Kerk en belijdenis
1998-06-12
Binnen de zgn. ’kleine oecumene’ zijn onze kerken op het punt van het omgaan met en de binding aan de belijdenis de vreemde eend in de bijt. We worden daar ook op aangesproken door de andere partners, de Christelijke Gereformeerde kerken, en vooral door de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt.- Jaargang 42
- nummer 12
Zoals onze landelijke commissie voor contact en samenspreking met andere kerken het verwoord heeft in haar rapport aan de Landelijke Vergadering: „Als wij een duidelijker binding aan de confessie aanvaarden, geeft dat nieuwe mogelijkheden voor de contacten tussen alle drie de kerken”.
In dit artikel wil ik niet zozeer op die actuele discussie ingaan (hoewel mijn mening wel duidelijk zal worden), maar meer iets belichten van de achtergrond van de relatie tussen kerk en belijdenis.
Hoe het begint
De meeste belijdenissen zijn niet opgesteld met als expliciet doel nu eens een belijdenis te gaan maken.
Laat ik me, om de dingen zo duidelijk mogelijk te krijgen, in het vervolg van dit artikel beperken tot de Heidelbergse Catechismus. Over de Nederlandse Geloofsbelijdenis zou een soortgelijk verhaal te houden zijn, alleen voor de Dordtse Leerregels geldt dat ze wel min of meer vanaf het begin bedoeld zijn als belijdenisgeschrift, om namelijk op het punt van de uitverkiezing de orthodoxie af te schermen tegen de dwaling.
Goed, nu verder alleen over de Catechismus dus. Het verhaal is bekend genoeg: keurvorst Frederik III van de Paltz gaf opdracht aan twee jonge theologen, Zacharias Ursinus en Caspar Olevianus, om een leerboekje op te stellen voor zijn onderdanen, van wie er velen pardoes van Rooms Katholiek Gereformeerd waren geworden; zo zouden die mensen tenminste enig idee hebben van de hoofdzaken van het geloof. En toen zijn die twee mannen aan het werk gegaan, en ze hebben de Heidelbergse Catechismus opgesteld. Dat is dus, logischerwijs, de eerste fase in het ontstaan van een belijdenis: door één of meerdere mensen wordt om een bepaalde, concrete reden, iets op papier gezet. Laten we dat noemen: de fase van het opstellen.
Functie
Wat is nu eigenlijk de functie van een belijdenis? Welke reden is er om zo’n belijdenis op te stellen? Hierboven noemde ik al de concrete aanleiding voor het opstellen van de Catechismus; in bredere en meer algemene zin kun je zeggen: een belijdenis wordt opgesteld omdat er behoefte bestaat om uit te leggen en daarmee ook rekenschap af te leggen – zowel naar binnen als naar buiten – van de manier waarop de opsteller (in de regel als vertegenwoordiger van een grotere groep) de bijbel leest. Een belijdenis is een onder woorden gebracht stuk (van de eigen) traditie, een verantwoording naar binnen en naar buiten; kortweg: in een belijdenis wordt uitgelegd hoe men de bijbel leest. Dat is dus de eerste fase: die van het opstellen van een belijdenis.
Herkenning
Wat er vervolgens gebeurt, is dat de verwoording van deze manier van omgaan met de bijbel herkend wordt door andere mensen: „Ja, zoals het hier staat, zo is het; zo beleven wij het ook”. Zo wordt een belijdenis dus, via de herkenning door anderen, tot een gezamenlijk stuk. Wat niet verwonderlijk is, wanneer het werkelijk zo is, wat ik hierboven stelde, dat namelijk een belijdenis neerslag is van een traditie: traditie is immers nooit individueel, maar altijd iets dat wordt gedeeld door een grotere groep mensen.
Tweede fase dus: herkenning. Het is precies daaraan te danken dat wij als kerken de Heidelbergse Catechismus hebben. Op het eerste gezicht een vreemd iets: waarom hebben wij in Nederland een Catechismus die de naam draagt van een Duitse stad? Nu, dat hebben we te danken aan de Nederlandse vluchtelingen, en met name aan ds. Datheen, die onderdak zochten tegen de vervolging door de Spanjaarden, en die toen onder andere terechtkwamen in de Paltz, de landstreek in Duitsland waarvan Heidelberg de hoofdstad was. Daar maakten ze kennis met dit boekje, en dat sprak hen zo aan dat Datheen al in 1566, drie jaar na het opstellen ervan, de Heidelbergse Catechismus in het Nederlands vertaalde; omdat hij daar, in die woorden die door Ursinus en Olevianus waren gekozen, met vreugde zijn eigen geloof herkende.
Ook nu
Laat overigens niemand denken dat dit ’feest van de herkenning’ iets is wat zich per definitie alleen kan voordoen in de tijd waarin een belijdenis nog ’jong’ is. Tot op de dag van vandaag kan er zomaar die herkenning zijn. Ik verwijs naar wat ik onlangs tegenkwam in het blad Kontekstueel van januari 1998; daar vertelt dr. G.C. den Hertog over de Zwitserse professor R. Bohren; iemand die niet opgegroeid is met de Heidelbergse Catechismus, maar die op latere leeftijd heeft ’ontdekt’.
En Den Hertog schrijft dan: „Die ontdekking vond niet in het luchtledige plaats, maar in een pijnlijk proces van zoeken naar een werkzaam medicijn tegen depressies. () Hij heeft () met ontzetting geconstateerd dat zich over het spreken van de kerk een vrijblijvendheid heeft heen gelegd. Het raakt niet, ergert niet, troost niet. Hij is samen met zijn vrouw de Heidelbergse Catechismus gaan lezen, als woorden die wél iets zeggen, woorden om tegenaan te lopen, om je door te laten prikkelen, om je te laten uitdagen – om je te laten confronteren met het levende Woord van God, om de weg van de ge-hoor-zaamheid te gaan” (cursivering van mij, mhtb). Nu, dat is het precies: herkenning van de belijdenis, als verwoording van een manier van omgaan met het levende Woord van God. Dat kan dus vandaag nog net als toen! Overigens – voeg ik daar nog aan toe – zal juist hier ook wel de reden zitten waarom allerlei welgemeende oproepen om te komen tot een nieuwe belijdenis in en voor onze tijd niets opleveren: omdat je die herkenning niet kunt organiseren; die is er of die is er niet.
Zo gaat dat nu eenmaal bij een belijdenis...
Erkenning
Terug nu weer naar die begintijd. Na die vreugdevolle fase van de herkenning gaat er iets veranderen; de belijdenis heeft inmiddels zó’n status gekregen, dat het op een gegeven moment niet meer gaat om hérkenning van de inhoud, maar om érkenning daarvan. En daarmee zijn we dan bij de derde fase: die van de erkenning.
Dat is een op zichzelf ook legitieme ontwikkeling; althans tot op zekere hoogte: zolang namelijk de formele erkenning wordt gedekt en geschraagd door de materiële her-kenning. Erkenning kan uiteindelijk niet zonder herkenning. En laat het zo zijn dat bij latere generaties die herkenning niet altijd meer voorafgaat aan de erkenning, maar ook dan kan toch op termijn de erkenning het niet stellen zonder een bepaald minimum aan herkenning – anders zal onvermijdelijk de erkenning verworden tot een zuiver formele verklaring, zonder dat daar nog een werkelijke, materiële boodschap aan beantwoordt. Dat is het risico dat dreigt als de erkenning op eigen benen komt te staan, los van de eraan ten grondslag liggende herkenning. Dan wordt er ook niet meer béschreven, maar vóórgeschreven.
Hér-kenning kun je alleen ontvangen, die vind je, tot je verbazing; ér-kenning kun je eisen, die kun je dwingend opleggen, met eventueel bijpassende sancties. Dan is het ook niet meer: „Ja, inderdaad: zo lezen wij de bijbel”, maar: „Zo moet jij de bijbel lezen”. En dat is nogal een verandering.
In het eerste geval immers is het de bijbel zélf die in het middelpunt staat; de herkenning vindt plaats op het niveau van (de omgang met) de bijbel. In de tweede situatie vindt de erkenning in feite níét meer plaats op het niveau van de bijbel, maar op het daarvan afgeleide niveau van de belijdenis.
Niet het Woord van Gód vraagt om aanvaarding en instemming, maar de door mensen in een bepaalde tijd en situatie daarvan opgestelde weergave.
Beveiliging van de leer
Daar komt nog een andere verschuiving in mee; eigenlijk werd die hierboven al aangeduid, maar ik wil er nog apart aandacht voor vragen. De belijdenis krijgt namelijk gaandeweg ook meer en meer de functie van garant van de ware leer. Dat was in de beginsituatie niet beoogd. In de tijd van de Reformatie was de bijbel zelf de enige instantie waarop men zich beriep om de ware leer te funderen en te verdedigen.
De betrouwbaarheid en de helderheid van die leer lagen in de bijbel zelf. Toen later echter bleek dat een beroep op de bijbel in strijdsituaties niet het eind van alle tegenspraak betekende, kwam als vanzelf de behoefte op aan een andere instantie om zich op te beroepen. De bijbel zelf was immers voor velerlei uitleg vatbaar („Iedereen kan zich wel beroepen op de bijbel”, „Elke ketter heeft z’n letter”), en zo kregen op den duur de betrouwbaarheid en helderheid van het geloof hun thuisbasis in de belijdenis, in plaats van in de bijbel. Bij ontstentenis van ondubbelzinnige duidelijkheid van de Schrift gaat aldus de belijdenis fungeren als garant van de ware leer.
Spreek ik daarmee kwaad van een belijdenis? Nee; dat is althans niet mijn bedoeling. Als kerk geen belijdenis te hebben, is op zichzelf ook zeker niet beter dan er wel één te hebben. Ook zonder belijdenis heb je immers een bepaalde traditie waarin je staat. En dan is het nog helemaal niet zo gek om de leer die je hebt als kerk ook ergens op papier te hebben; dat houdt het in elk geval wel controleerbaar.
Nee, het gaat mij er niet om kwaad te spreken van een belijdenis; het gaat mij er wel om een beetje zicht te krijgen op hoe deze dingen zich in de loop van de tijd hebben ontwikkeld, met als doel daarmee ook meer duidelijkheid te krijgen voor de situatie waarin wij vandaag als kerken leven.
Latere ontwikkeling
Nu hebben we drie fasen besproken in het leven van een belijdenis: opstellen, herkenning, en erkenning. Om het verhaal compleet te maken moet ik nu ook nog een vierde fase noemen; dat is die van de (her)interpretatie.
De geschiedenis heeft de neiging na verloop van tijd zich te gaan herhalen.
Weliswaar is er, zoals hierboven werd beschreven, ook eeuwen na het ontstaan van een belijdenis nog altijd de mogelijkheid dat iemand plotseling in die oude woorden een verwoording van het eigen geloof herkent, maar meestal is de ontwikkeling een andere. Met het verstrijken van de tijd, met het vergroten van de afstand tussen de ontstaanstijd van een belijdenis en het heden waarin wij leven, zul je in die belijdenis zelf steeds meer dingen tegenkomen, die voor ons niet meer duidelijk zijn, en waarvoor je dan weer een hoop woorden nodig hebt om uit te leggen wat men er destijds mee bedoeld heeft, en hoe ook wij vandaag nog uit de voeten kunnen met die oude woorden uit de traditie. Dat wil zeggen: je krijgt een uitlegtraditie rond de belijdenis, en daarmee eigenlijk een gekwadrateerde belijdenis: zoals de belijdenis uitlegt hoe wij de bijbel lezen, zo gaan wij nu uitleggen hoe wij de belijdenis lezen. En dan herhaalt zich het proces: we herkennen elkaar met vreugde in een bepaalde manier van omgaan met de belijdenis. De voorbeelden liggen in de Catechismus voor het oprapen. Ik noem Zondag 14: de tamelijk biologische verklaring die daar gegeven wordt (voor de noodzaak) van de maagdelijke geboorte is onder ons dunkt mij vrij algemeen vervangen door een heilshistorische benadering. Ik ben het daar van harte mee eens, maar dat vraagt toch echt om uitleg en rechtvaardiging!
Ik wijs ook op de manier waarop wij vandaag omgaan met het beroemde/ beruchte antwoord 80 van de Catechismus, waar de Paapse mis wordt omschreven als „een vervloekte afgoderij”.
Daar hebben wij vandaag wel wat aan uit te leggen en te interpreteren.
En nou kun je dat allemaal best op een goede manier doen – daar heb ik ook geen moeite mee, begrijp me goed: ik neem dat ook vandaag nog graag voor m’n rekening, zeker naar z’n intentie – alleen: juist het feit dat je het moet uitleggen is op zichzelf problematisch. Daar merk je aan dat de belijdenis haar onmiddellijke doorzichtigheid naar de bijbel toe kwijt is; en dat betekent dan in feite weer dat de belijdenis haar meest belangrijke functie (duidelijk maken hoe wij de bijbel lezen) is kwijtgeraakt, of op z’n minst dat die functie letterlijk een stuk minder helder is geworden.
Conclusie
Als er enige waarheid schuilt in het verhaal tot dusver, dan is de conclusie onvermijdelijk: met het verstrijken van de tijd zul je als kerk merken dat het kostuum dat ons vanuit het verleden wordt aangereikt, en dat eens op maat gesneden was, steeds minder gaat passen, en op al meer plaatsen gaat knellen en wringen. Niet omdat wij zoveel minder Gereformeerd of minder bijbels zijn dan onze vaderen, maar eenvoudig omdat wij in een andere tijd leven dan zij. Een belijdenis, ook onze drie formulieren van enigheid, heeft z’n ontstaan te danken aan een bepaalde concrete historische situatie; en hoe verder wij ons verwijderen van die situatie, hoe meer ook de beperkingen duidelijk worden van de in die tijd opgestelde verwoording van het geloof.
En dan kún je als kerk, wanneer je de relatie met de belijdenis wilt houden zoals die vroeger was, beginnen aan een volgende ronde van uitleggen wat men vroeger heeft bedoeld; maar het lijkt mij zinniger om eerst maar eens de feiten onder ogen te zien.