dat met name voor mensen die ook niet meer weten hoe ze bij God moeten komen, het heilzaam kan zijn om eerst gewoon heel ‘menselijke’ stappen te zetten: ‘Je kunt proberen, eventueel met anderen, te ontdekken wat je precies belemmert, waar het kapot is gegaan. Dat inzicht is belangrijk. Daarnaast is het wel nodig dat je nieuwe momenten ervaart die een ander verhaal vertellen dan die van de teleurstelling, van verdriet, pijn. Genezende en corrigerende ervaringen die je laten zien dat het anders is, waarin je iets vindt van Gods vriendelijke ogen. En daar kun je heel bewust naar op zoek gaan. Al is het maar door bakjes kaneel in de hoeken van je kamer te zetten of door het bos te wandelen.’ En ten slotte: ‘Zou je ook God dan niet vragen om het tegengif te leveren?
Om door zijn Geest in je te werken?
Want de gedachte dat wij er eigenlijk niet mogen zijn is als een gif dat ons leven verlamt, wat je in de weg staat om God te dienen.’ Ganzevoort hield zijn gehoor nog wel twee gevaren voor, twee afgoden waarmee bij de zoektocht naar Gods vriendelijke ogen rekening gehouden moet worden: de afgod van vervlakking (laat de pijn zitten en daarmee ook de vreugde) en die van de donderstem (God is Heilig, maar eigenlijk niet te vertrouwen): ‘God wil ons in het volle leven plaatsen. Daarom geeft Hij zijn geboden en daarom wordt hij soms boos. Maar God heeft geen twee gezichten, waarbij hij je het ene moment vriendelijk aankijkt en het volgende moment vertoornd is.’

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief