Liefde en geboden
1999-03-19
Wij zijn gewend in onze tijd een behoorlijke nadruk te leggen op de noodzaak van persoonlijk geloof. Vroeger werd, in onze Gereformeerde traditie, het geloof min of meer verondersteld, op grond van het feit dat iemand bepaalde uiterlijke kenmerken daarvan vertoonde (kerkgang met name); vandaag zijn wij ons er veel meer van bewust dat het geloof niet alleen iets van de buitenkant moet zijn, maar dat het gaat om de binnenkant, om je hart. En daarom vragen wij, meer dan - Jaargang 43
- nummer 6
vroeger: ”Vertel eens: geloof jij echt? En wát geloof je dan?”
Individualisme
Deze nadruk op (de noodzaak van) persoonlijk geloof is terecht. De kans dat je ’t in onze tijd volhoudt zónder persoonlijk geloof is niet groot. Vroeger waren er dan vaak nog genoeg structuren om tegenaan te leunen; vandaag zijn die structuren er (bijna) niet meer - en wie er toch tegenaan wil leunen valt dus om.
Terecht dus, die nadruk op persoonlijk geloof.
Maar tegelijk is het, vervelend genoeg, ook een invalspoort voor de geest van het individualisme. Want mijn persoonlijk geloof is dan automatisch ook mijn persoonlijk geloof; en daar kan iemand anders eventueel iets over vragen aan mij, maar daar moet hij of zij natuurlijk geen kritiek op gaan leveren. Want dit is nu eenmaal mijn geloof, zo beleef ik het; en iemand anders mag het van mij best anders beleven, daar zal ik niks van zeggen, maar omgekeerd moeten ze ook niks van mij zeggen!
Ruimte
Je ziet het natuurlijk ook gewoon gebeuren in onze kerken: * aan de ene kant een sterk Evangelische stroming - die veel van het Gereformeerde verleden als een hinderlijke last ervaart; * aan de andere kant een klassiek-
Gereformeerde stroming - die niks moet hebben van al die nieuwerwetsigheden; * maar daar ergens tussenin zit de grote middenstroom van al die mensen in onze kerken die vinden dat er ruimte moet zijn zowel voor mensen die wat meer aan het oude hangen, als voor hen die wel graag een wat meer eigentijdse geloofsbeleving willen.
Wij zijn ook minder geneigd om de wereld in tweeën te verdelen: wij en zij. Vroeger werden de scheidslijnen scherper getrokken: die-en-die hoort bij ons (en is dus goed), maar die ander is niet goed (en hoort dus niet bij ons). En was iemand eenmaal ingedeeld bij ”de anderen”, dan waren wij er meesters in om uit zijn of haar woorden en daden talloze vormen van aanvullend bewijs voor onze indeling te destilleren.
Nu, zo doen wij dat vandaag in doorsnee niet meer (ik weet: er zijn natuurlijk altijd uitzonderingen). Wij hebben meer oog voor het positieve in de ander, ook als die ander op een bepaald punt opvattingen heeft die wij zelf niet hebben, en die we voor onszelf misschien niet eens goed zouden vinden.
Twee termen horen bij deze ontwikkeling: ruimte en vrijheid. Die beide geven de manier aan waarop wij de dingen beleven. Ruimte en vrijheid: óók in de manier waarop we onze relatie met God beleven; we willen elkaar graag zoveel mogelijk vrij laten, althans voorzover het dingen betreft waarvan we in meerderheid vinden dat ze niet tot de kern van het geloof behoren.
Dat dat vervolgens vanzelf verschillen tussen mensen en ook tussen gemeenten met zich meebrengt, nemen we op de koop toe; we constateren dat, ja zeker, maar in doorsnee ervaren we het niet als een groot bezwaar; want we geven elkaar de ruimte, en we laten elkaar vrij.
Gemeenschappelijk
En toch roept heel deze ontwikkeling onvermijdelijk op een gegeven moment een vraag op; deze namelijk: Wat hebben we nog gemeenschappelijk?
De beleving van de relatie met God verschilt, de vormen die we kiezen voor die beleving verschillen — waarin ligt dan nog het gezamenlijke, het gemeenschappelijke?
Wat bindt ons samen, ánders dan het feit dat we (ik veronderstel dat dat geldt voor de meeste lezers van Opbouw) Nederlands Gereformeerd heten?
Laat ik, om eventueel misverstand te voorkomen, duidelijk zeggen dat ik deze vragen niet stel vanuit een soort paniekhouding, alsof ons groot gevaar bedreigt wanneer we niet stante pede in staat zouden zijn om zoiets als ”de eigen identiteit van onze kerken” onder woorden te brengen. Nee. Er is m.i. in de kerk meestal niet zoveel reden tot paniek; zolang we namelijk weten en geloven dat niet wij, maar Jezus zelf Hoofd en Fundament van de kerk is.
Waarom dan toch deze vragen?
Omdat ik denk dat het voor onszelf goed is om een beetje te weten waar het nou eigenlijk om draait in de kerk van de Here Jezus; wat daar wél kan, en wat daar níét kan; waar je royaal ruimte voor moet en kunt geven, en waar je dat niet voor mag doen. Oftewel: het is voor onszelf zinnig om te weten waar de grenzen liggen; waar vrijheid ontaardt en ruimte oeverloos wordt. Al was het maar omdat ons kerk-zijn eigenlijk altijd open ligt naar twee kanten waar we allebei niet heen moeten; dat is aan de ene kant het wetticisme, en aan de andere kant de vrijzinnigheid.
Pendel-beweging
Het is hoog tijd om de bijbel erbij te nemen; meer bepaald de tekst die boven dit artikel staat. Daar zit, in dat woord van Jezus (en in vele verwante Schriftwoorden), een hoogst opmerkelijke pendel-beweging tussen de liefde en de geboden. Jezus verwijst ons van de liefde naar de geboden, en van de geboden weer terug naar de liefde.
Daaruit valt voor ons dacht ik wat te leren. Ik noemde hierboven het wetticisme en de vrijzinnigheid, als twee gevaren waar je als kerk in verzeild kunt raken. De vrijzinnigheid - om die nu als eerste te noemen - is in de regel nogal in de weer met de liefde; het beroep op de liefde moet vaak dienst doen als legitimatie voor van alles en nog wat.
Wat doet Jezus nu? Hij maakt de liefde vast aan de geboden van God.
Liefde is voor Hem niet een zweverig gevoel, waarbinnen voor van alles ruimte is, nee, liefde komt in het licht en bewijst zichzelf in het houden van de geboden.
Het wetticisme daarentegen zoekt juist z’n kracht in het nauwgezet onderhouden van de geboden van God. Daarin ziet het de garantie voor het blijven in het juiste spoor.
Wat doet Jezus? Hij maakt (dat houden van) de geboden van God vast aan de liefde. Het gaat niet om de correcte wetsbetrachting op zichzelf, maar het gaat om de liefde als houding van waaruit je de dingen doet.
Een pendel-beweging: van de liefde naar de geboden, van de geboden naar de liefde; van je hart naar je hand, van je hand naar je hart. Als ik het goed zie, ligt juist in deze pendelbeweging één van de geheimen van het kerk-zijn in de tijd en de wereld waarin wij leven.
Grensbewaking
Goed, zegt iemand, dat is natuurlijk wel mooi, die pendel-beweging, en misschien is het zelfs wel waar, maar vul dat nu eens concreet in: wat moet je daar nou mee? Dat is toch nog niet zo heel duidelijk!
En inderdaad, dit verhaal is niet zo gemakkelijk operationeel te maken, bijvoorbeeld in een handzame kerkorde waarin je nu eens overzichtelijk op een rij zet hoe dat dan precies moet in de kerk. Maar misschien is dat juist wel een pluspunt.
(Tussen haakjes: in de manier waarop een kerkorde pleegt te beginnen - met de vaststelling namelijk dat het nodig is in de gemeente van Christus naar de vereiste orde te leven (ontleend aan 1 Korintiërs 14:40) - valt meer nadruk op de geboden dan op de liefde. En dan weet ik wel dat een goede kerkorde uiteindelijk geen ander doel heeft dan de liefde vrije doorgang te verlenen, maar dat mag er dan ook wel met zoveel woorden in staan - bijvoorbeeld in een Preambule, om maar eens wat te noemen...) Ik schreef: misschien is het wel een pluspunt dat het niet zo gemakkelijk is om de grote hoofdregel (liefde - geboden) te vertalen in allemaal kleine detail-regels. Ik zou die hierboven beschreven pendel-beweging ook meer willen zien als een soort grensbewaking dan als een nauwkeurige handleiding.
Grensbewaking, dat wil zeggen: het gebied dat binnen de grenzen valt, is de speelruimte die je hebt om kerk van de Here Jezus te zijn. En pas als je in de buurt van de grenzen komt, gaat er een alarmbel.
Spanning
De liefde en de geboden hebben elkaar nodig; ze kunnen niet zonder elkaar.
Intussen heeft het altijd weer iets verleidelijks om één van beide te kiezen, ten koste van de ander: de liefde óf de geboden. Dan is het tenminste duidelijk; dan weet je waar je aan toe bent — maar om kerk van de Here Jezus te zijn in deze wereldtijd zul je die verleiding moeten weerstaan.
Want juist in de spanning van die beide ligt het geheim van het levende kerk van Christus zijn.
En goed, dan zit de één wat meer aan de kant van de geboden - maar komt toch niet in het wetticisme terecht: omdat we elkaar eraan herinneren dat het in de geboden van onze Here God uiteindelijk toch altijd weer gaat om de liefde.
En de ander heeft het meer over de liefde - maar komt toch niet in de vrijzinnigheid terecht: omdat we elkaar eraan herinneren dat de liefde zich altijd weer uitkristalliseert in het je houden aan de geboden.
Daar hebben we elkaar dus voor nodig; juist ook met onze onderlinge verschillen en verschilletjes. Want zo zullen we, samen met alle heiligen, in staat zijn om er iets van te vatten hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is van de liefde die God in de Here Jezus heeft voor ons; en zo sámen dus! - zullen we vervuld worden tot alle volheid Gods (Efeziërs 3:18-19).
En dan zul je die pendel-beweging inderdaad niet kunnen vertalen in een exacte, messcherpe omschrijving van hoe het nou precies allemaal moet; maar dan ontstaat er wel een ruimte waarin we met elkaar leven, om samen de Here te loven en te prijzen!