In Verwondering Sybine

1999-03-19
  • Jaargang 43
  • nummer 6
Voor me liggen de krantenartikelen die verschenen in de plaatselijke en regionale pers tussen 19 januari en begin maart, de dag van de vermissing en vijf weken later - begrafenis van Sybine Jansons. Het zijn kleine en grote getuigenissen van een vast geloof in een grote en trouwe God, die door velen zijn gelezen.

De vermissing en het overlijden van de dertienjarige Sybine Jansons uit Maarn maakte diepe indruk op velen.
De foto van de vrolijke, blijmoedige scholiere in kranten en pamfletten vormde een schril contrast met het nieuws van haar ontvoering en - zoals vijf weken later bleek - haar brute moord. De vele gebeden, waartoe haar familie en christelijke organisaties hadden opgeroepen, hadden helaas niet geleid tot de vurig gewenste thuiskomst bij haar ouders en zusje in Maarn. Sybine Jansons was slachtoffer geworden van een verschrikkelijk misdrijf.

De verbijstering was en is nog steeds groot. Evenals de frustratie en de angst. Waarom laat Hij dit toe?
Waarom levert Hij zijn kinderen over aan gruwelijkheden als deze?
Waarom was Hij niet in Maarn? Evenmin als in Galtür, Gorinchem, Kosovo en al die andere plekken waar zoveel gruwelijkheden plaatsvinden?

De rouwkaart van Sybine begint met een tekst uit Jesaja 41:13: ’Ik, de Here, uw God, grijp uw rechterhand vast; die tot u zegt: Vrees niet, Ik help u.’ Een stukje verder: ’Haar lichaam is overmeesterd, doch haar ziel is geborgen bij God.’ In de plaatselijke krant ’De Kaap’ wordt verslag gedaan van de rouwdienst. Waarin dominee Baljet preekte over de woorden van Jesaja, en waarin ook de vader van Sybine een dankwoord uitsprak. Aan de vele aanwezigen in de dienst, aan de vele mensen die een blijk van medeleven hadden gestuurd. ’En bovenal aan God. Hij heeft ons staande gehouden.
Dank voor de beloften, het weerzien en het nieuwe koninkrijk dat komt.’
De knipsels en advertenties voor me ontroeren en verwonderen. Ze zijn doordrongen van Zijn belofte, Zijn aanwezigheid, Zijn liefde. Dwars door het verschrikkelijke van een brute aardse dood heen.
Onlangs las ik een passage van een gedicht van Herman de Coninck uit Zolang er sneeuw ligt:
ik denk: sluit nu maar
je ogen, kom, ik zal je helpen
De regels bevatten een waarheid ’te groot en te diep om zomaar te worden opgeschreven’, aldus De Conincks weduwe Kristien Hemmerechts in Taal zonder mij. De overledene mócht sterven van de dichter, kreeg toestemming, zij mocht gaan liggen, om nooit meer iets te moeten. De regels ontroeren mij, waarschijnlijk omdat de angst erin ontbreekt. Ze geven sterven een nieuwe dimensie, een van rust en vertrouwen.
En zo werpen ook de krantenknipsels voor mij een nieuw licht op het verschrikkelijke misdrijf dat een dertienjarige overkwam. Ze laten zien dat duivelse machten heel dichtbij ons kunnen komen. Maar ze laten ook zien dat waar satan dichtbij komt, Hij ons draagt. Vol liefde, heel dichtbij, en mèt een belofte.
Ontroerd en in verwondering bezie ik nogmaals de krantenknipsels.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief