Moord door het woord
1998-06-12
Het negende gebod: Gij zult niet optreden als een getuige der valsheid tegen uw naaste! Het is goed ons deze letterlijke tekst weer eens voor de geest te halen. De zonde tegen het negende gebod zien we het meest duidelijk voor ons in het optreden van de twee ’nietswaardige lieden’ (daarachter Izebel en uiteindelijk Achab) tegen Nabot (1 Kon. 21:9-13) en in de poging „een vals getuigenis tegen Jezus” te vinden (Matth. 26:59-62). Het is terecht, dat de Catechismus hier „alle liegen en bedriegen” verboden ziet. Maar men raakt naar mijn overtuiging het gebod in de kern als men het ziet als een verbod van de moord door het woord.- Jaargang 42
- nummer 12
Dubbelop?
Maar kun je dat zo wel zeggen? Wordt het negende gebod dan niet een ’dependance’ van het zesde gebod?
De Catechismus noemt bij de bespreking van het zesde gebod (Zondag 40) immers ook al het „haten, kwetsen of doden ... met woorden...”? Krijg je geen dubbelop, als je het negende gebod typeert als het verbod van de moord door het woord? Toch meen ik de gegeven typering te kunnen handhaven.
Ik denk, dat de Here deze vorm van moord hier apart heeft genoemd, omdat het bedrijf met onze tong, ons spreken, alle tijden door zo verschrikkelijk wordt onderschat. Als Jakobus zegt, dat de tong maar een klein lid is (Jak. 3:4-6), zal hij ook stellig een waarschuwing tegen de onderschatting van ons tonggebruik voor ogen hebben.
De moord door het woord heeft iets indirects in zich, iets dat zo geheel anders is dan de dodelijke slag met de bijl. Men bezoedelt zijn handen niet letterlijk. En dat indirecte legt een rookgordijn over de werkelijkheid van ons handelen. Daarom – zo denk ik er tenminste over – het negende gebod na het zesde!
Duivelswerk
De uitdrukking is ontleend aan Zondag 43. En deze Zondag herinnert ons weer aan Johannes 8, waar de Here in grote strengheid zegt, dat de Joden, die Hem haten, de duivel tot vader hebben en de werken van de duivel willen doen. Deze vader wordt dan getypeerd met de woorden ’mensenmoorder’ en ’leugenaar’ (vers 44). We denken dan aanstonds aan de geschiedenis van de zondeval in Genesis 3, waar de duivel de mens in de dood stort door de leugen, die hem een zijn-als-God in de kennis-vangoed-en-kwaad voorspiegelt (vers 1-5).
Hier vinden we om zo te zeggen het origineel van het in het negende gebod verboden kwaad: De leugen als instrument van de dood, het woord als moordwapen! De zonde staat voor ons als duivelswerk, als navolging van de boze!
De leugenaar en mensenmoorder in Zacharia 3
Ja, steeds wordt in de behandeling van het negende gebod verwezen naar Genesis 3. Zeer terecht! Maar waarom blijft een ander ons verteld optreden van de duivel zo vaak buiten beschouwing? Waarom niet ook Zacharia 3 genoemd? De profeet ziet in het vierde nachtgezicht de hogepriester Jozua. Hij staat daar met vuile kleren (!) voor de Engel des Heren, terwijl de satan als aanklager optreedt en zich dus beroept op de heiligheid van God, die de zonde niet verdragen kan!
Een hogepriester met vuile kleren! Zo kan hij niet binnengaan in het heiligdom van God om de zaken van het volk te behartigen en verzoening te bewerken voor de zonden van het volk. Hij is immers zelf onrein. Hoe kan er nog ooit een Grote Verzoendag komen? Hoe kan dit uit de ballingschap teruggekeerde volk voor God bestaan, als de ’sleutel’ van de ’verzoeningsdeur’ verdwenen is? Welnu, dat bedoelt de satan nu ook precies: Here, heilige God, tref deze onreine Jozua met uw toornbliksem! Geen bedienaar van de verzoening meer!
Dan moet daarop volgen de toornbliksem over dit gehele volk! Heilige God, met beroep op uw heiligheid dring ik er bij U op aan: Vernietig uw werk! Dan wordt gelukkig de bestraffing van de satan over hem uitgeroepen, bestraffing door de Here die Jeruzalem (ondanks alles) verkiest! Wonderlijke en onverdiende genade! Dan wordt Jozua bekleed met feestklederen en een reine tulband (vers 1-5). Nu moeten we daar eens even bij stilstaan!
Is de satan van Zacharia 3 een heel andere figuur dan de satan van Genesis 3? Is de leugenaar van Genesis 3 in Zacharia 3 een waarheidspreker geworden? Geen sprake van natuurlijk!
Maar... in Zacharia 3 wijst de satan wel op de feiten van Jozua’s vuilheid. De feiten! Jazeker! En toch is de satan hier geen waarheidspreker. Hij blijft de leugenaar van het begin! Waarom? Omdat hij, precies als in Genesis 3, het woord gebruikt als een moordwapen om het werk van God te vernietigen! Daarvoor gebruikt hij naar keuze een verdraaiing van de feiten of de feiten zelf! Het blijft mensenmoord, moord door het woord.
U hebt wel gezien, dat ik haast angstvallig het woord ’feiten’ heb gebruikt en dat ik het woord ’waarheid’ in dit verband vermeden heb. Want ’waarheid’ behoort bij Christus, die de Waarheid is (Joh. 14:6). Bij de satan behoort de leugen. Ook als hij feiten naar voren brengt!
De kwade navolging
Het is verschrikkelijk de duivel tot vader te hebben en de werken van deze vreselijke vader te doen. Maar we hebben ons te hoeden voor eenzijdigheid, willen we het kwaad voorkomen.
De vreselijke vader kan de satan zijn van Genesis 3. Maar ook de satan van Zacharia 3. De satan die woorden verdraait en de satan die de feiten noemt! En dat laatste wordt door ons zo gemakkelijk veronachtzaamd. Iemand die vermaand wordt omdat hij kwaad spreekt van zijn broeder of zijn naaste, verdedigt zich nogal eens met de bewering, dat hij toch echt de feiten heeft genoemd. Laten we met vreze en beving constateren, dat de satan in Zacharia deze verdedigingskans helemaal niet krijgt! Hoe moeten we dan handelen?
Natuurlijk moeten we nuchter zijn. In de gehoorzaamheid aan het negende gebod spelen de feiten een grote rol.
Als ik vertel wat er gebeurd is. Als ik mijn broeder of mijn naaste de weg wijs. Als ik geroepen word een getuigenis te geven omtrent de geschiktheid en de capaciteiten van mijn naaste voor een bepaald werk. Als ik geroepen word voor het gerecht te getuigen. En ik kan nog een poosje verder gaan!
Maar het noemen van de feiten moet altijd ’functioneel’ zijn, altijd in dienst staan van de gerechtigheid, van het welzijn van de gemeenschap en van mijn broeder, van de opbouw in de waarheid (die ik nooit van Christus moet losmaken). Vaak is het noemen van de feiten, negatieve feiten, níet ’functioneel’.
Vaak heeft dat noemen een negatieve functie. Vaak leidt het noemen van de feiten niet tot behoud, maar tot vernietiging. Vaak wordt gesproken buiten de instanties om, die de feiten hebben te vernemen en die over de feiten hebben te oordelen. Soms worden de – negatieve – feiten genoemd op een plaats, waar de Here dat niet van ons vordert en niet van ons wil. Soms wordt in onze gesprekken de navolging betracht van de vreselijke vader uit Zacharia 3, waarbij we ons ten onrechte troosten met de verdediging, dat de feiten tenslotte de feiten zijn! Hoed u voor de moord door het woord! Het negende gebod als gebod van de Liefde!
Onnodig?
Bij het schrijven van dit artikel bekruipt me een gevoel van gêne. Was dit artikel niet overbodig? Iedereen weet toch wel wat hier gezegd wordt? Toch is het goed, als van tijd tot tijd het oude en bekende weer eens wordt ’opgehaald’. Dan weten we het toch weer even wat beter. En laten we het niet vergeten: In de Bijbel betekent echt weten, dat het je vlees en bloed geworden is. Weten is betrachten!