De dominee en de therapeut*
1999-01-08
Collega Schaeffer schreef in de vorige twee nummers van Opbouw over de identiteit van de pastor. In zijn artikelen ging hij onder andere in op de vraag, hoe het werk van de predikant zich verhoudt tot dat van de hulpverlener.- Jaargang 43
- nummer 1
In dit en het volgende nummer van Opbouw wil ik daarop voortborduren. Daarbij spits ik de vraag toe op het conflict dat mensen kunnen ervaren tussen pastoraat en hulpverlening.
Stropdassen
Een duidelijke illustratie van zo’n conflict is te vinden in het verhaal, dat de Zwitserse arts Paul Tournier vertelt in zijn in 1966 verschenen L’homme et Son Lieu (”De mens en zijn plaats”; ik beschik over de engelse vertaling van dit boek, A place for you). Tournier is een man geweest, die zijn christen-zijn niet onder stoelen of banken stak. Werkzaam als hij was op het grensvlak van geneeskunde en psychologie, heeft hij in een lange reeks boeken laten zien hoe pastoraat en hulpverlening voor hem samenvloeiden.
Dat neemt niet weg dat hij scherp oog had voor de spanning die kan bestaan tussen die twee polen. Hier volgt een van zijn praktijkervaringen waaruit dat blijkt.
Een moeder adviseerde haar volwassen zoon naar een psychotherapeut te gaan.
Dat deed ze, niet omdat hij een probleemkind was. Integendeel: van al haar kinderen was deze zoon verreweg het gemakkelijkst. Het enige was, dat hij geen aanstalten maakte om te gaan trouwen.
Hij leek geen enkele behoefte aan een vrouw te hebben. Dat baarde haar zorgen; haar liefste wens was dat haar zoon door middel van een huwelijk goed terecht zou komen. Zo vestigde ze haar hoop op de psychotherapeut: die kon haar zoon er misschien van overtuigen dat hij er goed aan deed op een huwelijk af te koersen. De zoon volgde haar advies op, en begon vervolgens onherkenbaar te veranderen. Hij was altijd volgzaam en liefdevol geweest, maar begon zijn moeder nu ineens te verwijten dat ze hem getiranniseerd had. Hij begon erover te klagen, dat hij erg onder haar dominantie geleden had. Hij had nooit zijn eigen wil mogen doen; tegenspraak duldde ze niet. Zelfs zijn eigen stropdassen had hij niet mogen uitzoeken! Dat moest maar eens afgelopen zijn; de maat was voor hem vol!
De moeder stond perplex. Alles had ze voor haar zoon overgehad! In alle dingen had ze met hem gerekend! Hij had ook veel van haar gehouden, dat wist ze zeker. En nu deze afschuwelijke verstoring van hun goede verhouding! Ze kende haar zoon niet meer. Daar kwam nog bij, dat hij ook in religieus opzicht veranderde. Altijd had hij zijn moeder, in overeenstemming met het vijfde gebod, geëerd - nu was hij agressief en dwars.
Hij ging ineens niet meer naar de kerk, en beweerde dat hij ook nooit enig persoonlijk geloof had gehad. Nota bene!
Iemand moest hem op een dwaalspoor hebben gebracht. Maar wie? Toen ging de moeder een licht op: de psychotherapeut!
Natuurlijk! Die had haar zoon van het geloof afgepraat en tweespalt gezaaid in een hecht en gelukkig gezin.
Het zou wel een atheïst zijn...
Geen conflict
Ziehier het schrikbeeld van menig christen: de psycholoog/hulpverlener als iemand die je van het geloof afpraat.
Een reëel schrikbeeld? Gelukkig lang niet altijd. Maar niet ontkend kan worden dat ze er (nog steeds) zijn: hulpverleners, voor wie religie de bron is van alle mogelijke psychische groeistoornissen, en die in hun therapie op niet mis te verstane wijze uitdrukking geven aan die overtuiging. Vandaar ook de behoefte aan christelijke hulpverlening, waarbij de therapie niet ingaat tegen, maar gedragen wordt door de christelijke geloofsovertuiging.
Dat is natuurlijk prachtig: als de dominee en de therapeut gelijk optrekken. Dan is van een conflict geen sprake. Maar hoe zit dat nou in het geval van die moeder en die zoon waarover Tournier vertelt? De dominee komt in dat verhaal niet voor, maar je zou je kunnen voorstellen dat als hij eraan te pas was gekomen hij tegengas had gegeven. Want heeft deze therapeut geen gevaarlijke krachten losgemaakt?
De moeder had haar zoon in een christelijke sfeer grootgebracht, een sfeer van liefde en harmonie, van eerbied voor de ouders, van kerkgang en zelfverloochening.
Wat stelt de therapeut daar tegenover? Opkomen voor jezelf; zeggen wat je denkt en voelt; conflicten aangaan. Alles, waar de christelijke moeder voor staat, haalt de therapeut omver. De psychologie lijkt zich hier te ontpoppen als een vijand van het evangelie.
Moet je als dominee in zo’n geval niet krachtig stelling nemen?
Paul Tournier vindt van niet. Hij neemt het juist op voor de gewraakte psychotherapeut.
Die was allesbehalve een atheïst; in religieus opzicht was hij veeleer rijper dan de ontdane moeder! Waarom was hij zo opgetreden? Omdat hij er zeker van was dat de houding van de moeder met ’ontaarding van religie’ te maken had. Hij nam een samenzwering waar tussen religie en moederlijke dominantie. De vrouw had het geloof gebruikt om haar ’bezitterige’ gedrag te rechtvaardigen. Haar opvoeding in christelijke sfeer was in wezen niets anders dan de bevrediging van moederlijke instincten. Daar had hij de ogen van de zoon voor geopend.
Natuurlijk had hij overwogen daarover ook in gesprek met de moeder te gaan.
Maar heel bewust had hij afgezien van de poging om ook háár ogen voor de werkelijke stand van zaken te openen. Hij was tot de triest stemmende conclusie gekomen, dat het een dialoog tussen doven geworden was. En zo waarschuwt Tournier in zijn commentaar de dominees voor de valkuil, om uit naam van de religie de therapeut voor de voeten te gaan lopen.
Hij acht het juist de taak van de pastor, om de inzichten van de psychologie voluit te verdisconteren. De religie is bij de moeder een verbond aangegaan met onderdrukking; de psychologie daarentegen brengt niets minder dan bevrijding (A place for you, 93,94).
Zelfverwerkelijking
Op deze manier is van een conflict tussen pastoraat en hulpverlening geen sprake.
De dominee schikt zich naar de diagnose van de therapeut. Wat zou hij ook anders moeten doen? De therapeut is immers belangrijke waarden op het spoor, die mensen alleen maar tot hun schade kunnen verwaarlozen. De psychotherapeut in het verhaal van Tournier staat werkelijk niet alleen, als hij zijn cliënt uitnodigt het tot dusverre verboden terrein van zelfverwerkelijking te betreden. In allerlei vormen van hulpverlening draait het om hetzelfde: leren kiezen voor jezelf, jezelf worden, leren genieten. En het is bepaald niet enkel uit verveling en nieuwsgierigheid dat zoveel mensen daarop aantrekken.
Het is gewoon een feit, dat heel velen op dit gebied geblokkeerd zijn geraakt en daardoor ongelukkig zijn, soms diep ongelukkig. Een dominee die daar geen oog voor heeft is niet zo’n goede dominee. Daarom zijn veel pasto res bij hulpverleners in de leer gegaan.
Zij zijn met de ogen van de hulpverlener de bijbel gaan lezen. En zo waar: het bleek er allemaal al te staan! Voor al die waarden van de hulpverlener waren teksten aan te dragen. Had Jezus niet impliciet al gezegd dat wij ook onszelf mogen liefhebben (Marcus 12:31)? Is er in de bijbel niet opmerkelijk veel ruimte voor het genieten (Psalm 104:15; Prediker 11:8,9)? Spreidt een man als Paulus niet een gezond zelfbewustzijn ten toon, waarin hij onbevreesd conflicten aangaat en opkomt voor eigen rechten en overtuigingen (Handelingen 22:25; Galaten 2:11)? Zo is de laatste tijd een ware vloedgolf van boekjes en tv-programma’s over ons heengeslagen waarin uit de doeken wordt gedaan hoe innig het pastoraat de waarden van de hulpverlening heeft te omarmen.
Verpsychologisering van het evangelie
Maar wat is dan nog het eigene van de pastor ten opzichte van de hulpverlener?
Die vraag van Schaeffer blijft prikkelen.
Zijn antwoord is helder: anders dan in de hulpverlening staat in het pastoraat de relatie tot God centraal. Vanuit dat antwoord stelt hij vervolgens, in de woorden van Henri Nouwen, kritische vragen aan de pastor: ”Zijn we langzamerhand niet méér doordrenkt van de taal der gedragswetenschappers dan van de taal van de bijbel? Praten we tegenwoordig niet méér over ménsen dan over God, in wiens naam we tot de mensen gaan? Voelen we ons niet méér verwant aan de psycholoog en psychiater dan aan de priester?” (Opbouw nr. 42, blz. 494) Nouwen en Schaeffer stellen deze vragen met recht. Er is een tendens om het pastoraat te verpsychologiseren.
Grof gezegd: de relatie tot God kan gehanteerd worden als een therapeutisch middel om mensen tot zelfverwerkelijking te brengen. En hoe vruchtbaar het ook is om de bijbel te leren lezen met de ogen van de hulpverlener - het hart en het merg van zijn boodschap raakt men daarmee niet.
Juist in zoverre het in de bijbel gaat om de relatie met God, worden er dingen in gezegd die een heel andere kant op wijzen dan de richting die de therapeut wijst. Leert hij mensen vanuit het programma ’zelfverwerkelijking’ te kiezen voor zichzelf, zichzelf te worden, te durven genieten - de dominee moet preken over dingen als ’zelfverloochening’ (Marc. 8:34), ’de ander uitnemender achten dan jezelf’ (Fil. 2:3), je identiteit buiten jezelf, in Christus zoeken (Gal. 2:20), jezelf krachtig disciplineren (Marc. 9:43-48). En zo is de spanning tussen pastoraat en hulpverlening weer helemaal terug!
Docetisme
Iemand die die spanning op een heel andere wijze tot een oplossing brengt, is de Apeldoornse hoogleraar dr. H.J. Selderhuis.
In artikelen en lezingen gooit hij regelmatig de knuppel in het hoenderhok, en roept hij de dominees op afstand te nemen tot al het getherapeutiseer.
Van de ’verpsychologisering’ van het evangelie moet hij niets hebben.
Voor hem is het duidelijk: de dominee is voor alles dienaar van het woord van God, en heeft het als zodanig over andere dingen dan de hulpverlener. Ik citeer uit een column van Selderhuis die op 12 juli 1997 in het Nederlands Dagblad stond: Pastoraat vandaag loopt gevaar slechts te willen helpen dat een mens weer een beetje zichzelf wordt, terwijl toch een mens rechtvaardig voor God moet worden. Pastoraat vandaag neigt naar hulp om te kunnen leven, bijbels pastoraat richt zich op rust om te kunnen sterven.
Hier wordt tamelijke eenduidig gekozen voor het evangelie van Christus, tegen de psychologie. Vanuit het evangelie zou de dominee mensen niet moeten helpen om te kunnen leven, maar om goed te kunnen sterven. Doel is niet: jezelf worden, maar: rechtvaardig voor God worden. Zo is het geen vraag mee, wat de pastor onderscheidt van de hulpverlener.
Volgens Selderhuis zijn het twee totaal verschillende figuren. Als ik hem goed begrijp zou een dominee, wanneer hij eraan te pas was gekomen in de geschiedenis die Tournier vertelt, met die zoon en die moeder over heel andere dingen hebben moeten praten.
Hij zou, vanuit het evangelie, hen beide hebben moeten aanspreken op de zin van naar de kerk gaan, en van avondmaal vieren, en van je voorbereiden op het sterven en het laatste oordeel... Op die manier zou hij hen misschien ook op een spoor gezet hebben in de richting van onderlinge verzoening.
Inderdaad, op die manier is van verpsychologisering van het evangelie geen sprake, en blijft de predikant trouw aan zijn eigenlijke roeping: de bediening van het evangelie. En toch wringt er ook hier iets. Vorig jaar heb ik op deze plaats in Opbouw geschreven over Nietzsche. In dat kader heb ik aandacht gevraagd voor de schaduwzijden van een christendom dat NEE zegt tegen het leven, dat geen levensvreugde meer kent, dat het in het hiernamaals zoekt omdat het de confrontatie met het leven hier en nu niet aan kan. Daartegenover wees ik op het werk van de Heilige Geest, wiens geschenk aan de in Christus verloste mensheid getypeerd kan worden als een geheel nieuwe ’vitaliteit’. Dat is ook een kant van het evangelie. Het is een kant die ik in de benadering van Selderhuis mis. Schetst hij wel een zuiver dilemma, als hij zegt dat de christelijke zielszorg er niet voor is om mensen te helpen leven, maar ten doel heeft hun de rust te schenken om te kunnen sterven?
Ik durf de stelling aan, dat een dominee soms tegen een christen moet zeggen dat hij eens wat minder gefixeerd moet zijn op het toekomende leven! Dat een mens ’weer een beetje zichzelf wordt’: ik geloof er niks van, dat dat puur het terrein van de hulpverlener is, en dat een dominee daar vanuit het evangelie geen woorden aan moet vuilmaken.
Als de boedelscheiding op deze manier consequent zou worden doorgevoerd (iets wat ik Selderhuis zelf niet in de schoenen wil schuiven), lijkt het me niet denkbeeldig dat de kerk in een zeker ’docetisme’ terecht komt. De oude term docetisme wil zeggen, dat aan het mens-zijn van Christus geen recht wordt gedaan. In parallellie daarmee loopt de kerk het risico, dat ze in de benadering van Christus’ navolgers hun concrete mens-zijn links laat liggen. Wanneer dat gebeurt, krijgen bijvoorbeeld preken iets abstracts, en worden bijbelse waarheden bloedeloos. Allerlei oproepen om lief te hebben, de minste te zijn, zichzelf te verloochenen enzovoorts, sorteren vaak maar heel weinig effect, doordat ze niet ingaan op wat mensen werkelijk voelen en ervaren. Zit een zielszorg, die zich eenzijdig richt op de rust om te kunnen sterven en zich verre houdt van de kunst om te kunnen leven, niet ook aan die docetische kant?
In het voetspoor van Bonhoeffer
Het is ingewikkeld geworden. Aan de ene kant is er de overtuigingskracht van de psychologie, waaraan een dominee – als hij verstandig is – zich gewonnen geeft. Maar dan dreigt het evangelie ingekapseld te worden in de psychologie.
Waar – omgekeerd – daartegen weerstand geboden wordt, loopt de kerk gevaar docetisch te worden en dat te doen wat Nietzsche haar zo bitter verweten heeft: het JA tegen het leven inslikken. Volgende keer wil ik laten zien, hoe in het voetspoor van Dietrich Bonhoeffer een pad kan worden gekapt door dit weerbarstige struikgewas.
* Voor Opbouw bewerkte versie van de voordracht die ik gehouden heb op de Ned. Geref. predikantenconferentie op 4 juni j.l.